Weekdieren en hun naam


Betekenis van wetenschappelijke, Nederlandse, Engelse, Duitse, Franse en andere namen van slakken


Opmerkingen en vragen: contact





Aardschijfje - Lucilla scintilla
Aardslakken – Lehmannia
Aardslakken - Limax
Acavus
Acteon
Actonia
Adissonia
Admete
Aegiris
Agaathorens - Cochlicopa
Aglaja
Akkerslakken – Deroceras
Alaba
Alcithoe
Alderia
Alikruik – Littorina littorea
Alvania
Ammonietslakjes - Ammonicera
Ammonshoren – Nesovitrea hammonis
Amoria
Angasiella
Appelslakken - Ampullariidae
Archimediella
Ashfordia
Atoomslakje – Omalogyra atomus
Atys
Azeca
Ba humbugi
Babylonia
Baicalia
Balea
Barleeia
Barnsteenslakken - Succineidae
Basters drijfslak – Heleobia stagnorum
Belgrandia
Belgrandiella
Beringius
Bermudella
Berthella
Bijenkorfje - Spermodea lamellata
Blaashorens - Physidae
Blauwgestreepte schaalhoren - Helcion pellucidum
Blindslak - Cecilioides acicula
Blinkslakken - Aegopinella
Boerenknoopje - Discus rotundatus
Boettgerilla
Bofilliella
Bonellitia
Boompjesslak - Dendronotus frondosus
Boreotrophon
Bos-loofslak - Monachoides incarnatus
Borsonia
Bourciera
Brocchia
Brocchinia
Broderipia
Bronslakken - Bythinella
Buccinum
Buishoren - Caecum
Bulgarica
Cabestana
Cavolinia
Ceres en Proserpinella
Cerion
Charpentieria
Chauvetia
Chinees hoedje - Calyptraea chinensis
Chevallieria
Chronos
Cilinderslak - Truncatella
Cipangopaludina
Circelslak - Tornus subcarinatus
Citroenslak - Archidoris
Clausilia’s - Clausiliidae
Clelandella
Cleopatra
Comarmondia
Contrahorentjes - Triphoridae
Crossea
Cuvierina
Cyclope
Cyllene
Daudebardia
Dautzenbergiella
Dekselhorens – Phasianellidae
Delavaya
Diacria
Diala
Diepslakken - Bithyniidae
Dillwynella
Dlinza-windmolentje - Trachycystis clifdeni
Dondice
Drijfhorentjes - Pusillina
Duifhorens – Columbellidae
Duinhorens - Cochlicella
Duinslakken - Cernuella
Dupontia
Durgella
Dwerghorentje - Eatonina fulgida
Dwergpuntje - Punctum pygmaeum
Dwergslakken – Carychiidae
Dwergtolhoren - Dikoleps pusilla
Dwergwulk - Chauvetia brunnea
Ebala
Eeltslak – Lithoglyphus naticoides
Eierkaurie’s – Ovulidae
Embletonia
Eobania
Erato - Urnhorens
Erinna
Ersilia
Ethalia
Euglandina rosea
Fectola en Delouagapia
Ferussacia
Fijia
Fiona
Fiolinia
Fluweelhoren - Velutina velutina
Forskaliopsis
Fryeria
Fuikhorens - Nassarius
Gabbia
Gasulliella
Geelvlekslak - Marstoniopsis scholtzii
Gena
Genaveld tonnetje - Lauria cylindracea
Geruite rondmondhoren – Pomatias elegans
Getijdeslak – Mercuria confusa
Giffordius
Gittenbergeria en Gittenbergia
Gladde naaldslak - Platyla polita
Glanshorens – Eulimidae
Glansslakken - Oxychilus
Glanzende schijfhoren - Segmentina
Glashoren – Diaphana minuta
Glasmuiltjes – Lamellaria
Glasslakken - Vitrinidae
Glimslakken – Zonitoides
Gofasia
Gordelhorentjes – Onoba
Goubinia
Gourmya
Grasslakken - Candidula
Gray’s kustslak - Assiminea grayana
Graziana quadrifoglio
Groene wierslak - Elysia viridis
Grote poelslak - Lymnaea stagnalis
Grote wegslak - Arion ater rufus
Gruvelia
Guildfordia
Gyrineum
Haarschelpen – Trichotropidae
Haarslak – Trichia hispida
Haasica
Hadriana
Hainesia
Harpslakken - Harpidae
Hastula
Heesterslak – Arianta arbustorum
Helmschelpen – Cassidae
Helicella
Henrya
Hero
Hermes
Hiala
Hoge trapgevel – Bela nebula
Hongaarse muts – Capulus ungaricus
Indische vaashoren - Turbinella pyrum
Io
Iphitus
Iravadia
Iredalina
Isanda
Isseliella
Ivara
Jaminia
Japelion
Jeffreysiella
Jenkins waterhorentje – Potamopyrgus antipodarum
Jenneria
Johania
Jouseaumea
Julia
Jullienia
Juttingia
Kaalslak – Cadlina laevis
Kapslak – Acroloxus
Cypraea
Karthuizerslakken – Monacha
Kegelslakken - Conidae
Kegeltolhorens – Jujubinus
Kelletia
Kleinella
Kielslakken - Atlanta
Kielnaaktslakken - Milax
Kielnaaktslakken - Tandonia
Kikkerhorens, Paddehorens – Bursidae
Kleine alikruik - Melaraphe
Kleverige poelslak - Myxas glutinosa
Knobbelhoren - Melanoides
Knoopjesschelp – Trochus niloticus
Knophorentje - Obtusella intersecta
Knotsslakken – Tergipes en Tenellia
Knotsslakken - Cuthona
Knuppelslakken – Eubranchus
Kobeltia
Koffieboontjes – Trivia
Kokerwormslakken – Vermetidae
Koraalslakken – Coralliophilidae
Korfslakken – Vertigo
Korfslakken – Truncatellina en Columella
Korrelslakken – Chondrinidae
Kristalslakken - Vitrea
Kroonslak, Egelslak en Tritonie – Doto, Acanthodoris en Tritionia
Kruierslakken, Steendragers - Xenophoridae
Leverbotslak – Galba truncatula
Libera
Lierschelpen - Lyria
Liguus
Liphorens - Marginellidae
Lischkeia
Livonia
Mabiliella
Magilus
Maltzanella
Manzonia
Marionia
Martensamnicola
Maskerslak - Isognomostoma isognomostoma
Melampus
Menestho
Metaxia
Metzgeria
Mijterslakken - Mitridae
Modderkruipers – Potamididae
Moelleria
Moerasslakken - Viviparus
Mohnia
Mosdierslakken – Polyceridae
Mosselslurper – Odostomia scalaris
Muiltje – Crepidula fornicata
Murchisonella
Muskaatnootslakken – Cancellaridae
Naaldslak - Acicula fusca
Naaldvormige glasvleugelslak - Creseis virgula
Naegelia
Napslakken - Emarginula en Puncturella
Narona
Nereina
Nesophila baldwini
Neverita
Niso
Nystiella
Oeverloofslak - Pseudotrichia rubiginosa
Okenia
Oncomelania
Olijfslakken - Olividae
Ondina
Oorslakken - Ellobiidae
Opgerolde tandslak - Helicodonta
Opgezwollen brakwaterhoren - Ventrosia ventrosa
Osteopelta
Ottonia
Oubliehorens - Retusa
Paardenhoefhorens - Hipponicidae
Pagodehorens, Pagodeslakken – Columbarium
Papuina
Parapluslakken - Umbraculidae
Partulidae - Polynesische boomslakken
Payraudeautia
Paziella
Pelikaansvoet - Apporhais pespelicani
Penhoren – Turritella communis
Perrinia
Perrona
Personidae - Stoorhorens
Pfeifferia
Philippia
Phos
Phrygische muts – Ancylus fluviatilis
Pisania
Planaxidae
Platte cirkelhoren - Circulus striatus
Plooislakken – Goniodorididae
Pluimdragers - Valvatidae
Poelslakken – Radix
Poelslakken – Stagnicola
Polinices
Posthorenslak – Planorbarius corneus
Priemhorentjes - Turbonilla
Priktolhoren – Calliostoma zizyphinum
Proserpina
Proserpinella en Ceres
Prinse begraaffenis – Oliva vidua sepulturalis
Prototyphis en Typhis
Pruvotfolia
Pteropurpura
Purperslak - Nucella lapillus
Pyramidellidae
Pyramideslakken - Trochoidea
Pythia
Quoyella en Quoya
Quoyia
Rapana
Recluzia
Ribhorens - Trophon
Reuzenspitshorens - Campanilidae
Reuzentrompethoren - Syrinx aruanus
Riempje – Bathyomphalus contortus
Ringsprietslakken - Facelina
Rissoa
Rissoella
Rolandia
Rolsprietslakken – Hermaea
Rossmaessleria
Rotstolletje - Pyramidula rupestris
Roxania
Rubberslak - Onchidella celtica
Rudolphosetia
Rumina decollata
Runcina
Ruthenica
Ruthia
Sandbergeria
Sarasinula
Sarmaticus
Sassia
Sansonia
Satijnslak – Jorunna tomentosa
Sayella
Schaalhorens - Patella
Scheefhorens - Lacuna
Schepjes - Philine
Schijfhorens - Anisus
Schijfhorens - Gyraulis
Schijfhorens - Planorbis
Schilderia
Scutus - Schildhorens
Schildslak - Testacella haliotidea
Schorpioenhorens – Lambis
Schorrenslak - Limapontia
Schotelhorens - Acmaea of Tectura
Schroefhorens - Terebridae
Scyllaea
Segrijnslak - Helix aspersa
Seguenzia
Seila
Semperdon
Serpho
Siciliaria
Siphonochelus pavlova
Skenea
Skenella
Skeneopsis
Slaapslak - Aplexa hypnorum
Slanke poelslak - Omphiscola glabra
Slanke grondwaterslak - Bythiospeum
Sleutelgathoren - Diodora graeca
Smalle trapgevel - Mangelia smithii
Smurfslak - Ferrissia wauteri
Spekia
Speldhorens – Eulimella en Anisocycla
Spieshorentjes - Aclis
Spieshorentjes – Graphis en Cima
Spikkelhoren - Setia pulcherrima
Spiraalhorens - Iravadiidae
Spitse contravleugelslak - Limacina retroversa
Spitshorens – Cerithiidae
Spleethorens - Pleurotomariidae
Spoelhoren – Acteon tornatilis
Sponshorens – Cerithiopsis
Staarthorens - Tibia
Stanleya
Steenbikker – Helicigona lapicida
Stekelhoren - Ocenebra erinacea
Stekelslakje - Acanthinula aculeata
Stephanoda
Sterkia
Sterslakken - Onchidoris
Stompe grondwaterslak - Avenionia brevis
Streephorentje - Cingula cingillus
Strombus entropi
Struikslakken - Bradybaenidae
Struthiolaria
Syrnola
Tadunia
Tandonia
Taringa
Tepelhorens – Euspira en Amauropsis
Talassia
Tambja
Tanganyicia
Tandtolhoren - Osilinus lineatus
Taranis
Taron
Tere aardslak - Malacolimax tenellus
Thalassia
Thapsia
Thatcheria
Theba
Thersites
Thilea
Thordisa
Thesbia
Tiberia
Tingitana
Tipjes - Janolus
Toffoletia
Toledonia
Tolhorens – Gibbula
Tolslakken – Euconulus
Toltecia
Tonhorens - Tonnidae
Tonkinia
Tonnetjes - Pupillidae
Torellia
Torenslakken - Enidae
Traliedrijfhorentjes – Alvania
Traliehorens - Chrysallida
Trapania
Trapgevels - Oenopota
Triopha
Tristania
Tritonhoren – Charonia tritonis
Trophon
Troschelia
Tryonigens
Tugali
Tuinslakken - Cepaea
Tulbandschelpen - Turbinidae
Tulband – Astraea rugosa
Turris
Turrisipho
Turveria encopendema
Typhis en Prototyphis
Urosalpinx
Vaatjesslak - Sphyradium doliolum
Noemiamea dolioliformis - Vaatjestandhoren
Vallonia
Valse obliehoorn en Bootschelp – Cylichna en Scaphander
Vanikoro
Vasum
Veronicella
Vijgschelpen, Vijghorens – Ficidae
Vitularia
Vlakke schijfhoren - Hippeutis
Vlerkslakken - Clione
Vleugelhorens – Strombidae
Vlokslakken - Aeolidia en Aeolidiella
Waaierslakken – Flabellinidae
Wadslakje - Hydrobia
Waimatea
Waipaoa
Walsslakken – Volutidae
Walvisaas – Clio borealis
Weaveria
Weinkauffia
Wenteltrap - Epitonium
Wiegmannia
Wijngaardslak – Helix pomatia
Williamia
Woestijnslakken – Eremina
Wollastonula
Xerotricha
Zaphella
Zaphon
Zeacolpus
Zebraslak – Zebrina detrita
Zeehazen - Aplysiidae
Zeeoor – Haliotis tuberculata
Zeeposthoren - Skeneopsis planorbis
Zeezeiler – Janthina janthina
Zenobiella
Zetekia
Zethalia
Zeuxis
Zevenkantige trapgevel - Haedropleura septangularis
Ziba
Zingende slak – Cantareus apertus
Zoetwaterneriet – Theodoxus fluviatilis
Zoetwaterspitshoren - Faunus
Zoila
Zonnewijzerslakken - Architectonicidae
Zuiderzeeschijfslak – Corambe obscura


Aardschijfje - Lucilla scintilla
Aardschijfje - Lucilla scintilla (Lowe, 1852)
Synoniem: Helicodiscus singleyanus
Engels: Singley's subterranean discus snail
Duits: Weiße Scheibchenschnecke

J.G.J. Kuiper verzamelde op 29 september 1943 twee slakjes in een bosje langs de Tongelreep bij het Trappistenklooster Achelse Kluis. De twee kleine huisjes konden niet op naam gebracht worden. De zoektocht naar de juiste naam duurde meer dan een halve eeuw en leidde uiteindelijk tot de naam Lucilla scintilla. Een soort die in 1852 door R.T. Lowe werd beschreven aan de hand van exemplaren van Madeira. Een uitgebreid verslag hier van is te lezen in "Speurtocht naar de identiteit van een ondergronds Amsterdammertje" (Bank, 2001).
Het huisje is een platte schijf en de blinde slakken leven ondergronds, daarom de naam Aardschijfje. De wetenschappelijke naam heeft wellicht te maken met de lichtglanzende glasachtige melkwitte huisjes. Scintilla (Lat.) betekent namelijk vonk en Lucilla kan afgeleid zijn van lux (2e naamval lucis) = (dag)licht en –illa een verkleiningsuitgang.

Aardslak – Limax
De grote aardslak is de grootste naaktslak van de Nederlandse fauna. De wetenschappelijke naam sluit daar goed op aan want Limax is in het Latijn slak en maximus is de overtreffende trap van magnus = groot. De vertaling is dus grootste slak. Ook andere talen benadrukken de grootte van het dier: Grande limace cendrée (Frans; limace = naaktslak, cendrée = asgrauw) en Giant Garden Slug (Engels). Omdat de soorten van de familie Limacidae in of op de aarde leven kregen ze de naam aardslakken.
Veel exemplaren van grote aardslak hebben een gevlekt uiterlijk, daaraan refereren namen als Tijgerslak, Spotted Garden Slug, Leopard Slug (Engels), Tigerschnegel (Duits) en Babosa atigrada (Spaans, babosa = naaktslak, atigrada = gevlekt, getijgerd).
Andere Nederlandse soorten zijn Limax flavus de Lichte aardslak en Limax cinereoniger de Zwarte aardslak. Het zijn hier de kleuren die er toe doen. Flavus (Latijn) betekent geel en cinereoniger (Latijn) betekent asgrauw-zwart, beide naar de kleur van het dier. In het Engels,Frans en Duits heet de eerste soort Yellow slug, Grande limace jaune, Bierschlegel en de tweede Ash-black slug, Grande limace noirâtre = zwartachtig) en Schwarzer Schlegel. Limax flavus heeft de naam Bierschlegel niet gekregen vanwege de bierkleur, hoewel dat ook wel toepasselijk is, maar omdat de slakken als liefhebbers van bier vroeger vaak in bierkelders te vinden waren. Op z’n Duits: “Früher häufig in Bierkellern, wo die Tiere von ausgelaufenem Bier besonders angelockt wurden”. De voorkeur voor kelders blijkt ook uit de Nederlandse naam kelderslak.

Aardslakken – Lehmannia
Bos-aardslak - Lehmannia marginata
Engels: Tree Slug
Duits: Baumschnegel

Spaanse aardslak - Lehmannia valentiana
Duits: Gewächshausschnegel

Naar welke Lehmann Heynemann in 1863 dit genus vernoemde is niet bekend. In ieder geval heeft een zekere Lehmann het jaar er voor het genus Zonitoides beschreven. Een bekende botanicus uit die tijd is Johann Georg Christian Lehmann (1792-1860), naar hem is het plantengeslacht Lehmannia Spr. genoemd. Dat deze professor uit Hamburg ook iets met slakken van doen heeft gehad, is onwaarschijnlijk.
De naam aardslakken ontlenen de soort aan de familie Limacidae – Aardslakken waartoe ze behoren.

De bos-aardslak wordt vooral in bossen gevonden, onder omgevallen bomen, tussen schors en allerlei bodemmateriaal. De soortnaam marginata (lat.) = met een rand slaat wellicht op de twee donkere banden aan de zijkant van het lichaam.

De Spaanse aardslak komt van oorsprong alleen op het Iberisch schiereiland voor (Spanje en Portugal), maar is door toedoen van de mens op in vele delen van de wereld terecht gekomen. In veel landen wordt de soort regelmatig in kassen gevonden, vandaar de Duitse naam Gewächshausschnegel. De soortnaam valentiana betekent van Valencia, een plaats in Spanje.

Acavus

Acavus Montfort 1810
Familie: Acavidae

Acavus phoenix (Pfeiffer, 1854)
Acavus haemastoma (Linnaeus 1758)
Acavus superbus Pfeiffer 1850

Acavus is een endemisch geslacht van landslakken van Sri Lanka (Ceylon) met drie vertegenwoordigers: Acavus haemastoma, Acavus superbus en Acavus phoenix. De dieren hebben prachtig gekleurde schelpen en komen in bossen en tuinen voor.
De genusnaam Acavus is mogelijk samengesteld uit a- (Gr.) = niet, geen en cavus (lat.) = uitgehold. Deze betekenis is voor dit genus echter onduidelijk.
De drie soortnamen zijn gemakkelijker te verklaren. Haemastoma is samengesteld uit haima (gr.) = bloed en stoma = mond: met een bloedrode mond. De soortnaam superbus (lat.) betekent trots, fier, prachtig.
De soortnaam van de derde soort phoenix is afgeleid van het de mythische vogel phoenix of feniks. Het is een Arabische vogel die volgens de oude mythe zich om de 500 jaar op een palmboom zijn nest van geurig hout verbrand, en verjongd uit de as verrijst. Volgens de meeste verhalen ziet de Phoenix er rood uit, met blauwe ogen. Phoenix komt van het Griekse phoinix dat zowel purperrood, (dadel)palmboom, Phoeniciër als de vogel Phoenix betekent. Ook de huisjes van Acavus phoenix zijn roodgekleurd.

Admete
Admete Krøyer, 1842
Familie: Cancellariidae

Admete aethiopica Thiele, 1925 : van Ethiopië
Admete crispa Möller, 1842 : crispa (lat.) = gekroesd
Admete couthouyi (Jay, 1839) : naar Joseph Petty Couthouy (1808-1864)
Admete viridula (Fabricius, 1780) : viridis (lat.) = groen, viridula = groenachtig

Het genus Admete is genoemd naar Admetus of Admetos, koning van Pherai. Admetos is een koning waar Apollo een jaar als boetedoenend schaapherder verbleef . Hij koos als beloning van Apollo het eeuwige leven. Dat was toegestaan als een ander zijn plaats vrijwillig zou innemen. Alcestis, vrouw van Admetos, stelt zich beschikbaar, en sterft.

Aegiris
Aegiris Lovén, 1844
Familie: Aegiretidae (Nudibranches)

Aegires albopunctatus MacFarland, 1905
Engels: Salt-and-pepper doris

Slechts weinig genusnamen van weekdieren zijn geleid van Noorse of Germaanse goden. Een van die namen is Aegiris, die gebaseerd is op de naam van de Noorse God Aegir. Aegir en zijn vrouw Ran zijn de god en de godin van de zee.
De soortnaam albopunctatus (lat.) betekent met witte punten.

Agaathorens - Cochlicopa
Glanzende agaathoren - Cochlicopa lubrica
Engels: Slippery snail
Duits: Gemeine Achatschnecke
Deens: Agatsnegl

Slanke agaathoren - Cochlicopa lubricella
Duits: Kleine Achatschnecke
Engels: Least slippery snail
Frans: Zue brillante
Deens: Lille agatsnegl

Middelste agaathoren - Cochlicopa repentina
Duits: Mittlere Achatschnecke

Evenals bij het genus Cochlodina is het eerste deel van de naam afgeleid van kochlos (Gr.) = schelp met een spiraalvormig huisje. Het tweede deel van de naam –copa is mogelijk afgeleid van copia (Lat.) = overvloed. Mogelijk naar de verscheidenheid aan soorten van dit genus. Maar volgens Rafael Muniz Solis is dit deel afgeleid van copa (lat.)= herbergierster.
Het is niet gemakkelijk de drie soorten van dit genus te onderscheiden. De soort Middelste agaathoren neemt een tussenpositie tussen beide soorten in, vandaar dat de naam middelste is gekozen. De soortnaam repentina (Lat.) betekent plotseling, onverwacht en heeft zeer waarschijnlijk te maken met de latere ontdekking van deze soort.
De agaathorens zijn genoemd naar de gladde en glanzende agaatsteen. Zowel lubrica (Lat.) als lubricella betekenen glad, glibberig, waarbij de laatste ook de verkleiningsuitgang –ella heeft. Dit naar aanleiding van zijn iets kleinere afmetingen ten opzicht van lubrica.
Het huisje van de Glanzende agaathoren is het meest glanzend van beide soorten, terwijl het

Akkerslakken – Deroceras
Gevlekte akkerslak - Deroceras reticulatum
Engels: Grey field slug
Duits: Genetzte Ackerschnecke
Deens: Netsnegl

Witte akkerslak - Deroceras agreste
Duits: Einfarbige Ackerschnecke
Frans: Limace agreste
Deens: Agersnegl

Kleine akkerslak, Waterige aardslak- Deroceras laeve
Engels: Marsh slug
Duits: Wasserschnegel
Deens: Glatsnegl

Zuidelijke akkerslak - Deroceras panormitanum
Duits: Mittelmeer-Ackerschnecke

Oostelijke akkerslak - Deroceras sturanyi
Duits: Hammerschnegel

De zeer algemene Gevlekte akkerslak geldt als een plaag in veel landbouwgebieden en zal daarom model hebben gestaan voor de naam akkerslakken voor het genus Deroceras. De genusnaam Deroceras komt van dera (Gr.) = hals, nek en ceras = horen. Waarschijnlijk zijn hiermee de tentakels op de kop bedoeld.
De gevlekte akkerslak is de meest algemene van de vijf soorten akkerslakken. Vanwege de donkere min of meer netvormige tekening is de soortnaam reticulatum (Lat.) = met een net, netachtig gegeven. De slakken die we in onze sla tegenkomen, behoren meestal tot deze soort, daarom heeft hij ook de naam slaslakje gekregen.
De witte akkerslak is alleen van de Waddeneilanden bekend. De habitat van deze soort wordt omschreven als weiden en vochtige plaatsen in bergachtige gebieden. Dat sluit niet aan op de soortnaam agreste (Lat.) dat van het land, van akkers betekent. Vanwege het ontbreken van een vlekkenpatroon heet de soort witte akkerslak.
De kleine akkerslak is een kleine akkerslak van hooguit 2,5 cm lang in uitgerekte toestand. Ze komen voor op vochtige tot zeer vochtige plaatsen en zijn zelfs onder water aangetroffen. De soortnaam laeve (Lat.) betekent glad.
Zuidelijke akkerslak is een soort uit het Middellandse Zeegebied, maar heeft zich sterk naar andere gebieden in Europa uitgebreid. Panormitanum betekent van Palermo (Lat. Panormus) op Sicilië.
De oostelijke akkerslak kwam oorspronkelijk alleen in Oost-Europa voor, maar heeft zich over een groot deel van Europa verspreid. De soortnaam sturanyi komt van Rudolf Sturany (1867-1935), hij was malacoloog verbonden aan het Naturhistorische Hofmuseum in Wenen. De penis van deze soort is hamervormig, wat de Duitse naam Hammerschnegel verklaart.

