Algemene inleiding
plantengroepen
Systematiek
Hogere
planten of vaatplanten omvatten twee grote groepen: de niet- bloeiende
varenplanten (Pteridophyta) en de zaadplanten of bloemplanten (Spermatophyta)
De belangrijkste groepen varenplanten zijn: Wolfsklauwen, Paardenstaarten en
Varens. De zaadplanten worden onderverdeeld in naaktzadigen (Gymnospermae, o.a.
naaldbomen) en bedektzadigen (Angiospermae).
Bouw
De
hogere planten zijn in het bezit van vaatbundels voor transport van water en
voedingsstoffen. Aan de plant kunnen stengels, bladeren en wortels onderscheiden worden. Ook
onderscheiden ze zich van de mossen en andere lagere planten door het bezit van
huidmondjes, waarmee de verdamping geregeld kan worden. De varenplanten
verspreiden zich door middel van sporen en de zaadplanten door zaden.
Biotoop
Hogere
planten bepalen in belangrijke mate het natuurlijk aanzien van de aarde. Alleen
in gebieden met extreme kou of droogte zoals toendra's, gebergten en woestijnen
zijn ze niet dominant aanwezig. Hogere planten komen vooral op het land en in
het zoete water voor. Slechts enkele soorten, zoals zeegras zijn aangepast aan
het leven in zee.
Aantal soorten
Een
globale schatting van het aantal soorten Pteridophyta en Spermatophyta in de
wereld bedraagt respectievelijk 11 000 en 250 000. Het aantal inheemse varen-
en zaadplanten is 50 en 1400.
Systematiek
Mossen (Bryophyta) vormen een hoofdafdeling van de planten die qua ontwikkeling tussen de algen en de hogere planten in staan. Er worden drie klassen onderscheiden: de Levermossen (Hepaticopsida), de Bladmossen (Bryopsida) en de Hauwmossen (Anthoceropida), die ook wel tot de levermossen worden gerekend.
Uiterlijk
Mossen
zijn kleine kruidachtige planten met bladgroen. Er komen echter ook soorten
voor die grotere afmetingen bereiken, bijvoorbeeld soorten uit het genus
Dawsonia uit Nieuw Zeeland kunnen een hoogte van 50 cm bereiken. Mossen
bevatten geen vaatbundels en echte wortels. Zij zijn in staat over het gehele
oppervlakte water op te nemen. Vele mossen zijn thalleus (lapvormig) zoals
sommige levermossen als Parapluutjesmos, andere bezitten al dan niet vertakte
bebladerde stengels (vele levermossen en bladmossen). In plaats van wortels
hebben mossen eencellige rhizoiden, die voornamelijk dienen voor de
aanhechting.
Ontwikkeling
Mossen
hebben een generatie-wisseling. De haploïde (enkel stel chromosomen) fase is de
gametofyt, die het meest ontwikkeld is. Hierop ontwikkeld zich de diploïde
(dubbel stel chromosomen) fase, de
sporofyt. De sporofyt draagt een sporenkapsel dat met tanden, kleppen
(Levermossen) of een deksel (Bladmossen) opent. De sporen kunnen over grote
afstanden door de wind verspreid worden. Uit de spore ontwikkelt zich via een
protonema ("wiermatje") een nieuwe mosplant. Ook vegetatieve
vermeerdering komt bij mossen veelvuldig voor.
Biotoop
Mossen
komen, met uitzondering van de zee, over de gehele aarde verspreid voor. In
sommige streken (hoogveen en toendra) vormen mossen de dominante vegetatie. De
meeste soorten levermossen groeien in een
vochtige omgeving, enkele soorten komen in het zoete water voor (o.a.
Watervorkje). De meeste soorten zijn echter landbewoners en komen op
uiteenlopende substraten voor, zoals bladeren, bomen, hout, steen, bodem etc.
De bladmossen komen ook op verschillende substraten voor, maar zijn in het algemeen minder aan
vochtige plaatsen gebonden. Echter ook
in het zoete water komen bij uitzondering bladmossen voor zoals het Bronmos.In
droge toestand kunnen sommige soorten een lange droogte overleven.
Aantal soorten
In
Nederland komen ongeveer 125 soorten Levermossen, 2 soorten Hauwmossen en 380
soorten bladmossen voor. Het totaal aantal soorten mossen in de wereld wordt geschat op 24.000
soorten (Levermossen 9000, Hauwmossen
100 en Bladmossen 15.000 soorten).
Systematiek
Volgens nieuwe opvattingen behoren de Korstmossen tot de schimmels (Fungi), maar worden vaak nog als een aparte divisie (Lichenes) beschouwd. Een korstmos bestaat uit twee verschillende organismen, een eencellig wier en een schimmel, die zodanig samengroeien (symbiose), dat één geheel wordt gevormd met een eigen vorm, structuur en levenswijze. De indeling van de korstmossen die gebaseerd is op de schimmelcomponent is als volgt: Ascolichenes, Basidio-lichenes en Lichenes Imperfecti. De schimmelcomponent is bij de meeste soorten een Ascomyceet (Zakjeszwam) en bij een gering aantal, meest tropische soorten een Basidiomyceet (Steeltjeszwam). De wiercomponent kan een groenwier of een blauwwier zijn.