Alikruik - Littorina littorea
Op een alikruik

Een vadsige slak te Arnemuiden
Wist niet hoe haar naam te duiden,
Maar heeft plotsklaps bedacht
Terwijl ze door de kreukelzone ragt,
Dat die Litorali Kruik moet luiden.

Alikruiken zijn de typische bewoners van de zone tussen hoog en laag water. Litoraal is de wetenschappelijke naam van de getijdezone tussen de hoogste hoogwaterlijn en de laagste laagwaterlijn. Ook wordt deze wel kreukelzone genoemd naar de Zeeuwse naam van de soort. In het zoetwater betekent litoraal de oeverzone. Litoraal is van het Latijnse litoralis = van de kust, van het strand, van litus 2e nv. litoris = strand, kust. De wetenschappelijke naam van de alikruik Littorina littorea refereert zowel op soort- als genus niveau naar het biotoop van de soort.
De Nederlandse naam Alikruik, Alikruuk, Alekreukel, Kreukel of Krukel heeft geen verwanten in andere talen. Over de afleiding van de naam bestaat veel onzekerheid. In het etymologische woordenboek Van Dale staat “Alikruik (1634) etymologie onbekend.” In het Woordenboek der Nederlandsche Taal staat bij Kreukel: “Men heeft verondersteld dat het dier genoemd is naar den gekronkelde vorm van het horentje”.
“Die sulke dingen doen, die raken in ’t gat seyde meyd en sy sag een man in een alikruyk peuteren”, zo luidt een oude zei-spreuk. Kreukelrapers verzamelen de alikruiken als voedsel. Men kookt ze en haalt ze met een kromme speld uit hun huisje. In de Engelse naamgeving Edible periwinkle (oudengels pinewincle) komt dit gebruik naar voren.
De Franse naam bigorneau en de Spaanse naam bigaro zijn afgeleid van bi = twee en cornu = hoorn (Latijn). Waarschijnlijk slaat dit op de twee tentakels die duidelijk zichtbaar uit het huisje steken.
Strandschnecke en Strandsnegel met de betekenis strandslak zijn in Duitsland, respectievelijk Denemarken in gebruik.

Ammonietslakjes - Ammonicera
Glad ammonietslakje - Ammonicera fischeriane (Monterosato, 1869)
Geribd ammonietslakje - Ammonicera rota (Forbes & Hanley, 1850)

Naar de gelijkenis met de fossiele ammonieten hebben twee soorten van het geslacht Ammonicera de naam Ammonietslakje gekregen. Ammonicera (Lat.) is te vertalen als ammonshoren (keras, Grieks = horen). De Egyptisch-Lybische god wordt afgebeeld met ramshorens. Het Geribd ammonietslakje heeft ribben op de omgangen, het Glad ammonietslakje niet. Rota (Lat.) betekent wiel of rad en slaat op het ronde, platte huisje.
Er zijn een paar malacologen met de naam Fischer werkzaam geweest, hoogstwaarschijnlijk is Ammonicera fischeriane genoemd naar Paul Henri Fischer, (1835-1893), die aan boord was met expedities met de "Travailleur" (1880, 1881, & 1882) en de "Talisman" (1883). Hij schreef ondermeer Manual de Conchyliologie et Paléontologie conchyliologique ou histoire naturelle des Mollusques vivants et fossiles (1887).

Ammonshoren - Nesovitrea hammonis
Het huisje van het Ammonshorentje Nesovitrea hammonis is doorschijnend, iets glanzend, gewoonlijk bleek bruin met duidelijk radiale groeven. Het slakkenhuisje heeft iets weg van ramshorens en is daarom genoemd naar de Egyptische god Ammon die met ramshoren wordt afgebeeld. De kleur en de groeven komen voor in de Duitse naam Braune Streifenglanzschnecke, de Deense naam Ribbeglanssnegl en de Engelse naam Rayed Glass Snail. De wetenschappelijke genusnaam is door C.M. Cooke in 1921 oorspronkelijk opgesteld voor een groep van soorten die leven op het eiland Hawaii. Dit komt tot uitdrukking in de genusnaam, waarvan het eerste gedeelte van het Griekse nèsos = eiland afkomstig is. Het tweede gedeelte vitrea is genoemd naar Vitrea, een verwant geslacht uit dezelfde familie. Vitreus (Lat.) betekent van glas, kristal, glasachtig een slaat op het doorschijnende huisje.

Appelslakken - Ampullariidae
Engels: Apple snails
Duits: Apfelschnecken
Deens: Eple snegle
Frans: Ampul(l)aires

Reuzenappelslak - Pomacea maculata (Perry, 1810)
Synoniemen: Ampullaria gigas, Pomacea gigas (Spix, 1827)
Duits: Riesenapfelschnecke
Engels: Giant apple snail, Peruvian apple snail, Amazonian snail

Puntige appelslak, Ivoorslak, Gouden appelslak - Pomacea bridgesii (Reeve, 1856)
Engels: Mystery snail, Golden mystery snail, Spike-topped apple snail, Brazilian apple snail, Ivory snail
Deens: Mysteriesnegl

De Franse naam Ampulaire doré en de Engelse naam Golden snail hebben veelal betrekking op het gehele genus Pomacea.
In 1797 heeft Humphrey het genus Pomus (zoetwaterslakken) met vijf soorten beschreven. Maar volgens Dall (1904) was zijn werk niet te koop en droeg niet de naam van een auteur of uitgever. Dit alles maakt de genusnaam Pomus volgens de regels van International Commission on Zoological Nomenclature ongeldig. Toch is de naam pomus (Lat.) = appel blijven voortbestaan in de volksnamen, zie de Nederlandse (appelslakken), Duitse, Engelse en Deense namen. De nog veel gebruikte genusnaam Ampullarius is een junior-synoniem voor Pomacea Perry, 1810 en om die reden niet geldig. Wel is de naam van dit genus in de familienaam Ampullariidae blijven voortbestaan.
Ampullarius is afgeleid van ampulla (Lat.), een (zalf)flesje met een nauwe hals en wijde buik. De familie is nu verdeeld in een aantal genera, waarvan Pomacea de bekendste is (afgeleid van Pomus).
De appelslakken komen alleen in Tropische gebieden voor; enkele soorten worden veel in aquaria gehouden. Enerzijds smaken appelslakken zeer goed en worden in Azië gegeten, anderzijds zijn ze schadelijk, omdat ze zich tot een plaag kunnen ontwikkelen.
De Reuzenappelslak is met een grootte van circa 5 cm één van de grootste zoetwaterslakken, de soorttoevoeging gigas (Gr.) komt van Gigas (2e nv. Gigantos), een der mythologische reuzen die de Olympus bestormde.
De soorttoevoeging bridgesii van de Ivoorslak is zeer waarschijnlijk genoemd naar Thomas Bridges (1807-1865), reiziger en verzamelaar in Tropisch Amerika.
De betekenis van de Engelse naam Mistery snail blijft nog een mysterie. Mogelijk is de sleutel te vinden bij G.A. Sowerby in zijn boek Shells of the world. "The Ampullaria is vulgary called the Idol Shell and is said to be held in high veneration [verering] by the South American savages."

Atoomslakje - Omalogyra atomus
Deens: Hulspiret snegl

Het woord atoom komt van het Griekse atomos dat leterlijk niet meer snijdbaar betekent, dus ondeelbaar, zeer klein. Één van de zeehorentjes met afmetingen tot 1 mm heet dan ook Atoomslakje, met de wetenschappelijke naam Omalogyra atomus.
De genusnaam is samengesteld uit Omalo- van het Griekse homalès = gelijk, glad, effen en –gyra van het Griekse guros = rond, kring. Vrij vertaald “met gladde windingen”.


Ba humbugi
Ba humbugi Solem, 1976
Familie: Endodontidae

Alan Solem (1931-1990), curator van het Field Museum of Natural History in Chicago van 1957 tot 1990 hield nogal van buitenissige wetenschappelijke namen bij het benoemen van nieuwe soorten. Zo gaf hij een landslak van de Mba Islands van Fiji de naam Ba humbugi.
Ongetwijfeld had hij hierbij Ebenezer Scrooge voor ogen, de gierige vrek uit A Christmas Carol van Charles Dickens (1812-1870). Toen Scrooge’s neef Fred, hem wilde overhalen Kerstmis bij hem te vieren was het enige antwoord van Scrooge: "bah humbug."

Babylonwulken – Babylonia
Familie: Buccinidae
Geschouderde babylonwulk - Babylonia spirata (Linnaeus, 1758)
Engels: Spiral Babylon

Babylonia formosae Sowerby, 1866
Engels: Formosan Babylon

Het geslacht Babylonia is genoemd naar Babylon of Babel, de hoofdstad van Babylonië, waarschijnlijk vanwege de gelijkenis met de trapvormige toren bij het heiligdom van Mardoek te Babylon. Volgens het bijbelverhaal in Genesis is de voltooiing van de bouw van de toren van Babel verhinderd door een spraakverwarring waardoor de volken zich over de gehele aarde verspreiden, de zogenoemde Babylonische spraakverwarring.
Spira (lat.) betekent kronkeling (van een slang), spirata slaat op het spiraalvormige huisje. De soortnaam formosae betekent afkomstig van het eiland Formosa, het huidige Taiwan.

Barnsteenslakken - Succineidae
Catinella arenaria Rode barnsteenslak
Succinea putris Gewone barnsteenslak
Succinea oblonga Langwerpige barnsteenslak
Oxyloma elegans Slanke barnsteenslak
Oxyloma sarsii Tweeling-barnsteenslak
Plinius weet te vertellen dat barnsteen van een dennenboom afkomstig is en leidt de Latijnse naam voor barnsteen, succinum af van succus = sap. Barnsteen, ook wel succiniet genoemd, is inderdaad de gele tot goudbruine, doorschijnende gefossiliseerde hars van dennenbomen. Barn komt van branden of stralen. In het hars zijn soms insecten terecht gekomen, die in het barnsteen goed geconserveerd zijn.
Dat de bruine en doorschijnende huisjes van de barnsteenslakken zo genoemd zijn, is met het bovenstaande voldoende verklaard. Ook de genusnaam Succinea, waarvan de familienaam Succineidae is afgeleid, is daarmee eveneens duidelijk. De meest voorkomende soort Succinea putris heeft de naam Gewone barnsteenslak gekregen. Ook in Duitsland komt de soort algemeen voor en heet daar Gemeine (= algemene) Bernsteinsnecke. Het tweede deel van de naam putris betekent in het Latijn vermolmd of verrot. Dit slaat waarschijnlijk op de eigenschap van veel slakken dat ze zich voeden met halfvergane delen van planten. Barnsteenslakken komen op plaatsen voor die altijd nat zijn, zoals in moerassen en aan de oevers van rivieren en andere wateren, sommige soorten leven amfibisch. De Franse naam ambrette amphibie slaat op deze eigenschap. Het Engelse amber en het Nederlandse gele amber voor barnsteen is terug te vinden in de Engelse naam large ambersnail. Vanwege de roodachtig bruine huisjes van Catinella arenaria heet deze soort Rode barnsteenslak. De slakken komen voor in schaars gegroeide duinvalleien, wat tot uitdrukking komt in de Engelse naam Sandbowlsnail, de Duitse naam Salz-Bernsteinsnecke en de Latijnse naam arenaria, wat “van de zandgronden” betekent. Het eerste deel van de naam is afgeleid van catinus = schotel of bord en het verkleinwoord –ella. De relatief grote mondopening bij barnsteenslakken heeft vermoedelijk de naamgever geïnspireerd tot deze geslachtsnaam. Vergelijk ook de Engelse naam (bowl = kom, schaal). Succinea oblonga (synoniem Succinella oblonga) lijkt veel op Catinella arenaria maar is wat slanker, vandaar de naam langwerpige barnsteenslak en het soortepitheton oblonga = langwerpig. Hoewel beide Oxyloma soorten slank zijn, heeft alleen O. elegans de naam Slanke barnsteenslak gekregen. Elegans betekent in het Latijn sierlijk, elegant. Oxyloma sarsii lijkt als twee druppels water op O. elegans en heeft daarom de naam tweeling-barnsteenslak gekregen. Sarsii is afgeleid van de persoonsnaam Sars. Twee Noorse zoölogen komen als naamgever van deze soort in aanmerking, namelijk Michael Sars (1805-1869) en zijn zoon George Ossian Sars (1837-1927). De genusnaam Oxyloma is gevormd uit het Griekse oxus = scherp en loma = rand, wat slaat op de scherpe, niet verdikte mondrand.

Basters drijfslak - Heleobia stagnorum
Job Baster was een Nederlandse arts en onderzoeker die op 2 april 1711 in Zierikzee is geboren en aldaar op 6 maart 1775 overleden. Hij is vooral bekend door zijn Natuurkundige Uitspanningen (Opuscula subseciva) en zijn vertalingen van wetenschappelijke werken. Hij was bevriend met vele Europese geleerden, waaronder Linnaeus.
Hij beschreef als eerste uitvoerig allerlei onbekende dieren uit de Zeeuwse wateren, zoals de soort Heleobia stagnorum die hij vond in het Kaaskenswater bij Zierikzee. Naar hem, de ontdekker is het slakje vernoemd: Basters drijfslak. Ook het tijdschrift van de Nederlandse Malacologische Vereniging Basteria is naar hem genoemd. De naam drijfslak komt van de eigenschap om met behulp van luchtbellen aan het wateroppervlak te drijven.
In Nederland is het voorkomen beperkt tot brakke kreken. De wetenschappelijke naam sluit daar niet helemaal op aan, want de genusnaam Heleobia is samengesteld uit de Griekse woorden heleos = moeras, drasland en bios = leven en de soortnaam betekent van stilstaand water. Een andere naam voor de soort is Semisalsa stagnorum, wat half-zout dus brak betekent. De Duitse naam Bauchige Wattsnecke slaat op de bolle windingen van het huisje.

Bijenkorfje - Spermodea lamellata
Duits: Bienenkörbchen
Engels: Plaited snail
Deens: Kubesnegl (kube = korf)
Zweeds: Lamellsnäcka

In het boek De landslakken van Nederland heet de soort nog Geribd bolslakje, maar in de naamlijst van weekdieren heeft de slak de naam Bijenkorfje gekregen, naar de gelijkenis van het huisje met een bijenkorf. De omgangen zijn voorzien van dunne huidribjes. De soortnaam lamellata (Lat.) = voorzien van lamellen en heeft betrekking op dat kenmerk.
De soort is alleen bekend van het Mantinger bos, een van de koudste plekjes van Nederland en daar het laatst gevonden in 1952.
De genusnaam Spermodea bevat het Griekse sperma = zaad van plant en dier en het achtervoegsel –odea, waarmee wellicht gelijkend op (= -odes) bedoeld is. De naam zou kunnen slaan op de geringe afmetingen van de soort.


Blaashorens - Physidae
Bron-blaashoren - Physa fontinalis
Duits: Quellblasenschnecke
Engels: Bladder snail
Frans: Physe des fontaines Deens: Blæssnegl

Puntige blaashoren - Physella acuta
Engels: Lateritic physa, Tadpole snail, Acute bladder snail
Duits: Spitze Blasenschnecke

Amerikaanse blaashoren - Physella heterostropha
Duits: Amerikanische Blasenschnecke
Engels: Pewter physa snail
De laatste winding van de huisjes van de Blaashoren is groot en opgeblazen. Physa komt van het Griekse phusa = blaas, bel, blaasbalg.
Een van de biotopen waar de Bron-blaashoren voorkomt is bronnen. Fontinalis betekent in of bij bronnen voorkomend, van het Latijnse fons, fontis = bron.
Physella betekent kleine Physa (Phys- + -ella), de Puntige blaashoren is echter gemiddeld groter dan de bron-blaashoren. De top van de schelp is spits en eindigt in een scherpe punt. Acuta (lat.) heeft de betekenis spits. In Nederland is deze zuidelijke soort vanaf 1870 bekent.
De oorspronkelijke uit Noord-Amerika afkomstige soort Physella heterostropha is onlangs ook voor Nederland vemeld. Heteros (gr.) = ander, verschillend, strophè = het draaien, wending en slaat op het links gewonden huisje. Een kenmerk van alle soorten blaashorens.

Blauwgestreepte schaalhoren - Helcion pellucidum
Synoniem: Ansates pellucidum
Engels: Blue-rayed limpet
Duits: Häubchen-napfschnecke
Frans: Helcion pellucide
Deens: Blåskæl

De betekenis van de wetenschappelijke genusnamen is enigszins raadselachtig. De naam Helcion kan afgeleid zijn van helcium (lat.) = gareel of haam (paardentuig) en ansates van ansatus (lat.) = met een hengsel, oor of handvat. Als deze afleidingen juist zijn, slaan ze wellicht op de hoefijzervormige vlek binnen in de schelp.
Een duidelijk kenmerk van deze soort zijn de vanuit de top van de schelp stralende, onderbroken blauwe lijnen. De schelpen zijn iets doorschijnend, wat in de naam pellucidum (lat.) = doorschijnend tot uitdrukking komt.

Blindslak - Cecilioides acicula
Blindslak, Scherpe veelvraat - Cecilioides acicula
Duits: Blindschnecke
Engels: Blind snail
Frans: Aiguilette (= naaldje)
Deens: Nålesnegl

Pontifex (priester) Lucius Caecilius Metellus redt het Palladium (241 v. Chr.), het houten beeld van Pallas, uit de brandende tempel van Vesta, waarbij hij blind wordt. Vesta is de godin van de huiselijke haard en het haardvuur. Zijn naam komt van caecus (Lat.) = blind. Dezelfde stam komt voor in de genusnaam Cecilioides (Cecili- + oides = gelijkend op).
Cecilioides acicula, de blindslak is een ondergronds levende slak zonder ogen. Het priem- of naaldvormige huisje bezorgde hem de naam acicula (Lat.) = naaldje.
De toevoeging scherpe bij Scherpe veelvraat slaat ook op de vorm van het huisje, echter de naam veelvraat voor zo’n klein slakje (maximale hoogte 5 mm) laat zich moeilijk verklaren. Een oude naam is Achatina acicula en sommige soorten van het huidige genus met die naam zijn die naam wel waardig, zoals Achatina fulica, de Afrikaanse reuzenslak met een huis van wel 20 cm hoogte en 10 cm doorsnede.

Blinkslakken - Aegopinella
Brede blinkslak - Aegopinella nitens
Duits: Weitmündige Glanzschnecke

Bruine blinkslak - Aegopinella nitidula
Engels: Waxy glass snail
Duits: Rötliche Glanzschnecke
Deens: Gul glanssnegl (gul = geel)

Kleine blinkslak - Aegopinella pura
Engels: Clear glass snail
Duits: Kleine Glanzschnecke
Deens: Lys glanssnegl (lys = helder)

Aegopinella is een verkleinwoord van een vroeger genus Aegopina uit de familie Glansslakken (Zonitidae), dat op zijn beurt misschien is afgeleid van het nog bestaande genus Aegopis. Dat sommige vertegenwoordigers van dit laatste genus veel groter zijn, blijkt uit de Duitse naam Riesenglanzschnecke voor Aegopis verticillus (27-30 mm). De betekenis van de naam Aegopis is niet bekend. Het eerste deel aego- (Gr.) is in samenstellingen geiten- (zoals in het plantengeslacht Aegopodium = geitenvoet. Rafael Muniz Solis geeft als verklaring: van Aegeus, vorst van Athene, pina (lat), kammossel en het diminutief –ella.
Het blinkende, glanzende huisje van de soorten Aegopinella is de aanleiding tot de naam Blinkslak en de soortnamen nitens (Lat.) = glanzend, nitidula (Lat.) = iets glanzend en pura (Lat.) = zuiver, helder, onversierd.
De Brede blinkslak is genoemd naar de wijde, brede mondopening; de Bruine blinkslak naar de kleur van het huisje en de Kleine naar de afmetingen ten opzichte van de andere twee soorten.

Boerenknoopje - Discus rotundatus
B.J.J.R. Walrecht schrijft in zijn artikel "Sierlijke schelpjes van Zuid-Beveland" in het tijdschrift Weer en Wind: "Niet voor niemendal draagt het slakje de naam: boerenknoopje. Men kan zich voorstellen dat de filigrain-werker het als meesterstukje van technisch kunnen zo juist heeft afgeleverd. De vrij regelmatig geplaatste donkere vlekken helpen de totale indruk van schoonheid nog vergroten". Dit mooie schelpje lijkt dus een het knoopje van een kledingstuk, maar waarom er boeren- aan toegevoegd is, is mij niet bekend. Een andere verklaring van de betekenis dat de schelp zou lijken op een knoop in een boerenzakdoek, is volgens mij later bedacht. Ook de Franse en de Duitse naam, talen waarin een knoop aan een kledingstuk anders heet dan de knoop in een touw, bevestigen de betekenis van knoop als onderdeel van de kleding. De Franse naam is Hélice bouton, waarbij Hélice huisjesslak betekent en bouton knoop.Één van de Duitse namen is Gefleckte Knopfschnecke, ook hier heeft Knopf de betekenis van knoop van een kledingstuk. Het Gefleckte slaat op de hierboven al genoemde donkerbruine vlekken op het huisje. De vorm van het huisje is ook terug te vinden in een andere Duitse naam (Gefleckte Schüsselschnecke = Gevlekte schotelslak) en de Engelse namen (Round of Rounded snail en Rotund disc). Vooral de laatste Engelse naam lijkt een regelrechte vertaling van de wetenschappelijke naam die voluit Discus rotundatus (Müller, 1774) luidt. De genusnaam is afgeleid van het Latijnse woord discus = werpschijf. Wel bekend van de Olympische Spelen. Het soorttoevoegsel rotundatus is afgeleid van rotundo = rond maken. De uitgang –atus duidt in het algemeen de voltooing van een handeling aan. De vertaling van rotundatus is afgerond. Je kunt dit vergelijken met coronatus, hetgeen gekroond of met een kroon betekent.

Boompjesslak - Dendronotus frondosus
Engels: Bushy-backed slug
Duits: Bäumchenschnecke
Deens: Kvastsnegl

De Boompjesslak is genoemd naar de boomvormig, vertakte uitsteeksels op de rug en de kop van deze zeenaaktslak. De soortnaam frondosus (lat.) betekent loofrijk, bladerrijk.
De geslachtsnaam Dendronotus is afgeleid van dendron (gr.) = boom en notos = rug.

Bos-loofslak - Monachoides incarnatus
Familie: Hygromiidae
Synoniem: Perforatella incarnata
Duits: Rötliche Laubschnecke
Deens: Hasselsnegl

De Bosloofslak leeft in bossen en struikgewas. De genusnaam Monachoides betekent gelijkend op het genus Monacha (Monach- + -oides), een genus uit dezelfde familie.
De kleur van het huisje is geelbruin tot roodbruin van kleur. De soortnaam incarnatus (lat.) = vleeskleurig slaat op deze eigenschap. Vergelijk de naam met incarnatie, is vleeswording. Een andere Nederlandse naam is Roodlippige loofslak; deze naam slaat op de rode inwendige lip in de mondopening.
De schelp heeft talloze zeer fijne deukjes. De genusnaam Perforatella komt van perforo (lat.) = een gat in iets boren; vergelijk de naam met perforator.

Bronslakken - Bythinella
Grijze bronslak - Bythinella dunkeri
Dunkers Quellschnecke
Hydrobie verte (verte = groen)

Groene bronslak - Bythinella viridis

Bythinella is waarschijnlijk een afleiding van het genus Bithynia, hoewel de i en y omgedraaid zijn. De soorten zijn over het algemeen wat kleiner van van Bithynia, waarmee de verkleiningsuitgang –ella wordt verklaard.
De Grijze bronslak is genoemd naar Wilhelm Bernhard Rudolph Hadrian Dunker (1809-1885), een Duitse palaeontoloog en malacoloog, geboren in Hessen en ten slotte wonend in Marburg an der Lahn als professor in de Geologie en mijnbouw aan de Marburg Universiteit.
In het Memorial, Journal Officiel du Grand-Duché de Luxembourg (2002) is Bythinella dunkeri (familie Hydrobiidae) als Hydrobie verte opgenomen, een naam die je eerder, ook gezien de soortnaam viridis (Lat. = groen) bij de andere soort zou verwachten. De verwarring is echter dat de Grijze bronslak naar het dier en de Groene bronslak naar het huisje verwijst. Het huisje van de Grijze bronslak is wittig tot groenig, vaak met een donkere aanslag.

Buishoren - Caecum
Stompe buishoren - Caecum glabrum (Montagu, 1803)
Engels: Smooth blind shell, Comma-shaped tubeshell
Deens: Rørsnegl (rør = buis)

Caecum rijgersmai De Jong & Coomans, 1988.
Caecum is vooral bekend als de medische term voor blindedarm, het is echter ook de naam van een slakkengenus. Caecus (lat.) = blind en slaat op het stompe dichte uiteinde van het gebogen buisvormige slakkenhuisje. De buis heeft geen sculptuur, maar alleen groeilijnen en heet daarom Caecum glabrum (Lat.) = glad.
Oorspronkelijk heeft deze soort nog een slakkenhuisje met 2,5 windingen. Later trekt het dier zich terug in het laatste gevormde deel, vormt een scheidingswand (septum) met het overige deel, dat vervolgens wordt afgestoten.

Caecum rijgersmai is genoemd naar Hendrik Elingsz van Rijgersma (1835-1877).

Cerion
Cerion Röding, 1798
Cerionidae (Pulmonata)
Engels: Peanut shells

Cerion proteus (Gundlach 1860)

De soorten van het genus Cerion komen in groten getale voor op de Bahama's, Cuba, De Cayman Eilanden, Puerto Rico en Florida Keys. Ze worden in het Engels Peanut snails genoemd omdat ze lijken op ongepelde pinda’s. De wetenschappelijke genusnaam Cerion is afgeleid van cereus (lat.) = was.
Proteus is de zeegod die op het eiland Pharus voor Poseidon de robben weidde.

Chinees hoedje - Calyptraea chinensis
Engels: Chinaman’s hat, Cup-and-saucer limpet (cup-and-saucer = kop en schotel)
Duits: Chinesenhut
Frans: Chapeau chinois
Spaans: Sombrito de chino

Calyptraea is afgeleid van het Griekse kaluptra, dat deksel, dek, bedekking of sluier betekent. De schelp heeft de vorm van een dekseltje of een Chinese hoed. De schelpjes hebben de gedaante van een zeer platte, breed uitlopende kegel, met nagenoeg centrale top, zo typeren Kaan en Ten Broek (1942) de schelp.
Chinensis betekent Chinees, maar slaat hier niet op het verspreidings gebied, maar op de “herkomst” van de hoed.

Cilinderslak - Truncatella subcylindrica
Engels: Looping snail

Lege huisjes van de Cilinderslak zijn gemeld van Terschelling; een afbeelding van de soort is opgenomen in het boek: Schelpen van de Friese Waddeneilanden.
Het topgedeelte van het huisje valt bij volwassen dieren af en wordt vervangen door een schotje, dat geeft het huisje van de Cilinderslak een afgeknot en cilindrisch uiterlijk.
Truncatella is een verkleinwoord van truncatus (Lat.) = afgeknot. De soortnaam subcylindrica (Lat.) betekent bijna cilindrisch. De Engelse naam is naar de speciale manier van lopen: looping = buitelen?

Circelslak - Tornus subcarinatus
Tornus Turton, 1830
Nederlands: Circelslak
Tornus subcarinatus (Montagu, 1803)
Engels : Keeled or Common Tornus

De circelslak heeft kleine platte horentjes die regelmatig te vinden zijn in zeer fijn schelpengruis aan het strand. De Nederlandse naam Circelslak en de genusnaam Tornus (Lat.) = draaischijf, pottenbakkerswiel heeft hij te danken aan de vorm van het huisje. De soortnaam subcarinatus betekent enigszins gekield en slaat op de spiraalrichels op de omgangen van het slakkenhuisje.

Citroenslak - Archidoris tuberculata
Synoniem: Archidoris pseudoargus
Engels: Rough sea lemon
Duits: Warzige Sternschnecke
Frans : Citron de mer, Limace de mer orange
Deens: Søcitron (sø = zee)

Er zijn drie redenen om de zeenaaktslak Archidoris tuberculata Citroenslak te noemen: vanwege de kleur van het dier, vanwege de structuur op de rug (dicht opeen staande wratjes) en de grootte (tot 12 cm). De naam tuberculata (Lat.), slaat op de wratten, het betekent tuberkels dragend.
Archidoris betekent oorspronkelijke, eerste of voornaamste Doris, van het Griekse archè = begin. Doris is een ander geslacht van zeenaaktslakken.
De andere soortnaam pseudoargus slaat op de gelijkenis met het genus Argus Bohadsch 1761. Argus is de honderdogige, door Hera als wachter bij de in een koe veranderde Io geplaatst. Als Hermes Argus doodt, plaatst Hera al zijn ogen op de staart van haar lievelingsvogel de pauw. De vleeskleurige, bruine of groene vlekken van de Citroenslak zijn misschien ook wel argusogen.

Clausilia’s - Clausiliidae
Clausilia bidentata Vale clausilia
Clausilia dubia Knotwilgslak
Clausilia rugosa Kleine clausilia
Cochlodina laminata Gladde clausilia
Balea biplicata Grote clausilia
Balea perversa Schorshoren
Macrogastra attenuata Geribde clausilia
Macrogastra plicatula Geplooide clausilia
Macrogastra ventricosa Buikige clausilia
Macrogastra rolphii Gekielde clausilia
De samenstellers van de “Nederlandse naamlijst van de weekdieren van Nederland en België” zaten met het probleem dat de naam spoelhoren in gebruik was voor de zeeslak Acteon tornatilis en voor de vertegenwoordigers van de familie Clausiliidae. Er is toen besloten om voor de soorten van de Clausiliidae de naam Clausilia’s te gebruiken. De naam deurtjesslak, een vertaling van de Engelse naam Door snail kon niet de goedkeuring van de commissie wegdragen. De Clausiliidae en het genus Clausilia ontlenen hun naam aan het sluitplaatje of clausilium, waarmee het dier de mondopening kan sluiten. De naam Spoelhorens hebben ze volgens Herklots vanwege de gelijkenis met een weversspoel.
Clausilium is afgeleid van het Latijnse claudere = sluiten, clausum = gesloten, -ilium en –ilia zijn verkleinwoorden. Ook het woord klooster (Lat. claustrum) is afgeleid van claudere. Kloosterslakken is gezien de verborgen levenswijze van veel soorten een tweede alternatief voor een echte Nederlandse naam van deze familie.

Vale clausilia (Clausilia bidentata)
Vaal naar de kleur van het huisje en bidentata = tweetandig, naar de tanden in de mondopening. De Engelsa naam is Two-toothed door snail, de Duitse Zweizähnige Schliesmundschnecke en de Franse naam Clausilie à deux dents.

Knotwilgslak (Clausilia dubia)
Knotwilg naar de bomen waarop de soort in Nederland voorkomt en dubia = twijfelachtig naar de onzekere plaats van de soort binnen het genus. De spiralen die met de ribben kruizen bezorgden de soort de Duitse naam Gitterstreifige Schliesmundschnecke (Gitter = tralie of rooster). . De letterlijke vertaling van de Engelse naam Craven door snail is lafhartige deurslak. Dat zal wel op dubia slaan, maar betekent toch wel iets anders dan twijfelachtig.

Kleine Clausilia (Clausilia rugosa)
Klein is naar de afmetingen van de schelp en rugosa = geplooid, gerimpeld naar de plooien in de mondopening. Vergelijk de Duitse naam Kleine Schliesmundschnecke en de Franse naam Clausilie naine (nain = dwerg of dwergachtig).

Gladde clausilia (Cochlodina laminata)
De Gladde clausilia heeft een huisje met vrijwel gladde omgangen, hetgeen ook de Duitsers het meest opvallende kenmerk vinden, gezien de naam Glatte Schliesmundschnecke. Laminata = met plaatjes, lamellen, heeft betrekking op de plooien in de mondopening. De Engelse naam Plaited door snail (plait = vouw of plooi) komt van het Latijnse plicare = vouwen en slaat op dezelfde eigenschap. Cochlodina is een samenvoeging van kochlos (Gr.) voor een schelp met een spiraalvormig huisje en dinè wat draaiing betekent. Volgens Rafael Muniz Solis (2002) betekent het laatste deel smart, kwelling van het Griekse odunè.

Grote clausilia (Balea biplicata)
De Grote clausilia is in Nederland geen algemeen voorkomende soort, maar in Duitsland blijkbaar wel, gezien de naam Gemeine Schliesmundschnecke. De bouw van de mondopening komt tot uitdrukking in de Engelse naam Two-lipped door snail en de soortnaam biplicata = dubbelgevouwen. Het is een grote schelp met afmetingen van 15-19 mm en heet daarom Grote clausilia. De genusnaam Balea is afgeleid van het Griekse balios, dat gespikkeld, gevlekt betekent. Naar de vaak wittige vlekjes bij sommige soorten.

Schorshoren (Balea perversa)
Perversa (Lat.) betekent verkeerd en heeft waarschijnlijk te maken met het linksgewonden zijn, zoals de meeste familieleden, van het huisje. Het biotoop van de soort is vertegenwoordigd door de naam Schorshoren en de Engelse naam Tree snail. De Duitse naam Zahnlose Schliesmundschnecke slaat op de gladde mondopening in tegenstelling tot de andere soorten. De Franse naam is Balée fragile; fragile = breekbaar, fragiel.

Buikige clausilia (Macrogastra ventricosa)
Alle neuzen wijzen in dezelfde richting, ventricosa (Lat.) = buikig, gezwollen, en macro-gastra (Gr.) betekent grote buik. Zowel deze als de namen Buikige clausila, Bauchige Schliesmundschnecke en Clausilie ventrue slaan allemaal op de opgezwollen windingen van het huisje.

Geribde clausilia (Macrogastra attenuata)
Geribde slaat op de radiaal geribde omgangen van het slakkenhuisje. Attenuata (Lat.) betekent versmald en Mittlere in Mittlere Schliesmundschnecke betekent middelste. Beide betekenissen zijn niet specifiek aan deze soort te koppelen

Geplooide clausilia (Macrogastra plicatula)
Plicatula (Lat.; ula = een verkleinwoord) betekent geplooid en slaat evenals de Duitse naam Gefältete Schliesmundschnecke op de duidelijke plooi in de mondopening van het huisje.

Gekielde clausilia (Macrogastra rolphii)
Deze soort is onder meer genoemd naar de persoon Rolph: soortnaam rolphii, Franse naam Clausilie de Rolph en de Engelse naam Rolph’s door snail.
De naam Gekielde clausilia is genoemd naar de kiel op het basale deel van de mondrand. De Duitse naam Spindelförmige Schliesmundschnecke betekent spoelvormige sluitmondslak. Een andere Nederlandse naam voor de familie Clausillidae is, zoals hierboven al genoemd, spoelhorens of spoelhorenslakken.

Contrahorentjes - Triphoridae

Bruine contrahoren - Marshallora adversa (Montagu, 1803)
Duits: Linksnadel
Engels: Reversed Needle Whelk
Deens: Venstresnoet tårnsnegl

Het genus Marshallora is beschreven door P. Bouchet in 1984 en de soorten Acremodontina boucheti en Calliostoma (Fautor) boucheti door B.A. Marshall in 1995. Beide onderzoekers hebben waarschijnlijk schelpen naar elkaar vernoemd, wat een vernoeming van het genus Marshallora naar B.A. Marshall van het Museum of New Zealand Te Pape Tongarewa in Wellington zeer aannemelijk maakt.
De soortnaam adversa (Lat.) = tegenover(gesteld), evenals de naam contrahoren verwijzen naar het linkse huisje van de soort. Triphoridae is genoemd naar het genus Triphora. Van tri (Gr.) = drie en phorein = dragen. De windingen zijn bedekt met drie spiralen met knobbels.

Cyclope
Familie: Fuikhorens - Nassariidae

Cyclope neritea (Linné,1758)
Spaans: Cíclope

Cyclope donovani Risso, 1826

Cyclope neritea is een soort van de Atlantische oceaan, de Middellandse zee en de Zwarte Zee. Het is een knoopachtige, aantrekkelijke schelp, die van boven gezien op een oog lijkt. Doorboorde schelpjes van deze soort worden wel gevonden in opgravingen en duiden op het gebruik als ketting. Bijvoorbeeld bij een opgraving uit de jonge steentijd in Langenlois aan de Donau in Noord-Oostenrijk.
De genusnaam lijkt veel op Cyclops, het eenoogkreeftje, dat behoort tot de Copepoda of Roeipootkreeftjes. Het heeft twee lange sprieten en het wijfje heeft twee eierzakjes. Midden op de kop komt één oog voor. Beide genera danken hun naam aan de Cyclopen.
De Cyclopen zijn reuzen met één oog in het midden van het voorhoofd, zonen van de oergoden Uranus en Gaea. In de smidse van Hephaestus smeden ze de bliksems voor Zeus. Ook smeden zij de drietand voor Neptunus. Hun werkplaats lag onder de vulkaan Etna op Sicilië.
De soortnaam neritea is afgeleid van de genusnaam Nerita.
Cyclope donovani is wellicht vernoemd naar Edward Donovan (1768-1837) Engels schrijver, reiziger amateur-zoöloog en lid van de Linnaen Society.

Dekselhorens – Phasianellidae
Dekselhorens, Fazanthorens – Phasianellidae
Engels: Pheasant shells
Duits: Fasanenschnecken
Frans: Phasianelles

Dekselhoren – Tricolia pullus
Engels: European pheasant shell
Duits: Fasanschnecken

Het genus Phasianella is afgeleid van phasianus (Lat.) = fazant. Op de oevers van de rivier Phasis in Colchis (Georgië) vonden de Argonauten veel fazanten, daarom is de soort naar deze rivier genoemd. De schelpen vertonen sterk variërende kleuren en kleurpatronen. Omdat ze vaak op het verenkleed van fazanten lijken, hebben ze de naam Fazanthorens gekregen.
De vertegenwoordigers van deze familie hebben een dik, verkalkt operculum (dekseltje), waarmee de naam dekselhorens verklaard is.
De familie komt met weinig soorten over de hele wereld voor. In Europa komt alleen het genus Tricolia voor. De genusnaam is afgeleid van tricolor (lat.) = driekleurig. Omdat de huisjes zeer bont gekleurd zijn, kan het tweede deel van de naam afgeleid zijn van colo (Lat.) = versieren, verzorgen. Het eerste deel tri = drie blijft dan nog onverklaarbaar.
In Nederland spoelt zo nu en dan op drijvende voorwerpen Tricolia pullus, de Dekselhoren aan. Pullus (Lat.) betekent 1. grijs, grauw, donker of 2. kuiken, jong dier. Gezien de familienaam is de tweede betekenis voor de hand liggend. Het kleurpatroon lijkt op het verenkleed van een kuiken.

Diepslakken - Bithyniidae
Kleine diepslak - Bithynia leachii
Engels: Leach’s Bythinia
Duits: Bauchige Schnauzenschnecke

Grote diepslak - Bithynia tentaculata
Engels: Common Bithynia
Duits: Gemeine Schnauzenschnecke
Deens: Almindelig sumpsnegl
Frans: Bithynie impure (impure = onzuiver)

Bithynia is een landschap in Klein-Azië tussen de Propontis en de Zwarte zee. De Nederlandse naam duidt echter op een interpretatie van de wetenschappelijke naam, waarbij een afleiding van buthios (Gr.) = diep, laag voor de hand ligt. Overigens is dat diep ook maar betrekkelijk. Bruyne (et al. ,1994) geeft als verklaring van het woord diepslak: “naar de biotoop: in ondiep tot [zeer] diep zoet water.”
Bithynia leachii is genoemd naar de Engelse zoöloog William Elford Leach (1790-1836). Hij was verbonden aan het de zoölogische afdeling van het British Museum. En werd een deskundige van schaal- en weekdieren. Hij werkte echter ook aan insekten, zoogdieren en vogels. Tentaculata (Lat.) betekent met tentakels; beide soorten hebben lange en slanke tentakels.

Dlinza-windmolentje - Trachycystis clifdeni
Familie: Charopidae
Engels: Dlinza forest pinwheel
Duits: Dlinza-Waldwindrädchen

De laatste vindplaats van Trachycystis clifdeni is het Dlinza forest, een stadspark in de provincie KwaZulu in Zuid-Afrika van ongeveer 250 hectaren. Hoewel dit bospark een beschermd gebied is, staat de soort als bedreigd (Critically Endangered) op de Rode lijst van de I.U.C.N. omdat de kans op uitsterven in zo’n klein gebied erg groot is.

De soort is genoemd naar Clifden. Henry Clifden Burnup (1852-1928) is een amateur concholoog, die zich vestigde in Zuid-Afrika in 1894. Hij zond vele schelpen naar J. C. Melvill en later naar J. R. le B. Tomlin. Deze schelpen bevinden zich nu in National Museum of Wales in Cardiff. Het grootste deel van zijn collectie is in het Natal Museum in Pietermaritzburg (Zuid-Afrika), hoewel alle type exemplaren zich in het Natural History Museum in Londen bevinden.

De soort lijkt met zijn lange uitstekende haren op het ronde huisje wel op een miniatuur-uitvoering van een Amerikaanse windmolen. De Engelse naam pinwheel betekent vuurrad, maar ook speelgoedmolentje op een stokje.

De genusnaam Trachycystis is opgebouwd uit trachus (Gr.) = ruw, oneffen en kustis = blaas. Genoemd naar de ronde schelp met een ruw oppervlak?

Drijfhorentjes - Pusillina
Bol drijfhorentje - Pusillina albella
Engels: Polished weedsnail
Deens: Rav-tangsnegl (rav = barnsteen)

Dwerg-drijfhorentje - Pusillina inconspicua
Tyndskallet tangsnegl (tyndskallet = dunschalig)

Glad drijfhorentje - Pusillina interrupta
Synoniem: Rissoa parva var. interrupta

Klein drijfhorentje - Pusillina parva
Synoniem: Rissoa parva
Engels: Common spire shell
Deens: Foldet tangsnegl (fold = plooi, vouw; tang = zeewier)

Pusillina is afgeleid van pusillus (lat.) = nietig, erg klein, naar de geringe afmetingen van de huisjes. Uit de Deense en Engels naam blijkt dat de dieren leven tussen zeewier van rotskusten.
Bol drijfhorentje heeft zeer bolle windingen. De kleur is crèmewit tot geelbruin; albella (lat.) is een verkleinwoord van wit (albus) en betekent hier enigszins wit.

Het Dwerg-drijfhorentje is de kleinste (3 mm) van de Nederlandse Pusillina soorten. De soortnaam inconspicua (lat.) betekent onopvallend, klein.

Naar het (vrijwel) ontbreken van dwarsribben, in tegenstelling tot de andere soorten heet de soort Glad drijfhorentje. De soortnaam interrupta (lat.) betekent onderbroken, vaneen-gescheurd, afgebroken. Mogelijk zo genoemd, vanwege het onderscheiden van een aparte variëteit of soort ten opzichte van Pusillina parva.

Het Kleine drijfhorentje heeft kleine spitse horentjes van maximaal 5 mm hoogte. De soort is echter niet kleiner dan de overige soorten uit dit genus. De soortnaam parva (lat.) betekent eveneens klein.

Dwergtolhoren - Dikoleps pusilla

Familie: Skeneidae

De soorten van de familie Skeneidae zijn hele kleine mollusken van 1-4 mm hoog. De soortnaam pusillus (lat.) betekent nietig, erg klein.
De vorm van de schelp van de Dwergtolhoren lijkt wel iets op die van de Tolhorens.
De genusnaam Dikoleps is samengesteld uit di- van dis (gr.) = dubbel, tweemaal en koleps = knieholte. Waarschijnlijk genoemd naar twee buigingen in de mondopening van sommige soorten. Of van dis (gr.) = dubbel en koleos (gr.) = etui, koker, schede.

Dwergwulk - Chauvetia brunnea
Familie: Buccinidae
Engels: Least whelk

Het genus Chauvetia Monterosato, 1884 is vernoemd naar de Franse prehistoricus en natuuronderzoeker uit de negentiende eeuw Georges Chauvet.
De kleur van de schelp is donker- of roodbruin; brunneus (lat.) = donkerbruin.
De dwergwulk is met 10 mm hoogte een verkleinde uitvoering van de gewone wulk die wel 100 mm hoog kan worden.