Uiterlijk
Naar
de groeivorm kunnen de korstmossen globaal in drie groepen ingedeeld worden:
korstvormige, bladvormige en struikvormige korstmossen.
Biotoop
In
bijna alle gebieden van de wereld komen korstmossen voor. Zij kunnen onder zeer
extreme omstandigheden voorkomen in poolgebieden, woestijnen en gebergten omdat
ze goed bestand zijn tegen uitdroging. De meeste soorten zijn typische
landbewoners, slechts enkele soortenkomen in zee, in de getijdezone of in het
zoete water voor (amfibisch of ondergedoken). Naar de aard van het substraat
waarop korstmossen voorkomen, zijn grofweg drie groepen te onderscheiden: op de
grond (terrestrisch), op steen e.d. (epilitisch) en op bomen (epifytisch).
Aantal soorten
Het
aantal soorten korstmossen in Nederland bedraagt 633. Op de gehele aarde komen
15.000 à 17.000 soorten voor.
Systematiek
Kranswieren
(Charophyta) zijn groenwieren met een vrij complexe structuur, enigszins gelijkend
op die van hogere planten.
Uiterlijk
Het
thallus is draadvormig, vertakt met een verdeling in leden en knopen. Op de
knopen staan kransen van takken, waaraan de groep zijn naam ontleent. De
planten bezitten wortelachtige organen voor aanhechting en voeding. Op de
planten kan een sterke kalkafzetting voorkomen (de Engelse naam Stoneworts is
daar vanaf geleid). Bepaalde soorten verspreiden een sterk
zwavel-knoflookachtige geur, die niet door iedereen wordt gewaardeerd. De
Amerikaanse bijnaam is dan ook Skunkweed.
Biotoop
Zij
komen, op een enkele uitzondering na, ondergedoken voor, in allerlei brakke en
zoete wateren met zandige, venige of modderige bodems. Veel soorten zijn
bijzonder gevoelig voor watervervuiling.
Sommige soorten kunnen
uitgestrekte begroeiingen vormen van enkele km2, ook wel Chara-weiden genoemd.
Kranswierbegroeiingen vormen een aparte klasse binnen het systeem van
plantengemeenschappen: Charetea fragilis.
Aantal soorten
De
verspreiding van kranswieren strekt zich over nagenoeg de hele wereld uit. Er
is slechts één recente familie met 6 genera en ca. 300 soorten. In Nederland
komen 4 genera voor met totaal 22 soorten.
Van
de schimmels of zwammen (Fungi) behoren de paddestoelen tot de zogenaamde
Macrofungi. Dta zijn 'hogere' schimmels met betrekkelijk grote vruchtlichamen.
Zij bestaan uit twee systematische groepen: Steeltjeszwammen (Basidiomyceten)
en Zakjeszwammmen (Ascomyceten).
De
paddestoel is slechts een deel van de plant, namelijk het vruchtlichaam, waarop zich de sporen vormen
die dienen voor de voortplanting. De eigenlijke plant is het mycelium of
zwamvlok, een massa van witte buisvormige draden (hyfen) die zich in de grond,
in afgevallen bladeren of in hout bevindt. Bij de meeste soorten
is de vorming van het vruchtlichaam aan een
bepaalde tijd van het jaar gebonden. De meeste soorten paddestoelen verschijnen
in de periode van het einde van de zomer tot begin november.
Paddestoelen
bevatten geen bladgroen zoals hogere planten en kunnen daarom bepaalde noodzakelijke
stoffen niet zelf maken. De soorten zijn parasitair of leven van dood, rottend
materiaal (saprofytisch). De meeste aprofytische soorten leven van rottend
plantaardig materiaal, er zijn echter ook enkele soorten die op rottend
dierlijk materiaal leven. De parasitaire soorten leven ten koste van levende
planten, bekende voorbeelden zijn de Dennenmoorder en de Honingzwam. Sommige
soorten leven in symbiose met de wortels van bomen of kruidachtige planten.
Deze symbiose wordt myccorhiza genoemd.
Paddestoelen
leven op het land, waarbij bossen en struwelen de meeste soorten herbergen. Bij
andere groepen schimmels komen ook waterbewonende soorten voor.
De
schimmels vormen een van de grootste groepen van het planten -rijk. Het totaal
aantal soorten op de wereld wordt ruwweg op 65.000 geschat. In Nederland komen
3500 soorten paddestoelen (Macrofungi) voor. Het aantal soorten Microfungi in
Nederland bedraagt een paar duizend.
datum laatste
wijziging pagina: 14-11-2003 20:53