Duifhorens – Columbellidae
Duifslakken, Duifhorens – Columbellidae
Engels: Dove shells, Dove snails
Duits: Täubchenschnecken
Frans: Colombelles

Boertje - Columbella rustica (Linnaeus, 1758)
Engels: Rustic dove shell
Duits: Schlichte Täubchenschnecke (schlicht = glad, effen, eenvoudig)
Spaans: Ballaruga

Caribische duifhoren, Gewoon duifslakje - Columbella mercatoria (Linnaeus, 1758)
Engels: Common dove snail, West Indian dove snail

Aesopus sanctus W.H. Dall, 1919
Engels: Santa Monica dove snail

Pyrene deshayesii (Crosse 1859)

De familie Duifhorens is onderverdeeld in twee subfamilies, de Pyreninae, Peerslakken naar het geslacht Pyrene en Columbellinae naar het geslacht Columbella.
De vorm van sommige schelpen van deze familie hebben wel iets weg van de silhouet van een duifje. Columbella is gevormd uit columbus (lat.) = duif en de verkleiningsuitgang – ella.

Een bekende soort uit de Middellandse zee is Columbella rustica. De betekenis van de soortnaam rusticus (lat.) = landelijk, eenvoudig, boers, lomp voor deze soort is niet helemaal duidelijk. Misschien is eenvoudig nog de beste keus, zie ook de Duitse naam.

De betekenis van de soortnaam mercator (lat.) van de Caribische duifhoren is koopman of handelaar. De niet gelatiniseerde naam van de bekende Gerardus Mercator (1512-1594), waarnaar de mercatorprojectie is genoemd, luidde dan ook Gerhard Kremer (betekent (mars)kramer ). Ook de betekenis van deze naam met betrekking tot deze soort is nog niet opgehelderd.

Aesopus sanctus is geen heilige schelp, maar genoemd naar de plaats Santa Monica aan de kust van Californië.
Aesopus is de Latijnse vorm van de Griekse persoonsnaam Aisopos. Aisopos is een Griekse fabeldichter uit de 6e eeuw v. Chr. Hij zou een vrijgelaten slaaf en een bultenaar zijn geweest. Of “De havik, de wouw en de duiven” of een andere fabel van Aisopos de auteur (Gould, 1860) van de genusnaam op het spoor van de fabeldichter Aesopus hebben gezet, is niet bekend.

Pyrene deshayesii is genoemd naar Gérard Paul Deshayes (1795-1875), Frans malacoloog en geoloog. Hij was professor in de Natuurlijke historie aan het Muséum d'Histoire Naturelle. Zijn belangrijkste werk was “Mollusques de l'Algérie” dat in 1848 verscheen.
De naam pyrene komt van het Griekse purèn, purènos = pit, steen of kern van een vrucht. De afleiding van pirum (lat.) = peer, zoals de Nederlandse naam van de onderfamilie suggereert is niet juist.

Duinhorens - Cochlicella
Slanke duinhoren - Cochlicella acuta
Duits: Schlanke Spitzschnecke

Bolle duinhoren - Cochlicella barbara

De Slanke duinhoren is zeer slank kegelvormig en de Bolle duinhoren is slank kegelvormig, het verschil tussen beide soorten in dikte is dus relatief. Beide soorten hebben een voorkeur voor droge, warme gebieden, zoals de duinen.
De soortnaam van de slanke soort, acuta (lat.) betekent scherp, puntig en de soortnaam van de bolle soort, barbara (lat.) betekent vreemd, buitenlands, Barbarijs (uit het land van de Berbers). Het betekent in de oorspronkelijke betekenis niet-Romeins én niet-Grieks. Bij deze soort is waarschijnlijk het gezichtspunt van de onderzoeker of vinder in het geding geweest.
De genusnaam Cochlicella is samengesteld uit cochlea (lat.) = slak of slakkenhuisje en de verkleiningsuitgang –cella.

Duinslakken - Cernuella
Cernuella aginnica Franse duinslak
Cernuella jonica Griekse duinslak
Cernuella neglecta Afgevlakte duinslak
Cernuella virgata Bolle duinslak
In Nederland komen van het geslacht Cernuella (familie Hygromiidae) vier soorten voor. Alle vier soorten zijn exoten die niet tot de oorspronkelijke inheemse fauna behoren. Zij zijn afkomstig uit het zuiden van Europa. In twee Nederlandse en wetenschappelijke namen komt dit tot uitdrukking. De Franse duinslak, Cernuella aginnica, en de Griekse duinslak, C. jonica. Aginnica is afgeleid van de Zuid-Franse stad Agen; de uitgang –ica (of –icus, -icum, -ico betekent "behorend tot") is een toevoeging die veel voorkomt bij geografische namen, zowel bij gelatiniseerde moderne namen (californica, siberica) als bij klassieke namen, zoals jonica dat is afgeleid van Ionië, de westkust van Klein-Azië (Ionisch). Vergelijk De Bello Gallico, de Gallische oorlog van Caesar.
Alle Nederlandse soorten hebben als gemeenschappelijke naam: duinslak naar het biotoop waar de meeste vertegenwoordigers van dit geslacht voorkomen. Echter ook in biotopen buiten de duinen komen de soorten in Nederland voor, zoals taluds van dijken en (spoor)wegen. In Duitse namen van het genus Cernuella komt het woord "heide" voor, bijvoorbeeld de Sandheideschnecke (C.virgata). Dit geldt echter ook voor andere verwante genera uit de familie Hygromiidae, bijvoorbeeld Candidula, Trochoidea, Helicopsis en Helicella. Helicella itala heeft de Nederlandse naam Heideslak. De Duitse naamgeving is dus op dit punt niet erg onderscheidend in tegenstelling tot de Engelse namen die wel de Neglected dune snail (C. negelecta) en de Small dune snail (C. vestita) kennen. Cernuella virgata heet daar Vineyard (wijngaard) snail. Franse namen van de Cernuella-soorten heb ik tot nu toe niet kunnen vinden.
Ook het uiterlijk speelt in de rol bij de soorten uit dit genus. Bolle en Afgevlakte duinslak geven het verschil in huisje weer van beide soorten. Hoewel alle soorten min of meer gestreept zijn heet C. virgata in Engeland Striped snail, evenals de Latijnse naam virgata, die ook gestreept betekent. De wetenschappelijke namen zijns vaak niet erg specifiek omdat de auteur vaak geen rekening houdt (of kon houden) met de namen van andere soorten. De naam neglecta zegt iets over de taxonomische positie van de soort. Soorten die in eerste instantie over het hoofd zijn gezien, bijvoorbeeld door een sterke gelijkenis met een andere soort pas later onderscheiden zijn kunnen het soortstoevoegsel neglecta krijgen.
Tot slot nog iets over de wetenschappelijke genusnaam. Cernuella is opgebouwd uit cernu- en het achtervoegsel –ella. Dit laatste duidt erop dat het een verkleinwoord is (diminitief). Het eerste deel van de naam is vrijwel zeker afgeleid van het Latijnse cernuus = geknikt of voorovergebogen. Volkomen zekerheid over de betekenis van de naam heb je soms pas als de auteur bij de beschrijving van de soort daar een mededeling over heeft gedaan. Mijn interpretatie van de genusnaam is dat deze soorten tamelijk bolle (gebogen) windingen hebben en dat ze een verkleinde uitvoering zijn van de eveneens gestreepte tuinslak (Cepaea).

Durgella

Durgella Blanford, 1863
Familie: Ariophantidae

Durgella sundana B. Rensch, 1930

Durgella met de verkleinigsuitgang –ella is genoemd naar de Hindoe godin Durga of Doerga. Deze oorlogsgodin wordt afgebeeld op een leeuw of een tijger, heeft tien armen en drie ogen. Ze draagt een maansikkel en haar armen zijn getooid met wapens, juwelen, sieraden en andere geschenken die ze van de goden kreeg.

Sundana is genoemd naar de Duitse Limnologische Sunda Expeditie in 1928-1929 die onder leiding stond van de zoöloog Bernhard Rensch. De expeditie voerde langs Sumatra, Java en Bali.


Gestreept dwerghorentje - Eatonina fulgida
Eatonina is mogelijk vernoemd naar de entomoloog Alfred Edwin Eaton, de Reverend of Vicar van Shepton Montague (1845-1929). Er is enige verwarring over de naam en het geboorte- en overlijdensjaar van deze persoon. Zo noemt Jobling (1991) hem Alfred Edmond Eaton, maar wel met zijn levensjaren 1845-1929, die ook door anderen genoemd worden. Er zijn ook bronnen die het geboortejaar 1844 noemen. Tot slot wordt de Reverend Alfred Edwin Eaton (1851-1933) als verzamelaar van korstmossen op Kerguelen genoemd.
Vrijwel zeker is hier dezelfde persoon bedoeld, want Anas eatoni is ook naar hem vernoemd (Jobling, 1991) en heet Eaton’s pijlstaart of Kerguelen pijlstaart.
Omdat de horentjes heel klein zijn (ca. 1 mm) heten ze dwerghorentje. Naar de sterke glans van de huisjes hebben ze de tweede naam fulgida (Lat.) = schitterend gekregen.
Eatonina is een geslacht uit de familie Cingulopsidae (Dwerghorentjes), genoemd naar het genus Cingulopsis. Cingulopsis betekent gelijkend op (-opsis = gelijkend op) Cingula uit de familie Rissoidae. Evenals Cingula hebben soorten van de familie Dwerghorentjes strepen op de windingen. Ook het Gestreepte dwerghorentje heeft roodbruine kleurbanden op de windingen

Dwergpuntje - Punctum pygmaeum
Nederlands: Dwergpuntje, Dwergslakje, Speldenknopje
Duits: Punktschnecke
Engels; Pygmy Snail
Deens: Punktum

Naar de zeer kleine afmetingen (breedte tot 1,6 mm) en de ronde vorm van het huisje heet deze soort Dwergpuntje. De genusnaam Punctum komt van het Latijnse punctum dat punt of stip betekent. Ook de soortnaam doet een duit in het zakje, want pygmaeus betekent dwergachtig. In de Engelse naam Pygmy snail is dat laatste eveneens verwoord.

Dwergslakken – Carychiidae
Carychium minimum - Plompe dwergslak
Bauchige Zwerghornschnecke
Engels: Herald snail. Least herald snail, Short-toothed Herald snail, Herald thorn, Tiny herald snail (herald = heraut)
Frans: Carychie naine, Auricule naine
Deens: Engdværgsnegl (eng = weide)

Carychium tridentatum - Slanke dwergslak
Duits: Schlanke Zwerghornschnecke
Engels: Slender herald snail, Long-toothed herald snail
Frans: Carychie tridentée
Deens: Skovdværgsnegl (skov = bos)

In de determinatiesleutel vn De landslakken van Nederland (Gittenberg et al., 1984) is de keuze bij de Subfamilie dwergslakken: huisje buikig of huisje slank. Bij de eerste keuze kom je bij de Plompe dwergslak uit en bij de tweede keuze bij de Slanke dwergslak. Beide soorten zijn erg klein en hooguit 2 mm hoogte, vandaar Dwergslakken en de soortnaam minimum = zeer klein.
Beide soorten hebben drie tanden in de mondopening, alleen bij tridentata zijn die iets langer; tridentatum (Lat.) = drietandig.
De betekenis van Carychium is niet duidelijk. Het is mogelijk afgeleid van het Griekse karux = kèrux = heraut. Volgens Muniz Solis van karyx (gr.), hoorn van een zeeslak (van Charonia).

Eeltslak - Lithoglyphus naticoides
Nederlands: Eeltslak, Steenglijder
Duits: Flußsteinkleber
Engels: Gravel snail

De soort is in de negentiende eeuw in Noordwest Europa terecht gekomen na het graven van het Rijn-Donau kanaal en is afkomstig uit het westelijk Zwarte Zeegebied.
De soort heeft de naam Eeltslak gekregen omdat de navel van het huisje door een brede eeltlaag is afgedekt.
De wetenschappelijke genusnaam is uit twee gedeelten opgebouwd, Litho- van lithos (Gr.) = steen en –glyphus van gluphein (Gr.) = uithollen, inkerven, graveren. Vergelijk de betekenis van lithograaf en hieroglyphen (hieros = heilig). In Nederland wordt alleen een slibrijke bodem als biotoop van deze soort genoemd (Gittenberger et al., 1998). Andere bronnen en de volksnamen duiden echter ook op een voorkomen op stenige substraten. De relatie van de soort met de betekenis van –glyphus is niet duidelijk.
De soortnaam naticoides (uitgang –iodes= gelijkende op) betekent gelijkend op het genus Natica, de Tepelhoren. De zoetwatersoort is een verkleinde uitgave (hoogte maximaal 9 mm) van de Gewone tepelhoren, een zoutwaterslak.

Eierkaurie’s – Ovulidae
Eierkaurie’s, Eislakken – Ovulidae
Engels: Egg shells
Duits: Eierschnecken
Frans: Porcelaines de l’aire

Gorgoonslakje - Simnia patula
Engels: Poached egg shell

Eischelp - Ovula ovum
Duits: Gewöhnliche Eischnecke
Engels: Egg shell

Op het discussieforum van de Stichting Anemoon (www.anemoon.org) kwam op 5 februari 2005 het bericht binnen van een vangst van het Gorgoonslakje (Simnia patula) 80 mijl ten noordoosten van Den Helder. Het is een slakje dat zich voedt met zachte koralen en hoornkoralen, zoals Waaierkoralen of Gorgonen, maar vooral met Dodemansduim (Alcyonium digitatum). De Gorgonen, waarnaar het slakje genoemd is, hebben hun naam te danken aan de Gorgonen uit de Griekse mythologie; drie zusters, waarvan Medusa het meest bekend is. Het zijn gevleugelde monsters met slangenhaar en ijzeren klauwen.
De soorttoevoeging patula (Lat.) betekent openstaand, wijd, breed of ruim. De betekenis van Simnia heb ik nog niet kunnen achterhalen.
Simnia patula komt voor in de Atlantische Oceaan. In de Middellandse Zee komt Simnia spelta voor, genoemd naar de graansoort spelt (Lat. spelta = spelt), vanwege de gelijkenis met een graankorrel.
De soorten zijn lid van de familie Eierkauri’s (Ovulidae), zo genoemd naar de eivormige en vaak witte schelpen. De Ovulidae zijn genoemd naar het genus Ovula. Ovula komt van ovum (Lat.) = ei en de verkleiningsuitgang -ula, dus klein ei.

Erato - Urnhorens

Erato Risso, 1826 – Urnhorens
Familie: Eratoidae

Erato voluta (Montagu, 1803)- Europees urnhorentje

Erato (Gr. de beminnelijke) is één van de Muzen, namelijk de Muze van lierzang en minnelied, afgebeeld met een lier.
De soortnaam voluta is afgeleid van voluto (lat.) = wentelen, rollen.

Euglandina rosea
Euglandina rosea (Férussac, 1821)
Familie: Spiraxidae
Engels: Rosy wolf snail, Rosy predator snail, Cannibal snail
Duits: Rosige Wolfschnecke

Dat de wolf als een zeer roofzuchtig dier wordt beschouwd, overigens geheel ten onrechte, blijkt wel uit namen als wolfspin en wolfvlieg (roofvlieg), maar ook uit de naam “wolf snail”, een soort die een gespecialiseerde slakkenvreter is. De wolfslak spoort andere slakken met behulp van hun slijmspoor op, net zoals een wolf zijn buit aan de hand van hun reukspoor volgt.
Door mensen is de wolfslak Euglandina rosea als biologisch wapen tegen de eveneens ingevoerde Achatina fulica, de Afrikaanse reuzenslak op verscheidene eilanden in de Pacifische Oceaan ingezet, zoals op Hawaï, Marianen en de Polynesische eilanden. Maar in plaats van deze reuzenslakken op te eten, maken de wolfslakken liever jacht op de kleinere inheemse boomslakken, zoals de soorten van de genera Partula en Achatinella. Heden ten dage zijn daardoor veel van deze boomslakkensoorten geheel van de aardbodem verdwenen.
In Mauritius zijn 24 van de 106 endemische slakkensoorten uitgestorven en op het eiland Moorea in Frans Polynesië was Euglandina rosea de belangrijkste factor voor het uitsterven van zeven endemische slakkensoorten van het genus Partulina.
De genusnaam Euglandina is afgeleid van eu (gr.) = goed, echt en glans (lat.) = eikel, naar de gelijkenis met deze vrucht. De soortnaam rosea (lat.) betekent roze, rozerood.

Fectola en Delouagapia
Fectola melchior Goulstone & Brook, 1999
Familie: Charopidae

Delouagapia tasmani Goulstone & Brook, 1999
Familie: Rhytididae

Op 6 januari 1643 Ontdekte Abel Tasman (1603-1659) een groep eilanden ten noorden van Nieuw-Zeeland. Omdat op die dag Drie Koningen (epifanie) gevierd wordt, noemde hij ze Drie Koningen Eyland, later vertaald naar Three Kings Islands.
In de bijbel wordt niet gesproken van koningen, maar van wijzen, evenmin wordt vermeld dat het er drie zouden zijn, al leidt men dat wel af van de drie geschenken, goud, mirre en wierook. De namen van de koningen Melchior, Caspar en Balthasar duiken pas op bij Beda ((673-735). Zij zouden zijn herbegraven in de crypte van de dom in Keulen.
Holloway beschreef in 1982 drie soorten kalanders van de Three Kings Islands: Dysnocryptus balthasar, Dysnocryptus gaspar en Dysnocryptus melchior. Er is echter ook een slakkensoort naar deze eilanden genoemd, Fectola melchior. Fectola is mogelijk genoemd naar de soortnaam, waartoe de typesoort eerst behoorde: Helix infecta Reeve, 1852.
De auteurs J.F. Goulstone en F.J. Brook vereerden ook de ontdekker van de eilanden met een soortnaam, Delouagapia tasmani. Delouagapia wordt ook beschouwd als een subgenus van het genus Delos (eerste deel van de naam). Het tweede deel van de naam is afkomstig van Ouagap, Uagap of Wagap, een plaatsnaam op Nieuw-Caledonië.

Fluweelhoren - Velutina velutina
Engels : Velvet Shell
Frans: Vélutine
Deens : Fløjlsskæl

De lege schelpen van de Fluweelhoren spoelen uiterst zelden op de Hollandse en Belgische kust aan. De dieren leven bij en voeden zich met zakpijpen, waarin ook leggen de eikapsels gelegd worden. De schelp heeft een fluweelachtige opperhuid en daarom heten ze fluweelhorens.
Fluweel komt van het Oudfrans veluel, en dat van velutum (Nieuwlatijn) = fluweel, met fluweel bekleed. Velutum komt op zijn beurt van het Latijnse villus = ruig haar, wol. Ook het Franse velours (= fluweel) komt van het Latijnse velutum. Velutina is, zo zal duidelijk zijn, van velutum afgeleid. De soorttoevoeging is bij deze soort gelijk aan de soortnaam. In zulke gevallen spreekt men van een tautologie. In de zoölogische wetenschappelijke nomenclatuur is dat toegestaan, maar niet in wetenschappelijke plantennamen.


Fuikhoren - Nassarius
Nassarius retuculatus Gevlochten fuikhoren
Nassarius pygmaeus Kleine fuikhoren
Zowel de vorm als de oppervlakte van de schelp van Nassarius reticulatus vertoont gelijkenis met een fuik. Gevlochten fuikhoren als Nederlandse naam is heel toepasselijk maar niet uniek. Ook de wetenschappelijke naam is afgeleid van de Latijnse naam voor fuik: nassa, dat nog verwant is aan het Nederlandse net. De Duitse naam Netzreusenschnecke is geen reuzenslak, maar is afgeleid van Reuse = fuik. Reticulatus (Lat.) betekent netachtig, vergelijk de Engelse naam Netted dog whelk, Franse naam Nasse réticuleé en de Duitse naam.
Een fossiele soort van het Nederlandse strand is Nassarius pygmaeus, de kleine fuikhoren. Pygmaei (Lat.) of pugmaioi (Gr.) is een fabelvolk van dwergen uit Afrika dat in voortdurende strijd met de kraanvogels leefde. Het later in de 19e eeuw ontdekte volk van de Pygmeeën zal waarschijnlijk de bron van deze fabel zijn. Pygmaeus betekent dan ook dwergachtig. De kleine fuikhoren is een stuk kleiner (ca. 14 mm) ten opzichte van de Gevlochten fuikhoren (ca. 35 mm).
Tot slot spoelen ook wel eens huisjes aan van de verdikte fuikhoren (Nassarius incrassatus) of Thick lipped dog whelk (Eng.). Incrassatus betekent verdikt (van Lat. crassus = dik), wat te maken heeft met de verdikte lip van de mondopening.

Geelvlekslak - Marstoniopsis scholtzii
Familie: Bronslakken - Hydrobiidae
Duits: Schöngesichtige Zwergdeckelschnecke

Marstoniopsis is een genus dat lijkt op het genus Marstonia, de uitgang –opsis betekent gelijkend op, een ander genus uit dezelfde familie. Marstonia zal wel naar een persoon met de achternaam Marston genoemd zijn.
Boven de beide ogen van Marstoniopsis scholtzii bevindt zich een gele vlek, waarnaar de Nederlandse naam Geelvlekslak genoemd is.
In 1844 publiceerde K.T. Menke in Z. Malakozool. (1:156-160) een artikel met de titel. Schlesiens Land- und Wasser-Mollusken, geordnet und beschrieben von H. Scholtz. Het is waarschijnlijk dat scholtzi of scholtzii (beide schrijfwijzen komen voor) naar deze Scholtz vernoemd is. Verdere gegevens over hem ontbreken vooralsnog.

Genaveld tonnetje - Lauria cylindracea
Familie : Pupillidae
Synoniem; Pupa umbilicata
Duits: Genabelte Puppenschnecke
Engels: Chrysalis snail
Frans: Maillot ombilique
Deens : Navlepuppesnegl

Het genaveld tonnetje is een slak die sinds lang bekend is van verscheidene plaatsen op Walcheren. Hij heeft een min of meer cylindrisch huisje met een nauwe navel; cylindracea = cylindrisch; umbilicata = genaveld.
De betekenis van de soortnaam Lauria is niet bekend. Mogelijk een vernoeming naar de vrouwelijke voornaam Laura of van laurus (lat.) = laurier.

Geruite rondmondhoren - Pomatias elegans
Slakkenvreters is de naam van een keverfamilie (Drilidae) die het voorzien heeft op slakken. In Nederland komen twee vertegenwoordigers van deze familie voor, Drilus concolor en D. flavescens. Edward Step beschrijft in zijn boek “Shell life” hoe de larve van de slak Drilus flavescens daarbij in het werk gaat. “De Drilus larve wacht geduldig bij de mondopening van het huisje tot het deurtje opent en de het dier eruit komt; dan is hij erop uit om de gespierde aanhechting van het deurtje door te snijden, zodat. als de slak zich terugtrekt, het deurtje van zijn fort niet goed meer wil sluiten. De larve kan nu op zijn gemak zijn klus afmaken. Hij gaat het huisje binnen en eet het lichaam van de slak op, gaat over in het popstadium en wacht in het huisje tot het stadium van volgroeide kever bereikt is.”
Dat deurtje, een rond kalkachtig dekseltje, ook operculum geheten, is een kenmerkende eigenschap van de leden van de familie Pomatiasidae. De Spaanse naam is Caracol terrestre con opérculo.
In Nederland komt één vertegenwoordiger van deze familie voor Pomatia elegans. Het verspreidingsgebied beperkt zich tot de kalkachtige bodems van Zuid-Limburg.
Poma, 2e naamval pomatos is Grieks voor deksel en elegans Latijn voor sierlijk. De Duitse naam Schöne Landdeckelsnecke verenigt beide betekenissen. De Franse naam Cyclostome élégant is nog gevormd uit een oud synoniem Cyclostoma elegans, waarbij cyclo rond en stoma mond betekent. De rondmondopening is ook terug te vinden in de Engelse naam Round-mouthed Snail en de Nederlandse naam Geruite rondmondhoren. Het geruite slaat op de netachtige structuur van het oppervlak van de schelp.

Getijdeslak - Mercuria confusa
Synoniem : Pseudamnicola confusa
Nederlands: Getijdeslak, Biesbosslakje
Engels: Swollen spire snail

In 1940 toonde de Belgische weekdier-deskundige of malacoloog William Adam op twee plaatsen in België het voorkomen van Mercuria confusa aan. Hierna duurde het nog bijna vijftien jaar voordat bekend werd dat dit slakje ook in Nederland voorkwam Eind jaren vijftig bleek dat de soort algemeen voorkwam in het toenmalige zoetwatergetijdegebied de Biesbosch. Behalve de officiële Nederlandse naam Getijdeslak kreeg de soort ook de bijnaam Biesbosslakje.
Omdat de soort blijkbaar gemakkelijk over het hoofd gezien wordt, is de wetenschappelijke naam erg toepasselijk, want confusa (lat.) betekent verward, confuus, miskend.
De genusnaam lijkt direct af te leiden van de mythologische figuur Mercurius, god van de reizenden, de dieven en de handel, met vleugeltjes aan de voeten en gelijk gesteld Hermes, de bode der Griekse goden, en de Germaanse god Wodan. Hoe de relatie met dit genus gelegd moet worden is echter niet bekend.
Ook verklaringen van andere wetenschappelijke namen helpen ons niet verder, zo heet Bingelkruid Mercurialis omdat Mercurius de geneeskrachtige eigenschappen van de plant ontdekt zou hebben. En is de vlinder Epinotia mercuria is naar Mercurius genoemd omdat de tekens op de vleugels lijken op het teken van de planeet Mercurius. Opvallend is dat nog twee weekdiergenera naar Hermes genoemd zijn: Hermaea (Polybranchiidae) en Hermes (Terebridae).

Gladde naaldslak - Platyla polita
Synoniemen: Acicula polita, Acme polita
Familie: Naaldslakken – Aciculidae
Duits: Glatte Nadelschnecke
Frans: Acmée brune

Naar de puntige vorm van het huisje en naar het gladde oppervlak van het huisje heet Platyla polita Gladde naaldslak. Polita (lat.) betekent gepolijst, glanzend.
Platus (gr.) = plat, vlak of breed. Deze betekenis slaat waarschijnlijk op het gladde = vlakke oppervlak van het huisje, in tegen stelling tot Acicula fusca - Gegroefde naaldslak, waarbij het oppervlak gegroefd is.

Glanshorens – Eulimidae
Familie Eulimidae Philippi, 1853
Duits: Pfriemenschnecken
Engels: Eulima

Gestreept glanshorentje - Eulima bilineata
Engels: Two-lined eulima

Groot glanshorentje - Eulima glabra

Kromme glanshoren - Vitreolina philippi
Engels: Distorted eulima
Deens: Krum pighudesnegl (pighude = stekelhuidigen)

Het prefix eu- betekent goed en lima (Lat.) betekent vijl. In dit geval slaat vijl op het "gevijlde", dat wil zeggen gladde en gepolijste oppervlak van de huisjes. Hetgeen nog eens door het voorvoegsel versterkt wordt. De soorttoevoeging glaber (Lat.) betekent ook glad, kaal.
Het Groot glanshorentje heeft 2 tot 6 brede oranje kleurbanden, het priemvormige huisje is 10 mm hoog. Het Gestreepte glanshorentje heeft twee smalle kleurstrepen en is 6 mm hoog. Bi-lineata (Lat.) = tweelijnig.
De Kromme glanshoren heeft een krom, glad en glanzend, glasachtig huisje. De stam van het Geslacht vitreolina komt van vitreus (Lat.) = van glas, doorschijnend; vitreolus Lat. (bron: Jobling, 1991) betekent ook van glas, glanzend. Het suffix –ina geeft een toebehoren aan. De Deense naam slaat op het parasitair voorkomen op slangsterren en zeekomkommers.
Vitreolina philippi is genoemd naar de naamgever van de familie Rudolph Amandus Philippi (1808-1904), Duits paleontoloog en zoöloog. Hij heeft gewerkt in het Middellandse Zeegebied en in Chili.

Glansslakken - Oxychilus
Familie: Zonitidae
Look-glansslak - Oxychilus alliarius
Duits: Knoblauchglanzschnecke
Engels: Glossy Glass Snail
Deens: Løgsnegl

Kelder-glansslak - Oxychilus cellarius
Duits: Kellerglanzschnecke
Engels: Cellar Glass Snail
Deens: Kælderglanssnegl

Grote glansslak - Oxychilus draparnaudi
Duits: Grosse Glanzschnecke
Engels: Draparnaud's Glass Snail
Deens: Draparnauds glanssnegl

Zwitserse glansslak - Oxychilus helveticus
Duits: Schweizer Glanzschnecke
Engels: Glossy Glass Snail

De naam Oxychilus is een samenvoeging van oxus (gr.) = scherp, spits, puntig en cheilos = lip. In de beschrijving van de soorten is geen aanknopingspunt gevonden die de naam kan verklaren. Misschien is de bedoeld dat de soorten een mondrand hebben die niet verdikt en die niet omgeslagen is.

De look-glansslak is een van de weinige slakken die genoemd is naar de geur. Het dier verspreidt een opvallende uienlucht of knoflookgeur als hij verstoord wordt. De soortnaam alliarius (lat.) is afgeleid van allium = look.

Oxycilus cellarius is bekend van vochtige beschutte plaatsen, dus ook van kelders; cellarius (lat.) betekent in kelders, voorraadkamers.

Oxychilus draparnaudi is genoemd naar Jaques Philippe Raymond Draparnaud (1772-1804), Frans zoöloog, paleontoloog en botanicus. Hij schreef onder andere Tableau des mollusque terrestres et fluviatilis de la France, gepubliceerd in 1801.
De soort heet Grote glansslak naar de grootte van het dier ten opzichte van de andere soorten.

De Zwitserse glansslak komt niet in Nederland voor, het is een Belgsiche soort, voorkomend in het kalkdistrict. Een deel van het verspreidingsgebied beslaat Zwitserland. Helveticus (lat.) betekent Zwitsers, van Helvetia, het land der Helvetiers.


Glanzende schijfhoren - Segmentina nitida
Familie: Planorbidae
Duits: Glänzende Tellerschnecke
Engels: Shining ramshorn snail

Segmentina is een van de geslachten van de familie schijfhorens in Nederland. De determinatiesleutel van Zoetwaterslakken van Nederland van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie geeft het volgende onderscheidende kenmerk: “Binnen in de laatste omgang zijn drie duidelijke radiaal geplaatste schotjes aanwezig, die door de schelpwand zijn te zien.” De wetenschappelijke naam doet daarbij onmiddellijk denken aan het Nederlandse woord segment. Dit is afgeleid van segmentum (lat.) = gouden of purperen strook aan een kleed, van secare = afsnijden.
Verse exemplaren zijn sterk glanzend, zoals ook uit de Nederlandse naam en de soorttoevoeging nitida (lat.) = glanzend, schitterend blijkt.

Glashoren – Diaphana minuta
In de Veldgids Schelpen van Rykel de Bruyne (2004) staat een fraaie foto van de Glashoren – Diaphana minuta – die meteen duidelijk maakt waarom de soort zo genoemd is. De kleur van de soort is namelijk bleekwit, doorschijnend. Ook de genusnaam Diaphana, die afgeleid is van het Griekse Diaphanès = doorschijnend of doorzichtig, benoemt deze eigenschap. De Latijnse soortnaam minuta betekent klein en heeft betrekking op de kleine afmetingen (4 x 3 mm). Vergelijk het Nederlandse minuut dat hier ook van minutus = klein afgeleid is.
De familie Diaphanidae (Glashorens) komt voor in koude noordelijke wateren, vandaar de Engelse naam Arctic paperbubble.

Glasmuiltjes – Lamellaria
Groot glasmuiltje - Lamellaria perspicua
Engels: Transparant lamellaria
Duits: Gläserner schlafrock
Deens: Kappeskæl

Klein glasmuiltje - Lamellaria latens

Naar de gelijkenis van de schelp met het glazen muiltje van Assepoetster, heten ze glasmuiltjes. De kleur van de schelpen is doorschijnend, glasachtig wit. De laatste winding is uitgegroeid tot een groot “schijfvormig” oor; Lamellaria komt van lamella (lat.) = plaatje, schijfje, een verkleinwoord van lamina = plaat, schijf.
Naar de relatieve grootte van de schelp heten ze Groot en Klein glasmuiltje. De soortnaam perspicua (lat.) betekent doorschijnend, doorschijnend.
De schelp van de dieren wordt geheel bedekt door de mantel, daarom is de soortnaam van het Klein glasmuiltje, latens (lat.) = zich verbergend.

Glasslakken - Vitrinidae
Doorschijnende glasslak - Vitrina pellucida
Engels: Pellucid glass snail
Duits: Kugelige Glasschnecke
Deens: Glassnegl

Rijn-glasslak - Vitrinobrachium breve
Duits: Kurze Glasschnecke

Oorvormige glasslak - Eucobresia diaphana
Duits: Ohrförmige Glasschnecke

Grote glasslak - Phenacolimax major
Engels: Greater pellucid glass snail
Duits: Grosse Glasschnecke

De doorschijnende glasslak komt algemeen voor op zeer uiteenlopende, min of meer vochtige plaatsen. In het KNNV publieksproject van 2005 “ogen op steeltjes” is het één van de elf soorten landslakken op het waarnemingsformulier.
De tere huisjes van de glasslakken zijn zwak groenig of kleurloos en min of meer doorzichtig. De naamgeving van de doorzichtige glasslak en de wetenschappelijke naam Vitrina pellucida wijzen in alle opzichten op het doorzichtig zijn van de schelp. Vitrina (Lat.) komt van vitrum = glas, kristal en pellucida komt van perlucidus (Lat.) = doorschijnend, doorzichtig.
Enkele soorten uit deze familie kunnen zich niet helemaal terugtrekken in hun huisje, het zijn “halve naaktslakken”. In Nederland zijn dat de Rijn-glasslak en de oorvormige glasslak.
Vitrinobrachium breve, een vrij nieuwe soort voor de Nederlandse molluskenfauna, die tot nu toe alleen bekend is van één vindplaats bij Millingen aan de Rijn, komt vooral voor in het dal van de Rijn, vandaar Rijn-glasslak.
De genusnaam van deze soort is een samenvoeging van de genusnaam Vitrina en het Griekse brachus = kort of ondiep. Ook de soortnaam breve of brevis betekent kort of klein. Beide slaan op het te kleine huisje met slecht 1½ omgang, waarin het dier zich niet terugtrekken kan. Diaphana komt van het Griekse diaphanès dat doorschijnend, doorzichtig betekent.
De laatste omgang van Eucobresia is relatief groot en bezorgde de soort de naam oorvormige glasslak. Eucobresia is een samenvoeging van eu- = goed of echt en de (oude?) genusnaam Cobresia. Cobresia is ook de naam van een plantengeslacht, genoemd naar Paul von Cobres (1747-1823), keizerlijk raadsheer en Maltezer ridder, die in het begin van de 19e eeuw te Augsburg een grote verzameling naturaliën bijeenbracht. Het zou mij niet verbazen als deze persoon ook de naamgever van het weekdiergeslacht is.
De grote glasslak is binnen het genus Phenacolimax een relatief grote landslak, ook de Latijnse soortnaam major betekent groter.
Phenacolimax is een samenvoeging van phenaco en limax. Phenaco komt waarschijnlijk van het Griekse phenakè dat pruik betekent en slaat mogelijk op de lange brede slip van de mantel die de topomgangen van het huisje bedekt. Limax (Lat.) betekent slak, zie ook het genus Limax.

Glimslakken – Zonitoides
Grofgestreepte glimslak - Zonitoides excavatus
Duits: Britische Dolchschnecke (Dolch = dolk)
Engels: Hollowed Glas Snail
Deens: Britisk glanssnegl

Donkere glimslak – Zonitoides nitidus
Duits: Glänzende Dolchschnecke
Engels: Shiny Glass Snail
Deens: Mørk glanssnegl

Het suffix of achtervoegsel –oides betekent gelijkend op. De soorten uit het genus Zonitoides lijken op de soorten uit een ander genus Zonites. Bijvoorbeeld de Zuid-Europese soort Zonites algirus. Zonites is afgeleid van zona (Lat.) = gordel en slaat mogelijk op de groeilijnen van sommige soorten.
De dieren heten Glimslakken naar de glanzende huisjes. Bij de Donkere glimslak blijkt dat ook uit de soortnaam nitidus = glanzend, schitterend.
De Grofgestreepte glimslak heeft omgangen voorzien van krachtige radiale strepen, daarentegen heeft de Donkere glimslak een weinig opvallende structuur. De slak van deze laatste soort is donkerblauw tot zwart van kleur. Bij levende slakken lijkt het huisje ook bijna zwart doordat het donker gekleurde lichaam doorschemert.
De navel van de Grofgestreepte is zeer breed en wijd open. De Engelse naam hollowed en de soortnaam excavatus (Lat. = uitgehold, uitgegraven) hebben dat kenmerk opgenomen.
De Duitsers noemen de soorten Dolchschnecken, omdat in dit genus een pijlzak met pijl bij het geslachtsapparaat voorkomt, in tegenstelling tot de andere genera van de Zonitidae.
Gordelhorentjes – Onoba
Slank gordelhorentje - Onoba aculeus
Deens: Slank tangsnegl

Geribd gordelhorentje - Onoba semicostata
Deens: Halvribbet tangsnegl

Het slanke gordelhorentje is slanker dan de andere soort; voor het slanke gordelhorentje wordt een echter breedte van 1,5 mm opgegeven en voor het geribd gordelhorentje 1 mm (Bruyne, 2004) . Wellicht sluit de soortnaam aculeus (alt.) = stekel aan bij de Nederlandse naamgeving.
De dwarsribben (axiale ribben) op de windingen vervagen van bovenaf naar het midden van de windingen bij het Geribd gordelhorentje. Daarom heet de soort semicostata = halfgeribd.
Beide soorten hebben een patroon van fijne spiraalgroeven, daarom heten ze Gordelhorentjes. Huelva is een Spaanse stad in Andalusië aan de kust van de Atlantische oceaan. In de Romeinse tijd heette de stad Onoba. De genusnaam Onoba is mogelijk naar deze stad genoemd. Of naar een Romeinse eigennaam (Rafael Muniz Solis, 2002).

Grasslakken - Candidula
Fijngeribde grasslak - Candidula gigaxii
Engels: Eccentric snail
Duits: Helle Heideschnecke

Grofgeribde grasslak - Candidula intersecta
Engels: Wrinkled snail
Duits: Gefleckte Heideschnecke
Deens: Pletbåndet solsnegl (sol = zon)

Eenbandige grasslak - Candidula unifasciata
Duits: Quendelschnecke
Frans: Hélice candidule
Deens: Enkelbåndet solsnegl

De grasslakken komen voor op zonnige terreinen in de duinen, langs dijken, op kalkhellingen in het gras. De soorten heten ook wel duinslakken.
De genusnaam Candidula is afgeleid van candidus, verblindend wit, sneeuwwit en de verkleiningsuitgang –ula, vrij vertaald een beetje sneeuwwit. De kleur van de huisjes is wit tot geelwit.
De soortnaam gigaxii is hoogst waarschijnlijk afgeleid van de achternaam Gigax, maar verdere achtergronden over deze vernoeming ontbreken. De ribben van deze soort zijn fijner dan die van de Grofgeribde grasslak.
De soortnaam intersecta betekent doorsneden. De betekenis met betrekking tot deze soort is onduidelijk.
De Eenbandige grasslak heeft in tegenstelling tot de andere soorten doorgaands maar één donkere spiraalband. De soortnaam unifasciata betekent met één band.

Gray’s kustslak - Assiminea grayana
Duits: Marschenschnecke, Kegelige Strandschnecke
Engels: Dun Sentinel. Mr. Gray’s Marsh-snail
Deens: Marksnegl

De betekenis van de genusnaam Assiminea is nog niet achterhaald. Een oude naam van het genus is Assemania, dat duidt mogelijk op een eponiem, een vernoeming van de achternaam Asseman. En dan zou Assiminea een anagram van Assemania kunnen zijn. Een andere verklaring is de afleiding van assimilis (lat.), gelijkend (R. Muniz Solis).
Grayana is in ieder geval een persoonsvernoeming. Met deze naam wordt de herinnering aan de ontdekker van de soort John Edward Gray (1800-1875) levend gehouden. Hij was een Engelse zoöloog en één van de meest opmerkelijke figuren in de geschiedenis van de afdeling Zoölogie van het British Museum.
Het is een soort van kwelders en schorren en heeft daarom de naam kustslak gekregen.
De betekenis van de Engelse naam Sentinel (= schildwacht) laat zich als volgt verklaren. Omdat zij hun oogjes op lange steeltjes dragen, wordt veronderstelt dat ze daarmee een goed uitzicht over hun omgeving hebben, net zoals een schildwacht. De naamgeving is in analogie met de Sentinel Crab (= Steeloogkrab). Dun betekent bruin, vaal, donker en slaat waarschijnlijk op de opperhuid die grijsbruin is.

Graziana quadrifoglio
Familie: Hydrobiidae

Quadrifoglio d'acqua is de Italiaanse naam van de aquariumplant Marsilea quadrifolia, bekend onder de Nederlandse naam Klavertje vier. De van oorsprong Italiaanse soortnaam quadrifoglio betekent vierbladig, maar slaat bij Graziana niet op de schelp of het dier maar op de naam van een vocaal kwartet uit Basel, waarvan de auteur Martin Haase deel uit maakt.
Deze zoetwaterslak is onlangs (gepubliceerd in 2003) als nieuwe soort ontdekt in twee bronnen op de Monte San Giorgio, dicht bij de Italiaanse grens.

De genusnaam Graziana Radoman, 1975 is de Italiaanse vorm van de voornaam Gratiana (vrouwelijk) of Gratianus (mannelijk). Gratianus is afgeleid van gratus (lat.) = bevallig, bekoorlijk, tot dankbaarheid stemmend.

Groene wierslak - Elysia viridis
Engels: Green Elysia
Duits: Grüne Samtschnecke
Frans: Elysie verte
Deens: Fløjlssnegl (fløjl = fluweel)

De Avenue des Champs-Elysées in Parijs is een der mooiste en bekendste lanen ter wereld. De laan is genoemd naar de Elysische velden, de gezegende oorden van eeuwige gelukzaligheid, aan het westeinde van de aarde. In dit rijk heerst eeuwige lente en het leven is vol van genot en vrij van alle leed.
Of de wier- en algenvelden, waar de Groene wierslak verblijft ook zo’n idyllisch oord zijn valt te betwijfelen. Toch zou zijn wetenschappelijke naam Elysia naar dit Elysium (Gr. Elysion) genoemd kunnen zijn.
De kleur van het dier is afhankelijk van het gebruikte voedsel. Eten de dieren vooral groenwieren zoals Codium, Bryopsis en Cladophora, dan krijg je groene slakken, maar eten ze Griffithsia, een roodwier dan heb je rode slakken. De groene kleur komt het meest voor, daarom is de wetenschappelijke naam viridis (Lat.) = groen.

Grote poelslak - Lymnaea stagnalis
Limnologie is de wetenschap die zich bezig houdt met de biologische studie van het zoete water. De naam is afgeleid van het Griekse limnè dat meer, poel of vijver betekent. Dezelfde Griekse naam komen we tegen in de genusnaam van de Poelslak: Lymnaea. Evenals het soorttoevoegsel van Lymnaea stagnalis (Linnaeus, 1758) betekent dit dat de soort voorkomt in zoet stilstaand water. Stagnalis is afgeleid van het Latijnse stagnum dat stilstaand water betekent (vergelijk het Nederlandse stagneren), de uitgang –alis geeft een "toebehoren aan" aan, dus eigenlijk "van het stilstaande water". Ook de Nederlandse, Engelse en Franse naam hebben deze betekenis: Gewone poelslak, Stagnant Pond Snail en Limnée des étangs (étang = vijver, poel of plas). Het is een van de grootste zoetwaterslakken van ons land en daar doet het Nederlandse synoniem Grote poelslak recht aan, evenals het Engelse Great Pond Snail. De Duitse naam Spitzschlammschnecke en Spitzhornschnecke slaat op de spitse top van de schelp. Namen die het gedrag van slakken beschrijven komen maar sporadisch voor. De Franse naam Lymnée voyageuse (= reizigster) duidt waarschijnlijk op het gedrag van de soort om zeer vaak naar het oppervlak van het water te gaan om de luchtvoorraad in de mantelholte te verversen. Benthem Jutting noemt zelfs een frequentie van 10 à 12 maal per uur onder normale omstandigheden.

Grote wegslak – Arion ater rufus
Omstreeks 600 v. Chr. leefde in Griekenland de dichter en zanger Arion. Herodotus beschrijft het verhaal hoe piraten de lierdichter overboord gooien. Dolfijnen redden echter de dichter en op de rug van een dolfijn bereikt hij de kust. Vaak is deze dichter in verband gebracht met naam van het naaktslakkengeslacht Arion, dat in 1819 is beschreven door Férrussac in zijn Hist. Nat. Moll. Het is echter volstrekt onduidelijk hoe de naam van de persoon Arion verbonden is met deze genusnnaam. Ook dat het snelvoetige ros Arion uit de Ilias als voorbeeld gedient heeft is nog onwaarschijnlijker. E. Degner uit Hamburg geeft in zijn publicatie wel een plausibele verklaring. Arion is een weinig voorkomende Griekse naam voor een slak. Bij de Griekse schrijver Aelian is sprake van slakken die bij bedreiging door vogels hun huis verlaten en nadat het gevaar geweken is daar weer in terugkeren.
Al hebben de naaktslakken van het geslacht Arion slechts enkele inwendige kalkkorrels die als relict van een slakkenhuis beschouwd worden en geen huisje, toch is het zeer aannemelijk dat Férussac dit verhaal in gedachten had bij zijn publicatie over “Arion ou Ariontes de Grecs”.
Bij de verklaring van de soortnaam raken we verzeild in de taxonomische problematiek rond Arion ater en Arion rufus. Tegenwoordig worden beide soorten als ondersoorten van één soort beschouwd, waarbij in Nederland alleen de ondersoort Arion ater rufus voorkomt. Echter ook deze ondersoort kent zowel rode als zwarte exemplaren. Rufus heeft de betekenis roodbruin, ater is Latijn voor zwart of donker. Ook in de niet wetenschappelijke namen komt is dit onderscheid voor. Bijvoorbeeld in het Frans Grande limace rouge en Grande limace noir, in het Duits Grosse Rote and Schwarze wegsnecke, in het Engels red en black slug. Sommige talen hebben overigens aparte benamingen voor naakt- en huisjesslakken, zoals in het Frans Limace en Loche voor naaktslakken, Escargot, Limacon en Colimacon voor huisjesslakken en in het Engels slug voor naaktslakken en snail voor huisjesslakken.
De gewoonte van de dieren om na een regenbui de weg op te gaan, waardoor wegen soms rood en zwart zien van de slakken bezorgde hen de naam wegslak, Wegsnecke (Duits). Het grote formaat tot 15 cm de namen Grote wegslak en Grosse wegsnecke.

Gyrineum
Familie: Ranellidae
Gyrineum natator Röding, 1798
Engels: Tuberculara Gyre Triton

Kikkervishoren - Gyrineum gyrinum Linnaeus, 1758
Engels: Tadpole Triton

Gyrinus natans is de naam van de faculteitsvereniging Biologie van de Vrije Universiteit. Het ontleent zijn naam aan een gedicht van Guido Gezelle (1830-1899), Het Schrijverke, met als subtitel (Gyrinus Natans). De beginregels van het gedicht luiden:

O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!

De correcte naam van dit waterkevertje is Gyrinus natator en de Nederlandse naam Draaikevertje.
De naam Gyrinus natator lijkt wel heel sterk op de wetenschappelijke naam van de slak, uit de familie Ranellidae: Gyrineum natator.
De afleiding van beide namen loopt geheel parallel. Gyrinus en Gyrineum zijn afgeleid van gurinos (gr.) = kikkervisje, donderpad, donderkopje. Natans is afgeleid van nato (lat., natare) = zwemmen, drijven en natator = zwemmer.
Bij de naamgeving van de slak speelde de vorm van de schelp een rol maar mogelijk ook de plaatsing in de familie Ranellidae; ranella (lat.) = kikkertje.
Gyrus (lat.) betekent kring die men bij een beweging beschrijft, wat erg toepasselijk is bij een draaikevertje die rondjes op het water draait.

Haarschelpen – Trichotropidae
Engels: Hairy shells
Duits: Haarkielschnecken

Trichotropis bicarinata (Sowerby, 1825)
Engels: Two-keeled hairy shell

Trichotropis unicarinata (Broderip & Sowerby, 1829)
Iphinoe unicarinatus Broderip & Sowerby, 1829
Engels: One-ribbed Hairy Shell

Trichotropis (Ariadna) borealis Broderip & Sowerby, 1829
Engels: Boreal hairy snail

Behalve als zelfstandige familie wordt deze groep door anderen als subfamilie Trichotropinae binnen de familie Capulidae beschouwd. De familie is genoemd naar het genus Trichotropis. De naam Trichotropis is samengesteld uit trichos (gr.) = haar en tropis = scheepskiel. De achtergrond van deze naam zijn de lange haren op de kielen van de schelp van sommige soorten van dit genus.
Sommige soorten zoals Trichotropis unicarinata heeft één kiel terwijl T. bicarinata er twee heeft. Het voorvoegsel bi- betekent twee en uni- één; carina (lat.) = scheepskiel.
Dit genus wordt in twee subgenera onderverdeeld: Ariadna en Iphinoe. Ariadne hielp Theseus bij het doden van de Minotaurus, door hem een kluwen garen of touw te geven om zo de weg in het labyrinth terug te vinden. Dat touw staat bekend als de draad van Ariadne, een middel om een ingewikkeld vraagstuk op te lossen. De naam Iphinoë komt in verschillende verhalen in de Griekse oudheid voor. Het meest bekend is de dochter van Proetus en Stheneboea, maar wellicht had de auteur een ander op het oog, waar ook het haar een rol speelt. Iphinoë is namelijk ook de dochter van Alcathous, die met hulp van Apollo de muren van Megara herbouwde. De vrouwen van Megara boden haar voor het huwelijk een offerande aan en droegen een haarlok aan haar op.

Haarslak - Trichia
Trichia hispida
Trichia rufescens
Uit een inventarisatie van weekdieren in Amsterdam is het haarslakje (Trichia hispida) als de meest algemene soort uit de bus gekomen. Het is een opvallende maar zeer kenmerkende soort vanwege de fijnharige schelp. In het Duits Gemeine Haarsnecke (= gewone haarslak), in het Engels Hairy of Bristly snail (= borstelig) en in het Frans Hélice veloutée (= fluwelig) of Hélice hispide. Een oude naam voor de soort is Helix hispida. De tweede naam hispida (Lat.) betekent ruig of borstelig en ten overvloede is de genusnaam Trichia afgeleid van het Griekse thrix, trichos dat haar betekent. In het Nederlands heet de soort ter onderscheiding van de volgende slakkensoort, gewone haarslak.

Een tweede in Nederland voorkomende soort is daarentegen erg zeldzaam. De soort komt alleen in Veere voor en heeft daarom in het boek “De Landslakken van Nederland” de naam Veerse slak. Het huisje is voorzien van grove, onregelmatige radiale strepen en is licht hoornbruin van kleur. De laatste eigenschap bezorgde de soort de officiële Nederlandse naam Rosse haarslak, wat aanluit bij de Franse naam Hélice roussâtre en de Engelse naam Ruddy snail, die allebei rossig heten. Ook de soortnaam rufescens betekent roodachtig. De Duitse naam Gestreifte Haarsnecke heeft betrekking de radiale strepen of op de lichtgekleurde band over het midden van de laatste omgang.

Harpslakken - Harpidae
Engels: Harp shells
Duits: Harfenschnecken
Frans: Harpes

Echte harpslak - Harpa harpa (Linnaeus, 1758)
Engels: True harp

Harpa davidis Roding, 1798
Engels: David harp

Smalle harpslak - Harpa amouretta Röding, 1798
Engels: Lesser harp, Little love harp shell
Peter Friedrich Röding introduceerde het genus Harpa in het deel van het boek "Museum Boltenianum" dat de Conchylia behandelde en dat is uitgeven in Hamburg in 1798, twee jaar na het overlijden van Joachim Friedrich Bolten (1718-1796).
Harpa is een latinisering van een oorspronkelijk Germaans/oud-Noors woord harpa. Dit genus is zo genoemd omdat de ronde vorm van de schelp met daarop de krachtige ribben aan een harp doet denken.
De familie Harpidae is genoemd naar het genus Harpa, waarvan Harpa harpa de typische vertegenwoordiger is, vandaar Echte harpslak.
De harp is een zeer oud instrument, bekend is het verhaal uit de bijbel van David die voor koning Saul speelt. De soort Harpa davidis zou, zoals vele muziekverenigingen, de Nederlandse naam Harpe Davids kunnen krijgen.
Het Nederlandse woord amourette (= minnarij) komt van het Franse amourette, een verkleinwoord van amour dat van het Latijnse amor (= liefde) is afgeleid.
Mogelijk is Harpa amourette, vanwege zijn mooie kleuren, en daarom geliefd bij verzamelaars, zo genoemd.

Heesterslak - Arianta arbustorum
Herodotus vertelt over Ariantas de koning van de Scythen het volgende verhaal (verkort). “In Exampeus in Scythia staat een bronzen vaas met een inhoud van 600 amphora’s en een dikte van 6 vingers. Deze vaas was gemaakt uit bronzen pijlpunten. Een van de koningen van de Scythen, genaamd Ariantas, wilde weten hoeveel Scythen er waren en liet daarom het bevel uitgaan dat iedere Scyth een (bronzen) pijlpunt moest brengen en die dat niet deden werden ter dood gebracht. Een enorme hoeveelheid pijlpunten werden ingeleverd en de koning besloot er er een bronzen vaas van te maken en koos Exampeus als zijn plaats. Dit is wat ik hoorde over de omvang van de Scytische bevolking.” Dit moet zich voor ca. 495 voor Chr. hebben afgespeeld. De Scythen waren een nomadisch volk uit Zuid-Rusland welke geducht waren als boogschutter te paard.
De naam van het genus Arianta zou afgeleid zijn van de naam van bovenstaande koning. Soorten van het genus Arianta hebben redelijk grote huisjes maar een vergelijking met een bronzen vaas met een inhoud van 600 amphora’s is wel ver gezocht.
De “soortsnaam” arbustorum betekent van heesters of boomgaarden. Ook Duitse, Baum- of Waldschnirkelschnecke, Engelse tree snail, orchard snail en copse snail (copse = hakhout of kreupelhout), Deense kratsnegl (krat = kreupelhout) en Nederlandse namen, boomslak of heesterslak hebben betrekking op het soort begroeiing waar de soort voorkomt. De naam Schnirkelschnecke, in het dialect Schnörkelschnecke, is de naam voor alle vertegenwoordigers van de familie Helicidae, waartoe ook Arianta behoort.
Het gevlekte uiterlijk van de schelp is een opvallend kenmerk dat tot uitdrukking komt in de namen Gevlekte heesterslak en Gefleckte Schnirkelschnecke.

Helmschelpen – Cassidae
Helmschelpen, Helmslakken – Cassidae
Engels: Helmet shells, Bonnet shells
Duits: Helmschnecken
Frans: Casques
Spaans: Cascos

De familie Cassidae is genoemd naar het genus Cassis. In het Latijn is cassis (2e nv. cassidis) een helm van metaal. De schelpen lijken op een helm. Twee bekende soorten zijn:
Stierenmondhelmslak - Cypraecassis rufa
Engels: Bullmouth helmet, Cameo shell, Red helmet, Cornelian shell (= kornalijn), Carnelian shell
Frans: Casque taureau
Duits: Karneolmuschel, Sturmhaubeschnecke (= een helm zonder vizier)

Keizerlijke helmslak - Cassis madagascariensis Engels: Emperor helmet, Queen Helmet, Sardonyx shell
Frans: Casque empereur
Duits: Sardonyxmuschel

Een
camee is een gegraveerde steen, waarop het beeld in relief is uitgespaard.Bij voorkeur gebruikt men halfedelstenen, zoals Onyx die uit verschillend gekleurde lagen bestaat, waardoor het mogelijk is een beeld in een lichte kleur uit te snijden met een donkere kleur als achtergrond. Later is men ook de dikke schalen van sommige schelpen als grondstof voor cameeën gaan gebruiken. In Torre Del Greco aan de baai van Napels, het centrum van de cameeën nijverheid worden 25 verschillende schelpensoorten gebruikt. De meeste schelpen komen van de Bahamas, West-Indië en Madagascar.
De meest gebruikte soorten voor cameeën zijn Cypraecassis rufa (witte beelden op een geelrode achtergrond), Cassis madagascariensis (witte beelden op een donkerbruine ondergrond) en Strombus gigas (witte beelden op een rozerode ondergrond).
Rufa (Lat.) betekent roodbruin. De genusnaam Cypraecassis is samengesteld uit twee andere genusnamen: Cypraea en Cassis. De schelpopening heeft de naam Stierenmondhelmslak opgeleverd
De soortnaam madagascariensis betekent afkomstig uit Madagascar. Keizerlijke helmslak is een vertaling van de Engelse naam, die waarschijnlijk vanwege zijn grote formaat aan de schelp gegeven is.

Hero

Hero Alder & Hancock, 1855
Familie: Heroidae

Hero formosa (Lovén, 1839)

Leander of Leandros, een jongeling uit Abydus zwom iedere nacht over de Hellespont naar Sestus om zijn geliefde Hero te ontmoeten, maar verdronk toen Hero’s lamp, waarnaar hij zich richtte was uitgewaaid. Hetzelfde thema komt voor in de middeleeuwse ballade, “er waren twee conincskinderen”.

De Portugesen noemden Taiwan Ilha Formosa = het mooie eiland. De soortnaam van Hero formosa slaat op de Portugese betekenis en niet op een voorkomen bij Taiwan. Hero formosa heeft namelijk een Boreale Oost-Atlantische verspreiding vanaf Groot-Brittanië noordelijk tot aan Tromsø aan de Noorse kust.

Hoge trapgevel- Bela nebula
De tweelingbroers Belos (Lat. Belus) en Agenor waren kinderen van Poseidon, de god van de zee en de wateren, en Lybia. Vanwege zijn vader heeft Belos de beste papieren met betrekking tot de naamgeving van Bela een geslacht van zeeslakken.
In Nederland komt de Hoge trapgevel, Bela nebula voor. Het stevige horentje met matig bolle windingen heeft wel iets weg van trapgeveltje. De ribben op de omgangen zijn vaak wat lichter gekleurd dan de rest, dat het Nederlandse synoniem Rookkleurige trapgevel kan verklaren. Ook de soortnaam nebula = wolk, mist, nevel wijst in die richting.
De Deense naam is Bølgehåndet pilsnegl.

Hongaarse muts – Capulus ungaricus
Hongaarse muts, Hongaars hoedje, Zotskap – Capulus ungaricus
Familie : Capulidae
Duits: Ungarnkappe, Ungarnhütchen
Engels: Hungarican cap, Hungarian hat shell, Bonnet limpet, Fool’s cap
Frans: Chapeau hongrois, Bonnet hongrois, Cabochon
Spaans: Sombrero hungaro
Deens: Narrehuesnegl (hue = muts, kap)
Noors: Ungarnkappe

De schelp van Capulus ungaricus is mutsvormig met een omgekrulde top. Deze vorm gaf aanleiding tot de namen zotskap (een narrekap) en Hongaarse muts of hoedje. Ook in andere talen is deze gelijkenis in de naam verwerkt. De Hongaarse muts is een oude, bij de Hongaarse klederdracht behorende muts.
De soortnaam ungaricus (ook wel hungaricus) betekent Hongaars. Capulus (Lat.) is een verkleinwoord van cappa = kap, mantel. De vertaling van de wetenschappelijke naam is dus Hongaars kapje.

Jachthorenslakken – Vallonia
Geribde jachthorenslak - Vallonia costata
Engels: Ribbed grass snail
Duits: Gerippte Grasschnecke
Deens: Ribbesjordsnegl

Scheve jachthorenslak - Vallonia excentrica
Duits: Schiefe Grasschnecke
Deens: Excentrik jordsnegl
Fraaie jachthorenslak - Vallonia pulchella
Duits: Glatte Grasschnecke
Deens: Jordsnegl (jord = aarde)

De kenmerkende vorm van de huisjes vertoont enige gelijkenis met een jachthoren of jachttrompet.
De geslachtsnaam Vallonia is afgeleid van Italiaanse natuuronderzoeker Valloni.
De geribde jachthorenslak heeft op regelmatige afstanden dunne kalkribjes, in tegenstelling tot de twee andere soorten die fijn gestreept zijn. Costata (Lat.) betekent met ribben, van ribben voorzien, costa (Lat.) = rib.
Het Nederlandse excentriek = uitmiddelpuntig, buitenissig komt van excentricus, van het middeleeuwse Latijn en betekent uit (=ex) het centrum. De omtrek van de Scheve jachthorenslak is niet rond, maar elliptisch van vorm.
De huisjes van de Fraaie jachthorenslak zijn vrij sterk glanzend. Pulchella (Lat.) = fraai, mooi, lief.

Indische vaashoren - Turbinella pyrum
Familie: Vaashorens – Turbinellidae
Synoniem: Xancus pyrum
Duits: Hinduglocke
Engels: Sacred chank, Indian chank
Frans: Coquillage sacré

De Indische vaashoren - Turbinella pyrum prijkt op meer postzegels dan menig andere schelp. De horen, meestal in gestileerde vorm, komt voor op meer dan 200 verschillende postzegels, het grootste aantal van Travancore en Cochin, twee federale staten in India. Travancore gebruikt zelfs de schelp als watermerk in het papier waar de postzegels op gedrukt zijn. Voor Boeddhisten en Hindoes is deze schelp heilig, vandaar de Engelse en Franse naam: Sacred chank en Coquillage sacré. De linksgewonden exemplaren van deze soort zijn zéér zeldzaam en worden, in goud gevat, veelal bewaard in de tempels. De schelp is in het bijzonder verbonden met de goden Vishnu and Krishna uit de Hindoe religie. Volgens de legende woonde een kwade demon op de zeebodem in de schelp van Turbinella pyrum en is pas na een hevige strijd door Krishna overwonnen. De oude wetenschappelijke naam Xancus is afgeleid van de Indiase naam chank. Het woord in het Sanskriet shanka is verwant met het Griekse kogchè = schelp en daarmee met het Engelse conch.
De genusnaam Turbinella is afgeleid van turbo, 4e naamval turbinem (lat.) = draaiende beweging, tol. De soortnaam pyrum (lat. pirum) betekent peer, naar de vorm van de schelp

Io

Io Lea, 1831
Familie: Pleuroceridae Fischer, 1885

Io fluvialis (Say, 1825)
Engels: Spiny riversnail

Volgens Rafael Muniz Solis is Io afgeleid van het Griekse ios = vergif, kopergroen, ijzerroest. Omdat de kleur van de schelp noch roestbruin, noch kopergroen is, lijkt een verwijzing naar Io uit de Griekse mythologie nog het meest waarschijnlijk.
Io is de dochter van Inachus, koning van Argos, beminde van Jupiter en door Juno is een koe of vaars veranderd en door Argus bewaakt. Door een horzel is ze over de hele aarde tot in de Nijl gejaagd, waar ze later als Isis vereerd werd. Isis was de godin van het Nijldal, de vruchtbaarheid en het leven. Op afbeeldingen wordt zij voorgesteld met koeienhoorns met daartussen de zonneschijf.
De soortnaam fluvialis (van het Latijnse fluvius) betekent aan of in waterstromen levend.

Jenkins waterhorentje - Potamopyrgus antipodarum
Jenkins waterhorentje, Jenkins brakwaterhorentje
Duits: Neuseeländische Deckelsnecken
Deens: Ungefødende dyndsnegl

De soort Potamopyrgus antipodarum werd in Europa voor het eerst gevonden in 1859 in het brakke water van het estuarium van de Thames en heeft zich vermoedelijk vandaar sterk uitgebreid. Potamopyrgus antipodarum is in Nederland voor het eerst in waargenomen in 1913, maar is inmiddels algemeen in een groot deel van ons land. De soort is voor het eerst beschreven door Edgar Albert Smith in 1889 onder de naam Potamopyrgus jenkinsi, genoemd naar A.J. Jenkins uit Cardiff een amateur natuuronderzoeker en verzamelaar van schelpen. Hij verzamelde materiaal voor Smith's type van Hydrobia jenkinsi.
Later bleek dat deze soort identiek was met Potamopyrgus antipodarum (Gray, 1843) uit Nieuw-Zeeland en daarom heeft de soort op grond van de regels voor de zoölogische nomenclatuur deze naam gekregen.
Daarmee is ook de soorttoevoeging antipodarum (Lat. = van de tegenvoeters) verklaard, want in Nieuw-Zeeland wonen onze antipoden. De genusnaam Potamopyrgus is samengesteld uit potamos (Gr.) = rivier of stroom en pyrgos (Gr.) = (vesting)toren. De dieren van dit geslacht komen voor in brak en zoet water en de kegelvormige huisjes kunnen als een torentje gezien worden.


Juttingia
Juttingia Loosjes, 1965
Familie: Clausiliidae
Subfamilie: Phaedusinae A.J.Wagner, 1922

Juttingia excurrens (E. Martens, 1864)
Juttingia fucosa (Loosjes, 1963)
Juttingia loosjesi H.Nordsieck, 2002
Juttingia schlueteri (O. Boettger, 1879)

Het genus Juttingia is genoemd naar Woutera (Tera) Sophie Suzanna Van der Feen-Van Benthem Jutting (1899-1991), conservator aan het Zoölogisch Museum in Amsterdam. Zij is door F.E. Loosjes in 1965 vernoemd voor haar bijdragen aan de kennis van de weekdieren van de Indo-Australische regio. In dat jaar en het voorgaande jaar zijn nog enkele soorten naar haar vernoemd, vanwege haar vertrek in 1964 van het Zoölogisch Museum in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Van 1930 tot 1932 was ze conservator aan het Zoölogisch Museum in Buitenzorg in het toenmalige Nederlandsch-Indië.
In 2002 is een soort uit dit genus door Hartmut Nordsieck naar F.E. Loosjes (1913-1994) genoemd: Juttingia loosjesi. F.E. Loosjes was deskundig op het gebied van de Clausiliidae.
Andere soortnamen uit dit genus zijn excurrens (lat.) = uitlopend, eindigend, naar buiten stekend, fucosa (lat.) = geblanket, fucus = een soort mos, waaruit rode verfstof bereid werd, rood blanketsel. De soortnaam schlueteri is genoemd naar Fr. Schlüter. In 1892 verscheen La catalogue de la collection Schlüter door P. Fischer.

Kaalslak - Cadlina
Kaalslak, Gladde doris - Cadlina laevis

Het midden van de rug van deze soort is doorgaans geheel glad, maar naar de randen toe komen verspreid op het lichaam lage wratten voor. De naam Kaalslak en de soorttoevoeging leavis (Lat.) = glad slaan op deze eigenschap.
Alle Nederlandse vondsten van deze soort stammen uit de negentiende eeuw. In de twintigste eeuw is deze soort niet meer aangetroffen. De betekenis van de genusnaam Cadlina is mogelijk een afleiding van kata (gr.) = naar beneden, neder, geheel en al en lineos (gr.) = linnen (Muniz Solis, 2002).

Kapslak - Acroloxus lacustris
Duits: Teichnapfschnecke
Deens: Skjoldsnegl (skjold = schild)
Frans: Ancyle des lacs

De kapslak met het (monniks)kap vormige huisje lijkt sterk op de beekmuts. Vroeger werd deze soort dan ook tot de Ancylidae – Beekmutsen gerekend, hetgeen nog blijkt uit de Franse naam Ancyle.
De genusnaam Acroloxus zou op de volgende manier verklaard kunnen worden. Van het Griekse akros = uiterst, spits, puntig en loxos = zijwaarts gebogen, scheef, schuin. Naar de (van opzij gezien) zijwaarts gebogen, uit het midden staande top van het huisje.
Stilstaand zoetwater met een rijke vegetatie is de biotoop van deze soort. Lacustris (Lat.) betekent van of aan meren en vijvers.

Karthuizer slakken – Monacha cartusiana en M. cantiana
De Karthuizers is een orde die de heilige Bruno uit Keulen in 1084 bij Grenoble stichtte en waaruit de moederklooster de Grande Chartreuse is voortgekomen. Iedere Karthuizer monnik leeft als een soort kluizenaar en heeft in het klooster een eigen huisje met tuintje. De huisjes liggen rond een overdekte kloostergang. De monniken dragen een wit wollen habijt met een scapulier (schoudermantel) en een leren gordel. Chartreuse is ook de naam van de likeur die de monniken maken. Karthuizer komt van het Franse Chartreuse, dat in het Latijn Carthusia heet.
Wat hebben Karthuizerslak, Kartäuserschnecke (Dld.), Cartusian snail (Eng.), Caracol cartusiano (Sp.) en Hélice chartreuse nu te maken met de Karthuizer orde. Omdat ieder slak als een kluizenaar in zijn eigen huisje leeft geldt voor alle slakken met de crême-witte huisjes van de karthuizerslak, die refereren aan de witte wollen habijten van de Karthuizers heeft mogelijk de doorslag gegeven bij de naamgever van deze soort. Monachus is in het Latijn monnik of kluizenaar. Monacha cartusiana is dus vertaalt Karthuizer monnik.
De tweede Nederlandse soort uit dit geslacht is Monacha cantiana, de grote karthuizerslak of in het Duits Grosse Kartäuserschnecke. In het Engels heet de soort Kentish snail en de soortnaam cantiana betekent van Kent. Een groot deel van het verspreidingsgebied in Noordwest Europa ligt in Zuid- en Oost Engeland, zodat een verwijzing naar Kent als pars pro toto niet zo uitzonderlijk is. In een Nederlandse vertaling van Michael Climay “Dieren en planten in de tuin”, is deze soort begijntje genoemd. Missschien een geintje van de vertaler P. Heukels, immers begijntjes wonen ook elk in een eigen huisje.

Kegelslakken - Conidae
Kegelslakken, Kegelschelpen, Toten - Conidae
Duits: Kegelschnecke
Engels: Cone shells
Frans: Cones, Cônes
Spaans: Conos
Italiaans: Conidi

Naar de omgekeerd kegelvormige schelp heten de Conidae Kegelslakken. Het is een familie met honderden soorten, die zeer gewild zijn bij verzamelaars. De familie bevat maar één geslacht Conus, dat in het Latijn kegel betekent. Een ander Nederlands woord voor kegelschelp is toot. Toot (Zuid-Nederlands) is een spits toelopende einde, punt.

Een verklaring van de soorttoevoeging van enkele soorten, gebaseerd op de Checklist of Conidae van Felix Lorenz (1999) is in een afzonderlijke lijst opgenomen.

Kielnaaktslakken - Milacidae
Zwarte kielnaaktslak, Gitzwarte aardslak - Milax gagates
Duits: Dunkler Kielschnegel
Engels: Small Black Slug

Soorten van de Milacidae heten Kielnaaktslakken naar de kiel op de rug van de dieren. De familienaam is afgeleid van het genus Milax, waarvan een vertegenwoordiger in Nederland voorkomt: de Zwarte kielnaaktslak.
Milax is een anagram van het verwante genus Limax.
Gagates, gagaat of git is een zwarte delfstof waar sieraden van gemaakt worden. Het is genoemd naar Gages, een plaats en rivier in Klein-Azië. De kleur van deze delfstof slaat op de kleur van de dieren.


Kegeltolhorens – Jujubinus
Gekielde kegeltolhoren - Jujubinus exasperatus
Synoniem: Cantharidus exasperatus
Engels: Keeled jujubeshell
Duits: Rauher Jujubenkreisel

Gezwollen kegeltolhoren - Jujubinus montagui
Engels: Montagu's top shell
Deens: Plettet topsnegl

Vlakke kegeltolhoren - Jujubinus striatus
Engels: Grooved top shell

In de genusnaam Jujubinus valt het Nederlandse woord jujube te herkennen. Voor een uitgebreide betekenis, zie de Priktolhoren – Calliostoma zizyphinum. De huisjes van de soorten van dit genus zijn duidelijk kegelvormig en behoren tot de familie van de Tolhorens – Trochidae.

Iedere winding van de Gekielde kegeltolhoren heeft 4-5 spiraalribben, waarbij de onderste dikker is dan de overige en als een kiel onderaan de winding ligt. De soortnaam exasperatus (lat.) betekent ruw en heeft betrekking op de geknobbelde spiraalribben. De synonieme naam Cantharidus is afgeleid van het Latijnse cantharus of het Griekse kantharos = beker. Het huisje lijkt op een omgekeerde beker.

De Gezwollen kegeltolhoren heeft iets bollere windingen dan de Vlakke kegelhoren. De soortnaam montagui is genoemd naar George Montagu (1753-1815).

Striatus (lat.), de soorttoevoeging van de Vlakke kegeltolhoren betekent gestreept en heeft betrekking op het vlekkenpatroon op de schelp die vaak kleine lijntjes vormen of op de spiraalribben.

Kielslakken - Atlanta
Zwartoogkielslak - Atlanta helicinoides
Platte kielslak – Atlanta peronii

Atlantis is het legendarische eiland in de Atlantische oceaan dat ten westen van de zuilen van Heracles (Straat van Gibraltar) zou hebben gelegen. Het zou een rijk, goed bestuurd eiland zijn geweest dat wegens de zedeloosheid van zijn bewoners door een aardbeving werd getroffen en door de zee zou zijn verzwolgen. De Atlantische oceaan ontleent zijn naam aan de Griekse naam Pelagos atlantikos. Pelagos (Gr.) betekent zee. In deze oceaan komen pelagisch (= voorkomende in de volle of diepe zee) levende slakken voor van het genus Atlanta.
De naam kielslakken slaat op de aanwezige kiel op de schijfvormige huisjes. De opvallend gekleurde donkere ogen van Atlanta helicinoides leverde hem de Nederlandse naam Zwartoogkielslak op. Helicinoides is samengesteld uit helicin- (van het genus Helicina, Lamarck?) en –oides = gelijkend op.
De Platte kielslak heeft een plat huisje. De soortnaam is vernoemd naar de fransman Francois Péron (1775-1810) door Charles-Alexandre LeSueur (1778-1846). Samen namen ze deel aan Captain Nicolas Baudin’s Franse expeditie naar Australia in 1800-1804. Ook naar LeSueur is een soort uit dit genus vernoemd: Atlanta lesueuri.

Kikkerhorens, Paddehorens – Bursidae
Engels: Frog shells
Duits: Froschschnecken, Krötenschnecken (Kröte = pad), Taschenschnecken
Frans: Bourses

Reuzenkikkerhoren - Bursa bubo
Engels: Giant frog shell
Duits: Riesenfroschschnecke

Gewone kikkerhoren - Bufonaria rana
Engels: Common frog shell, Elegant frog shell
Duits: Elegante Froschschnecke

Bufonaria borisbeckeri Parth, 1996

De vruchtjes van het Herderstasje lijken op de tas van een herder; de wetenschappelijke soorttoevoeging van Capsella bursa-pastoris is een letterlijk vertaling van herderstas. Ook de familie Bursidae, afgeleid van het genus Bursa, is genoemd naar bursa (lat.) dat tas of beurs beduidt. Zie ook de Duitse naam Tachenschnecken en de Franse naam bourses.
Waarschijnlijk heeft het betrekking op de eigenschap dat zij hun prooi doden met sterk zure sekreten van hun speekselklieren.
De naam padden- of kikkerhorens heeft waarschijnlijk te maken met het vlekkerige uiterlijk en de ruwe sculptuur van de horen.
De genusnaam Bufonaria is afgeleid van bufo (lat., 2e naamval bufonis) = pad. De soortnaam rana (lat.) betekent kikker of kikvors.
Het Latijnse woordenboek geeft voor Bubo nachtuil of katuil. De wetenschappelijke naam van de oehoe is Bubo bubo. De licht- en donkerbruine vlekken op de crèmewitte ondergrond lijken op beetje op het verenpatroon van een oehoe. Tevens is de oehoe de grootste soort uil en deze reuzenkikkerhoren ook de grootste soort van de familie.
De kikkerhoren Bufonaria borisbeckeri is door Parth genoemd naar de tennisser Boris Becker. De auteur van de soort zegt daarover "Ich widme die neue Art Boris Becker, dem meines Erachtens größten deutschen Einzelsportler aller Zeiten."

Kleine alikruik - Melaraphe neritoides
Synoniem: Littorina neritoides
Duits: Zwergstrandschnecke
Engels: Small Periwinkle
Frans: Littorine bleue
Deens: Lille strandsnegl

Melaraphe is een samenvoeging van melas (Gr.) = zwart, donker en raphè (Gr.) = naad, draad. Het huisje van de Kleine alikruik is grijsgroen tot donkerbruin van kleur, maar heeft een ondiepe naad of sutuur. Het tweede gedeelte van de naam is in ieder geval voor deze soort onduidelijk. Wel zijn er soorten in dit genus met een duidelijke naad, zoals Melaraphe undata. De dieren komen vooral voor in holten en spleten van rotskusten. Veel namen benoemen de kleine afmetingen van de huisjes die veel kleiner zijn (9 x 6 mm) dan de Gewone alikruik (40 x 35 mm).
De soortnaam neritoides betekent gelijkend op het genus Nerita. Deze soort lijkt wel enigszins op enkele soorten van het genus Nerita.

Kleverige poelslak - Myxas glutinosa
Familie: Lymnaeidae
Duits: Mantelschnecke
Engels: Glutinous Snail

De kleverige poelslak heeft aan de mantel twee aanhangsels die bij het kruipende dier over de schelp zijn teruggeslagen en deze vrijwel geheel bedekken. Als ze uit het water worden gehaald lijken ze op een slijmklompje. Naar dit slijmerige lichaam worden ze kleverige poelslak genoemd. De soortnaam glutinosa (lat.) betekent eveneens kleverig.
De genusnaam Myxas komt van muxa (gr.) is slijm. Vergelijk de wetenschappelijke naam van de slijmzwammen: Myxomyceten.

Knobbelhoren - Melanoides
Slanke knobbelhoren - Melanoides tuberculata
Engels: Red-rim melania
Duits: Turmdeckelschnecke, Nadel-Kronenschnecke

De Slanke knobbelhoorn is een bekende aquariumslak, die als zodanig overal in de Wereld is ingevoerd. Het is een tropische zoetwaterslak die in 1992 voor het eerst in open water in Nederland is gevonden bij een koelwateruitlaat in het Twenthe-kanaal.
De soort is zelf lichtbruin, maar genoemd naar het tropische oost-aziatische genus Melania, dat ten minste één soort met een roetzwart huisje bevat. Melas (Gr.), 2e naamval melana betekent zwart. De uitgang –oides betekent gelijkend op. Tuberculata (Lat.) betekent met knobbeltjes en is afgeleid van tuberculum = knobbeltje, klein gezwel.
De soort behoort tot de familie Thiaridae. Tiara (Lat.) is oorspronkelijk een tulband of muts van de Oosterse volkeren, maar de betekenis is later op de pauselijke hoofdtooi (driekroon) van witte zijde met een drievoudige gouden kroon overgegaan.
De ribben op de schelp hebben aanleiding gegeven tot de naam knobbelhoren.

Knoopjesschelp – Trochus niloticus
Grote tolhoren, Reuzentolhoren, Knoopjesschelp – Trochus niloticus
Engels: Commercial Top Shell, Commercial Trochus
Duits: Riesen-Kreiselschnecke
Frans: Troca nacre, Troca nacré Troca nacrier (nacre = parelmoer)

De dikschalige en grote horen van de Knoopjesschelp of Grote tolhoren wordt veel gebruikt in de knopenindustie. Het is naast Haliotes (Zeeoor) de belangrijkste leverancier van parelmoeren knopen. De knopen worden met een holle boor uit de schelp gezaagd. De soort wordt op verscheidene plaatsen speciaal voor de knopen gekweekt.
Trochos (Grieks) betekent wagenrad, pottenbakkerswiel en trochus (Latijn) betekent hoepel. Niloticus is van Nilus (Lat.), de rivier de Nijl in Egypte.

Knophorentje - Obtusella intersecta
Familie: Rissoidae

Het knophorentje is een klein bol horentje met een stompe top van maximaal 2 mm. De genusnaam obtusella is opgebouwd uit obtusa (lat.) = stomp en de verkleiningsuitgang –ella.
De soortnaam intersecta (lat.) betekent doorsneden, van seco = snijden. Wellicht is een afsplitsing van een ander genus bedoeld.

Knotsslakken – Tergipes en Tenellia
Familie: Tergipedidae
Slanke knotsslak - Tergipes tergipes
Engels: Despised aeolis (despised = veracht)
Duits: Anhängselschnecke (Tergipedidae)

Brakwater-knotsslak - Tenellia adspersa
Brakvandstrådsnegl (tråd = draad)

Sommige Nederlandse namen van zeenaaktslakken hebben een respectabele ouderdom. L. Bomme heeft het in 1773 in zijn “Bericht aangaande verscheiden zonderlinge zee-insecten, gevonden aan de zeewieren, op het strand van ’t eiland Walcheren” al over het Geknodste zeeslakje, waarmee Tergipes tergipes bedoeld is.
Tergipes komt van het Latijnse pes = voet, poot en tergum = rug of achterzijde, dit vanwege de knotsvormige papillen op de rug van het dier.
Tenellus (Lat.) is het verkleinwoord van tener = teer, tenger, maar hier als versterking gebruikt, dus zeer teer of zeer tenger. De soorten van Tenellia zijn klein (T. adspersa tot 7 mm) en tenger.
De kleur van de Brakwater-knotsslak is geelachtig wit, transparant, overdekt met witte, bruine en zwarte vlekjes; adspersa (Lat.) = bestrooid, bespat. De soort komt voornamelijk voor in havens en brakke wateren.

Knotsslakken - Cuthona
Orde: Nudibranchia
Suborde: Aeolidina
Familie Tergipedidae
Gestippelde knotsslak - Cuthona amoena

Zilverblauwe knotsslak - Cuthona concinna

Gestreepte knotsslak - Cuthona foliata
Engels: Olive aeolis

Gorgelpijp-knotsslak - Cuthona gymnota
Engels: Orange-tipped aeolis

Zeerasp-knotsslak - Cuthona nana
Engels: Dwarf aeolis
Frans: Cuthona naine

Mariene weekdiersoorten die tijdens een expeditie voor het eerst zijn ontdekt, worden soms naar de naam van het onderzoeksvaartuig genoemd. Zoals de naaktslak Cuthona sibogae die in 1905 door L.S.R. Bergh is vernoemd naar het schip H. M. Siboga, het beroemde onderzoekschip van de Siboga expeditie dat van 1899 tot 1900 door de Indische wateren voer.
In Nederland komen ook enkele soorten van het genus Cuthona voor. De genusnaam Cuthona is waarschijnlijk afgeleid van cutis (Lat.) of kutos (Gr.) = huid, vanwege de transparante huid van veel soorten. Ook de afleiding van keutho (gr.) = verbergen, verstoppen is mogelijk.
Zeenaaktslakken kunnen zeer fraai zijn zoals blijkt uit de namen van de Gestippelde en Zilverblauwe knotsslak. Amoena (Lat.) betekent namelijk mooi, liefelijk of aangenaam en concinna (Lat.) keurig of elegant. Ook het bijvoeglijke naamwoorden gestippelde, zilverblauwe en gestreepte slaan op het uiterlijk van het dier.
Anders soorten zijn genoemd naar het voedsel dat ze eten. De Gorgelpijp-knotszak is genoemd naar de hydroidpoliep Gorgelpijp (Tubularia larynx) en de Zeerasp-knotsslak naar de hydroidpoliep Ruwe zeerasp (Hydractinia echinata). Gymnota (Gr.) betekent naakt en nana (Lat.) dwerg-achtig.
Vanwege de vele knotsvormige aanhangsels (papillen) op de rug heten de soorten van de familie Tergipedidae knotsslakken. Ook de soortnaam foliata = bladdragend, bebladerd slaat op deze eigenschap.

Knuppelslakken – Eubranchus
Plompe knuppelslak - Eubranchus exiguus
Engels: Minute aeolis
Deens: Almindelig trådsnegl

Bleke knuppelslak - Eubranchus pallidus
Engels: Painted aeolis

Noordelijke knuppelslak - Eubranchus rupium

Gezwollen knuppelslak - Eubranchus farrani

Het voorvoegsel eu- van Eubranchus betekent goed, echt en branchus komt van bragchia (gr.) bij transcriptie naar het Latijn branchia = viskieuwen. De soort behoort tot de naaktkieuwigen, een groep zeenaaktslakken die in tegenstelling tot de Sacoglossa kieuwen bezit. De naam knuppelslakken danken ze aan de vorm van de papillen.

De plompe knuppelslak is genoemd naar de plompe vorm (urnvormig) van de papillen. Het is een relatief kleine slak van 2-7 mm; exiguus (lat.) betekent klein, onaanzienlijk.

Het lichaam van de Bleke knuppelslak is wit tot lichtgrijs; pallidus (lat.) betekent bleek, vaal of geel.

De Noordelijke knuppelslak is genoemd naar zijn Noord-Atlantische verspreidingsgebied. De soortnaam rupium (lat.) betekent van de rotsen, rupes = rots, naar de voorkeur voor harde substraten.

De laatste loot aan het genus Eubranchus vormt de Gezwollen knuppelslak waarvan uit januari 2003 de eerste vondsten uit Nederland bekend zijn (Van Bragt, 2004). De papillen van deze soort zijn gezwollen en transparant. De soortnaam is genoemd naar Dr. Farran uit Dublin, die het typemateriaal van deze soort verzamelde bij Malahide in 1843.

Koffieboontjes - Trivia
De godin Trivia, in het Grieks Hekate is de godin van de onderwereld, van de geesten, de tover- en maangodin. Men vereerde haar op de driesprongen, omdat dat de trefpunten van de geesten zijn. Zij werd met drie hoofden of lichamen afgebeeld. Het Latijnse Trivia komt van tri = drie en via = weg. Het Latijnse trivialis, algemeen, alledaags, gewoon is afgeleid van trivium of driesprong. Waarschijnlijk heeft de genusnaam Trivia met deze laatste betekenis te maken.
Trivia arctica is het Ongevlekt koffieboontje en Trivia monacha het Gevlekt koffieboontje. Koffieboontje (in het Frans Grain de café en Noors Kaffebønne voor deze schelpen) omdat de huisjes op een rimpelig koffieboontje lijken en (on)gevlekt omdat monacha drie vlekken heeft en arctica geen. In het Engels heet de eerste soort Spotted Cowrie en de laatste Unspotted cowrie. De verspreiding valt af te lezen aan de Latijnse naam arctica, de Engelse naam Arctic cowrie, de Duitse naam Arktische Kaurisnecke en de Deense naam Nordlig kauri.
De soorttoevoeging monacha betekent monnik of kluizenaar.

Korfslakken – Truncatellina en Columella
Cylindrische korfslak - Truncatellina cylindrica
Duits: Zylinderwindelschnecke
Frans: Maillot très petit
Deens: Dværgpuppesnegl

Zuidelijke korfslak - Truncatellina callicratis
Duits: Südliche Zylinderwindelschnecke

Ruwe korfslak - Columella aspera
Duits: Rauhe Windelschnecke

Tandloze korfslak - Columella edentula
Duits: Zahnlose Windelschnecke
Frans: Maillot sans dents
Deens: Søjlepuppesnegl (søjle = zuil)

Truncatellina is een verkleinwoord van truncatus (Lat.) is afgeknot. Het verkleinwoord kan betrekking hebben op truncatus (het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen, een beetje afgeknot), maar in dit geval zal het slaan op de kleine afmetingen van de soorten van dit genus. De huisjes hebben een stompe afgeronde top.
De huisjes van de soorten van Truncatellina zijn vrijwel cilindrisch. Cylindrica (Lat.) is afgeleid van cylindrus = cilinder of rol.
De verspreiding van Truncatellina callicratis is hoofdzakelijk Zuid-Europees en om de Middellandse zee. Volgens Kerney en Cannon (bewerking E. Gittenberger) is de soort nooit in Nederland gevonden. Kallos, in samenstellingen kalli- (Gr.) is fraai, schoon, mooi en kratos = kracht. De betekenis van deze soortnaam is onduidelijk. Het laatste deel kan ook afgeleid zijn van krater = mengvat om de wijn met het water te mengen. Het ligt gezien de afmetingen van deze slakjes niet zo voor de hand, dat een naam gebruikt is, die ook de naam is van een vulkaanmond.

Columella is een verkleinwoord van het Latijnse columna = zuil, dus kleine zuil of pilaar, naar de cilindrische of bijna-cilindrische huisjes. Columella is ook een technische term bij de beschrijving van slakkenhuisjes. Het is de verticale spil, waarom heen het huisje is gedraaid.
Columella aspera is zeer duidelijk radiaal gestreept, terwijl Columella edentula fijn radiaal gestreept is; aspera (Lat.) = ruw.
De soortnaam edentula (Lat.) = tandloos, is niet onderscheidend ten opzichte van vorige soort, want beide hebben geen tanden in de mondopening.

Koraalslakken – Coralliophilidae
Nederlands: Koraalslakken, Koraalhorens
Duits: Korallenschnecken
Engels: Coral shells, Coral dwellers, Coral snails
Frans: Gastropodes de coraux

Lila koraalhoren - Coralliophila neritoidea (Lamarck, 1816)
Engels: Purple Coral Snail

Latiaxis deburghiae (Reeve, 1857)
Engels: DeBurgh’s Latiaxis
Frans: Latiaxis Miss De Burgh

Uitwaaierende koraalhoren - Latiaxis pilsbry Hirase, 1908
Engels: Pilsbry’s Latiaxis

Tonvormige koraalhoren - Rapa rapa (Linnaeus, 1758)
Engels : Bubble turnip

De familie van de koraalslakken is genoemd naar het genus Coralliophila. De betekenis van deze naam is “koraal-beminnend” van korallion (gr.) of corallium (lat.) = koraal en philein (gr.) = beminnen.
De schelp van de Lila koraalhoren - Coralliophila neritoidea – heeft een opvallend, glanzende paarslila mondopening. De soortnaam neritiodea betekent gelijkend op Nerita (uitgang –oidea = gelijkend op)

De genusnaam Latiaxis is samengesteld uit latus (lat.) = zijde of kant van een voorwerp en axis = wagenas, wereldas, naar de vele zijwaarts gerichte uitsteeksels op de schelp.

Mrs de Burgh was een zeer bekende vrouwelijke conchylioloog in Engeland met een omvangrijke en waardevolle verzameling. Zo bedroeg in 1869 het aantal 21382 exemplaren. Na haar dood in 1881 erfde haar dochter Eva de Burgh de collectie, die uiteindelijk in het bezit kwam van het Brits Museum (Natural History).

Latiaxis pilsbryi is genoemd naar Henry Augustus Pilsbry (1862-1957) uit Philadelphia (USA), zoöloog die zich bezighield met rankpotigen (Cirripedia) en weekdieren, in het bijzonder met landslakken.

De schelp van Rapa rapa lijkt sprekend op raap (wetenschappelijke naam Brassica rapa). Evenals de Nederlandse naam raap is rapa afgeleid van rapum (lat.) = knol, raap.

Korfslakken - Vertigo
Vertigo angustior Nauwe korfslak
Vertigo antivertigo Dikke korfslak
Vertigo moulinsiana Zegge-korfslak
Vertigo pusilla Kleine korfslak
Vertigo pygmaea Dwergkorfslak
Vertigo substriata Gestreepte korfslak
De zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana) en de nauwe korfslak hebben een bijzonder beschermde status in Nederland. Zij staan niet alleen op de Rode lijst van Nederland maar ook op de bijlage 2 van de Europese habitatrichtlijn als enige weekdiersoorten naast 33 soorten zoogdieren, amfibieën, vissen, geleedpotigen en planten.
De beschermende status van de zeggekorfslak heeft echter niet de aanleg van Rijksweg A73 door het Swalmdal kunnen voorkomen. De zeggekorfslak is een zeer klein slakje met een huisje van maximaal 3 mm groot. De soort komt voornamelijk voor op moeraszegge, vandaar zijn naam zeggekorfslak. Hij leeft van schimmels die parasiteren op moerasplanten. De uitgang -iana van moulinsiana duidt op een persoonsnaam. Waarschijnlijk is het van Des Moulins die in 1832 het genus Malletia, een tweekleppige, beschreef. De Engelse naam en de Franse naam bevatten ook de persoonsnaam: Des Moulins’ Whorl Snail en Maillot des Moulins. De Duitse naam is Bauchige (= buikige) Windelschnecke.
Omdat de huisjes van de soorten van het genus Vertigo gelijkenis met een bijenkorf vertonen, heten ze korfslakken. De genusnaam Vertigo komt uit het Latijn en betekent “het draaien”. Evenals de Nederlandse naam draaihorenslakken en weinig onderscheidende naam voor slakken. In andere talen heten ze whorl snail (Engels), Windelsnecke (Duits) en Maillot (Frans). Maillot is in het Frans de windels waarmee vroeger een baby ingepakt werd. Het huisje heeft wel iets weg van een ingebakerd kind.
De nauwe korfslak (Vertigo angustior) heeft zijn naam te danken aan de nauwe mondopening van het huisje. Zowel de Franse naam vertigo à bouche étroite, de Engelse naam narrow mouthed whorl snail als de Duitse naam Schmale Windelschnecke hebben dezelfde betekenis. Angustior is de vergrotende trap van angustus = smal. Ook het huisje zelf is ten opzichte van de andere soorten erg smal (0,8-1 mm).
Alle korfslakken zijn klein maar bij twee soorten binnen het genus komt dat in de naam tot uitdrukking Vertigo pusilla, kleine korfslak en Vertigo pygmaea dwergkorfslak. Pusilla betekent eveneens nietig, erg klein (Lat.) en pygmaea dwergachtig (Lat.). In andere talen is dat niet het geval. V. pygmaea heet omdat het een vrij algemene soort is in Duitsland Gemeine Windelsnecke en in Engeland Common Whorl Snail. In het Engels heet V. pusilla Wall Whorl Snail omdat de soort vaak onderaan met klimop begroeide muren te vinden is en in het Duits Linksgewundene Windelsnecke omdat de soort evenals V. angustior in tegenstelling tot de andere soorten links gewonden is.
Ook Vertigo antivertigo, waarvan de soortnaam zoiets als tegen-het draaien betekent is toch rechtsgewonden, waarmee de soortnaam onverklaarbaar is. De Nederlandse naam bolle korfslak slaat op de bolle windingen van het huisje. De bolle korfslak is een soort van moerasgebieden, hetgeen blijkt uit de Duitse naam Sumpfwindelsnecke en Marsh Whorl Snail.
Van de gestreepte korfslak (Vertigo substriata) zijn de voorlaatste windingen gestreept. Substriata betekent iets gestreept (Lat.), dit omdat niet het gehele huisje gestreept is. Dit subtiele onderscheid valt weg in de Duitse naam, Gestreifte Windelsnecke en de Engelse naam Striated Whorl Snail.

Korrelslakken - Chondrinidae
Haverkorrel-slak - Chondrina avenacea
Duits: Haferkornschnecke

Korenkorrel-slak Abida secale
Duits: Roggenkornschnecke
Engels: Large Chrysalis Snail
Frans: Maillot seigle (maillot = bakerpak, seigle = rogge)

De twee soorten zijn ooit in Nederland, maar later niet meer teruggevonden, ze kunnen dus vooralsnog niet tot de Nederlandse fauna gerekend worden. Naar de gelijkenis met graankorrels heet deze familie korrelslakken. Chondros (Gr.) is korrel, graankorrel, elke kleine ronde massa. Avenacea (Lat.) = op haver gelijkend (Avena = haver) en secale (Lat.) = rogge.
De geslachtsnaam Abida is de naam van een god bij de Kalmukken, een volksstam uit het Beneden-Wolga gebied. De Kalmukken zijn grotendeels afstammelingen van Mongoolse nomaden die zich hier in de 17de eeuw vestigden. Abida heeft zijn woonplaats in de hemel tegen de opgang van de zon, en daar de zielen van de mensen in het ogenblik, dat zij zich van het lichaam scheiden, tot zich trekt.
Een andere naam voor Abida secale is Pupa secale. Pupa (Lat.) is poppetje, waar de Engelse naam Chrysalis = pop van een insect bij aansluit. De huisjes lijken wel op poppen van insecten.


Kristalslakken - Vitrea
Kristalslak - Vitrea crystallina
Duits: Gemeine Kristallschnecke
Deens: Krystalsnegl

Kleine kristalslak - Vitrea contracta Duits: Weitgenabelte Kristallschnecke
Deens: Lille krystalsnegl

De Gewone kristalslak is kleurloos en doorzichtig en heeft daarom de naam kristalslak. Ook de genus- en soortnaam verwijzen naar die eigenschap, want vitrea komt van vitreus (Lat.) = glasachtig, van glas en crystallina (Lat.) = kristallen.

In het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw is de Kleine kristalslak voor het eerst in Nederland gevonden. De soort is een slagje kleiner dan de vorige soort en heeft derhalve deze Nederlandse naam gekregen.
Al is het huisje wel wat minder doorschijnend dan bij de Gewone kristalslak.
Contracta (Lat.) = smal, samengetrokken en slaat waarschijnlijk op het kleinere formaat.

Kroonslak, Egelslak en Tritonie – Doto, Acanthodoris en Tritionia
Amfritite is één van de oceaniden, dat zijn de dochters van Oceanus en Tethys. Zij was koningin der zee door haar huwelijk met de god Poseidon. Een van haar kinderen was Triton. Een andere oceanide is Doris, zij huwde met de zeegod Nereus die in de Aegeïsche zee rondzwierf. De 50 dochters van dit paar zijn de nereïden. Doto was één van de die nereïden of zeenymphen. Zowel Doto, Doris als Triton hebben model gestaan voor de naamgeving van de zeenaaktslakken.

Doto coronatus is de Roodgevlekte kroonslak of in het Engels Crowned Sea-nymph. Roodgevlekt vanwege de rode of roodbruine vlekken die het lichaam volledig bedekken en kroon- naar de kroon of schede aan de basis van de rhizophoriën (een soort tentakels) op de kop. Coronatus (Lat.) betekent ook gekroond. Het is één van de eerste soorten naaktslakken waarvan de aanwezigheid in Nederland is vastgesteld door Job Baster in 1760.

J. Baster en L. Bomme gaven de slakken prachtige namen, zo heet Acanthodoris pilosa bij de tweede auteur: Het Eegeltje met eene ster op de stuit. Nu heet de soort kortweg Egelslak, Thorny Doris (Engels), Doris épineux (Frans) of Dunet doride (Deens, dunet=donzig). Het zijn dieren met op de rug dichtopeenstaande zachte stekeltjes (vandaar egel) en achterop de rug een krans met geveerde kieuwen (de ster). Pilosa betekent zachtharig en Acantho- komt van het Griekse Akantha dat doorn betekent. Acanthus is ook een doornachtige plant uit Zuid-Europa, waarvan de bladeren veel als versieringsmotief in kapitelen van Korintische zuilen gebruikt zijn.

Tritonia is genoemd naar Triton en is in Nederland vertegenwoordigd door twee soorten Tritonia hombergi en Tritionia plebeia.
De soorttoevoeging hombergi is mogelijk afgeleid van Eugene Homberg die in 1831 met anderen een boek uitgaf over de vissen van Le Havre of van de Duits-Franse apotheker Wilhelm Homberg (1652-1715). De Engelse naam Homberg’s Triton en de Franse naam Tritonie de Homberg eren ook deze persoon. De tweede soort heet in het Engels Common triton hetgeen aansluit bij de wetenschappelijke naam, want het Latijnse plebeia komt van plebs = (volk) en betekent in dit verband gewoon. De Nederlandse namen van T. hombergi en T. pleibeia zijn grote en kleine tritonie, hetgeen correspondeert met de maximale lengte die bij de eerste soort 200 mm bedraagt en bij de tweede 30 mm.

Kruierslakken, Steendragers - Xenophoridae
Engels: Carrier shells
Duits: Trägerschnecken, Lastträger
Frans: Xénophoridés

Xenophoridae is genoemd naar het genus Xenophora. Deze naam is opgebouwd uit xeno van xenos (gr.) = vreemd en phora van phorein (gr.) = dragen. Een zeer opvallend kenmerk van deze groep zijn de steentjes, horentjes, schelpkleppen en andere voorwerpen zie zij op hun schelp meedragen. De dieren metselen deze voorwerpen aan hun schelp vast.
Een Europese soort is de Mediterrane kruierslak - Xenophora crispa die in de Middellandse zee en Atlantische oceaan voorkomt. Crispa (lat.) betekent gekroesd en heeft betrekking op de golvende spiralen.

Leverbotslak - Galba truncatula
De leverbotslak is genoemd naar de leverbot, een parasitaire platworm. De worm heeft de vorm van een bot en komt voor in de lever van schapen en runderen. Deze leverbot (Fasciola hepatica) veroorzaakt leverbotziekte, ook wel ongans genoemd bij bovengenoemde dieren. De leverbotslak is tussengastheer van deze worm. In de Nederlandse naam en Duitse naam Leberegelsnecke is deze relatie vastgelegd (Egel=bloedzuiger).
Omdat de slak gebonden is aan een vochtige omgeving komt deze ziekte vooral voor bij schapen die in vochtige weilanden grazen. Vroeger veroorzaakte deze ziekte aanzienlijke schade aan de veelstapel. In Engeland waar de ziekte ?rot? genoemd wordt, stierven in de winter van 1879-1880 niet minder dan één miljoen schapen. In Engeland heet de slak Dwarf pond snail, waarmee de verwantschap met de gewone poelslak (Lymnaea stagnalis) is aangeduid en het feit dat deze soort beduidend kleiner is. Ook de Franse naam Limnée naine (=dwerg) en de Duitse naam Kleine Sumpfsnecke slaan op de grootte van het dier. De soortnaam truncatula is een verkleinwoord (-ula) van truncatus = afgeknot, dus een beetje afgeknot. Dit is waarschijnlijk opgevat ten opzichte van de gewone poelslak die een veel spitser huisje heeft. Een tweede Franse naam Limnée tronquée sluit hier op aan. Overigens kan ook de mens bij het kauwen op grassprietjes de leverbotziekte = distomatosis oplopen, wat echter zeer zelden voorkomt. Een synoniem van Fasciola hepatica is Distoma hepatica. De genusnaam Galba (Lat.) betekent dikbuik of houtworm of is afgeleid van galbus (Lat.) hetgeen geel betekent. De ronde windingen en de hoornachtige gele kleur van de schelp maken een keuze tussen beide mogelijkheden lastig.

Libera

Libera Garrett, 1881
Familie: Endodontidae

Libera fratercula (Pease, 1867)

Libera is een oud italische godin, vrouw van Liber, later met Proserpina gelijkgesteld.
Libera fratercula is een endemische landslak van Cooks eilanden. Fratercula arctica is de wetenschappelijke naam van de Papegaaiduiker. Fratercula komt van het Latijnse frater = broeder, frater en het dim. –ula, dus fratertje, broedertje. Wellicht duidt de naam een verwantschap met een andere soort aan.

Lierschelpen - Lyria
Engels: Lyre shells
Duits: Leierschnecken

Lyria cumingii Broderip, W.J., 1832
Synoniem: Enaeta cumingii (Broderip, W.J., 1832) Engels: Cuming’s Lyria, Cuming’s Volute

Geruite voluta – Lyria kurodai Kamamurai, 1964
Engels: Kuroda’s Lyria

Het meest uitgebreide boek over de betekenis van wetenschappelijke namen is wel het Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen door dr. C.A. Backer uit 1936. In 2000 verscheen een heruitgave aangevuld met een biografie van Backer (1874-1963).
Ook voor de betekenis van schelpennamen is dit boek van belang. Bijvoorbeeld voor namen afgeleid van personen die zich niet alleen met planten maar ook met schelpen hebben beziggehouden. Hugh Cuming uit Engeland is daarvan een bekend voorbeeld. Hij ontdekte een groot aantal nieuwe schelpensoorten. (bijna 2000 soorten) en in 1866 werd zijn nagelaten schelpencollectie (83.000 soorten) gekocht door het British Museum voor 6000 pound.
Backer schrijft over hem: "… genoemd naar Hugh Cuming (1791, West-Alvington, Devon, Engeland – 1865, Londen), die zich reeds als kind naarstig toelegde op het verzamelen van schelpen en planten, zich in 1819 te Valparaiso (W.kust van Chili); ± 33º Z.B.) vestigde en daar en in het binnenland van Chili zijn verzamelwerk voortzette, waaraan hij zich sedert 1826 geheel wijdde. Hij bouwde er een speciaal jacht voor, waarmede hij de W.kust van Amerika van 44º Z.B tot 13º N.B onderzocht. Over Ecuádor, Columbia, Panamá en Jamaica keerde hij naar Engeland terug. Van 1836-39 verzamelde hij op de Philippijnen: op de terugreis bezocht hij Malaka, Singapore, Sumatra en in 1840 Sint-Heléna. Op de Philippijnen was het zijn gewoonte bij dorpsgeestelijken te gaan logeeren en de schooljeugd op het verzamelen van planten en dieren uittezenden. Hij bracht een plantenverzameling van 130.000 nummers en vele vogels, reptielen en insekten en een van de grootste schelpenverzamelingen ter wereld bijeen."
Lyria cumingii met de Engelse naam Cuming’s Lyria, die voorkomt aan de westkust van Amerika is genoemd naar deze Hugh Cuming.
Lyria kurodai is genoemd naar Tokubei Kuroda (1886-1987) malacoloog uit Japan aan het Geologisch Instituut van de Keizerlijke Universiteit van Kyoto.
De genusnaam Lyria is afgeleid van het Latijnse lyra = lier, naar de ribben en de vorm van de schelp. In analogie met de Duitse en Engelse naam is gekozen voor de Nederlandse naam lierschelpen.

Liphorens, Randslakken - Marginellidae
Duits: Randschnecken
Engels: Marginellas, Margin shells
Frans: Marginelles

Goudomrande liphoren - Marginella cincta Kiener,1834
Engels: Encircled Marginella

Hoge liphoren - Marginella desjardini Marche-Marchad, 1957
Engels : Desjardin's Marginella

De randen van de buitenlippen van de mondopening zijn bij de volwassen dieren gewoonlijk verdikt, vandaar de naam Liphorens of Randslakken. Marginella is afgeleid van het Latijnse margo, 2e naamval marginis = rand of zoom.

De Goudomrande liphoren - Marginella cincta is een gewild verzamelobject. De soortnaam cincta lat.) = omgord, omrand, omringd heeft betrekking op de goudgeel gekleurde rand van de schelp. Een andere naam voor deze soort is Prunum cinctum, prunum (lat.) = pruim.

De Hoge liphoren is een vrij grote schelp van 50 mm. Hij is waarschijnlijk genoemd naar M. Desjardin die in 1949 in het Journal de Conchyliologie de soort Rissoina fischeri beschreef.

Livonia
Livonia Gray, 1855
Familie: Volutidae

Livonia roadnightae (McCoy, 1881)
Engels: Roadnight's Volute

Livonia mammilla (Sowerby, 1844)
Engels: Mammal volute

Ferdinand J.H. von Mueller (1825-1896) vestigde zich in 1847 als apothekersassistent in de Adelaïde in Australië. In 1852 werd hij benoemd tot gouvernementsbotanicus van Victoria. Van hem wordt verhaald dat hij bij voorkeur op klompen liep en nooit een spiegel heeft bezeten. In ieder geval had hij wel oog voor schelpen, want hij was de eerste die een bijzondere schelp ontdekte die in zijn hotel in Gippsland Lakes District als een stop diende om het slaapkamerraam van zijn hotelkamer open te houden. Hij was gevonden op het Ninety mile beach door Mrs Roadnight, de moeder van de hoteleigenaar, naar wie de schelp genoemd is.
Het geslacht Livonia telt slechts twee soorten, de andere soort is Livonia mammilla. De soortnaam mammilla betekent tepel en heeft waarschijnlijk betrekking op de opvallende protoconch of protoschelp.
De genusnaam Livonia is waarschijnlijk genoemd naar een persoon met de achternaam Livon. Livonia is ook een oude geografische naam van Letland en Estland te zamen, maar een relatie met deze geslachstnaam ligt niet voor de hand.

Maskerslak - Isognomostoma isognomostoma
Synoniem: Isognomostoma personatum
Duits: Maskenschnecke
Frans: Hélice grimace (grimace = grimas)

De genusnaam Isognomostoma bestaat uit drie onderdelen isos (gr.) = gelijk, gnoma = kenteken en stoma = mond. De mondopening van volwassen dieren heeft een dikke lip en tanden. Daarmee zijn de eerste twee delen van de naam nog niet verklaard. Een redelijke verklaring luidt als volgt. Het verwante geslacht Chilostoma heeft eveneens een mondopening met een dikke lip, van het Griekse cheilos is lip. Isognomostoma heeft het zelfde kenmerk als Chilostoma in de mondopening.
Van opzij gezien lijkt de Maskerslak wel een beetje op een toneelmasker, door de grote tand in de mondopening en de witte verdikte lip. De soortnaam personatum is afgeleid van persona (lat.), het masker van een toneelspeler.

Melampus

Melampus Montfort, 1810

Melampus coffeus (Linnaeus, 1758)

Melampus (Gr. Melampous) is een Griekse ziener en geneesheer die de gave der voorspelling had gekregen en de taal der dieren verstond, omdat slangen in zijn slaap zijn oren gelikt hadden. Zijn naam betekent zwartvoet. Melampus is ook de naam van één van de honden van Actaeon.

De soortnaam coffeus is afgeleid van de wetenschappelijke naam van de kofiie, Coffea. Een latinisering van het Engelse coffee.

Mijterslakken - Mitridae
Mijterslakken, Mijters, Mijterschelpen – Mitridae
Engels: Mitre shells, Miter shells
Duits: Mitras, Mitraschnecken
Frans: Mitres
Spaans : Mitras

Bisschopsmijter - Mitra mitra
Synoniem : Mitra episcopalis
Engels: Episcopal mitre
Frans: Mitre épiscopale
Duits: Bischofsmütze

Kardinaalsmijter - Mitra cardinalis
Engels : Cardinal mitre
Duits : Kardinalsmitra

Pausmijter - Mitra papalis
Engels : Papal mitre
Duits : Papstmitra

Mitra kamehameha Pilsbry, 1921
Synoniem : Mitra ustulata Reeve, 1844 (ustulata lat. = aangebrand)
Engels: Scorched mitre (scorched = verschroeid)

Mitra hirasei Pilsbry, 1904
Synoniem: Vexillum acupictum (Reeve, 1844) Engels: Pinpricked mitre

Bloedzuigerslak - Vexillum sanguisugum (Linnaeus, 1758)
Engels: Bloodsucker Mitre

Een mijter is het liturgische hoofdsdeksel van bisschoppen, het woord is afgeleid van mitra (lat.), hoofdband, muts of tulband. Vanwege de gelijkenis met dit hoofddeksel heetten de soorten van het genus Mitra mijters of mijterslakken. Het “Rooms katholieke” karakter van deze schelpen komt ook in een aantal soortnamen tot uitdrukking: episcopalis (Chr. Lat) = bisschoppelijk; cardinalis (lat.) = hoofdpersoon, later kardinaal, cardinalis komt van cardo 2e nv cardinis = deurspil, dus alles waar het om draait; de soortnaam papalis komt van papa = bisschop, paus.

Mitra kamehameha is genoemd naar koning Kamehameha I (overleden in 1819), die de Hawaiaanse eilanden in 1910 verenigde en de leiding had over de openstelling van Hawaï naar de rest van de wereld.

Mitra hirasei is genoemd naar Yoichiro Hirase (1859-1925) of naar zijn zoon Shintaro Hirase (1884-1939). Yoichiro Hirase was een Japanse schelpenverzamelaar, die verscheidene nieuwe soorten beschreef. In 1907 richtte hij het tijdschrift The Conchological Magazine op. Ook stichtte hij in 1901 het Conchological Museum in Kyoto, dat hij samen met zijn assistent Tokubei Kuroda (1886-1987) beheerde. Het was mogelijk het eerste schelpenmuseum in zijn soort, maar het opende pas in 1913 en sloot al 6 jaar later. Zijn belangrijkste boek was Kai sen shu, one thousands kinds of shells existing in Japan, dat in 4 delen van 1914 tot 1921 verscheen.

Bij het benoemen van de schelp van Vexillum sanguisugum zag Linnaeus de felrode wondjes voor zich, die sommige bloedzuigende insecten bij hun slachtoffers veroorzaken. Daarom noemde hij de soort sanguisugum, van sanguis (lat.) = bloed en sugo = zuigen. Het geslacht Vexillum ontleent zijn naam aan het Latijnse vexillum = vaandel, standaard, vlag, waarschijnlijk naar de fraaie kleurpatronen van de schelpen.

Modderkruipers, Modderspitshorens – Potamididae
Engels: Mudwhelks, Mud creepers
Duits: Bracknadeln, Brackwasser Schlammsnecken
Frans: Potamides

Telescoophoren – Telescopium telescopium
Engels: Telescop creeper, Telescop snail
Duits: Fernrohrschnecken

De familie Potamididae is genoemd naar het genus Potamides dat alleen fossiele vertegenwoordigers kent. De dieren komen voor in warme, modderige brakke wateren. Daarom is in verschillende namen het onderdeel modder of brak opgenomen. Het voorkomen in modderige riviermondingen heeft geleid tot de naam Potamides, van het Griekse potamos = rivier.
De Telescoophoren heeft een regelmatig lang, kegelvormig huisje en wordt daarom vergeleken met een telescoop of verrekijker. Telescoop komt van het Griekse tèle = ver en skopein = kijken naar.

Moerasslakken - Viviparus
Viviparus viviparus Stompe moerasslak
Viviparus contectus Spitse moerasslak
Het onderscheid tussen beide soorten is het topje van het slakkenhuis dat bij de Spitse moerasslak spits en scherp is en bij de andere stomp. De naam moerasslakken voor deze familie is weinig kenmerkend, omdat beide soorten ook in andere typen wateren voorkomen.
De wetenschappelijke genusnaam Viviparus betekent levendbarend. Preciezer geformuleerd zijn deze slakken eierlevendbarend (ovovivipaar), omdat de eieren in een soort baarmoeder terecht komen en zich daar zelfstandig tot kleine slakjes ontwikkelen. De soorttoevoeging contectus betekent bedekkend, wat is afgeleid van het Latijnse tectum = dak. In het woord tectyleren zit ook de betekenis bedekkend. Naar ik aanneem heeft Millet deze naam gegeven vanwege het dekseltje of operculum. Bij de stompe moerasslak is de soorttoevoeging gelijk aan de genusnaam.
In België zijn ook de Nederlandse namen grote moerasslak (V. contectus) en de kleine moerasslak in gebruik (V. viviparus). Toepasselijke namen gezien de afmetingen van de beide soorten, respectievelijk 30 bij 50 mm en 25 bij 35 mm. Ook de buitenlandse namen geven een aardig beeld van de eigenschappen van beide soorten. De Duitse namen zijn weliswaar lang, maar geven de beste typering van de soorten: Spitze Sumpfdeckelsnecke (V. contectus) en Stumpfe Flussdeckelsnecke (V. viviparus). Behalve het uiterlijk is ook het biotoop in de naam verwerkt. De Stompe moerasslak komt vooral in stromende (fluss!) en onrustige wateren voor, terwijl de Spitse moerasslak een voorkeur heeft voor stilstaand water. In Engeland heten echter beide soorten River snail: Lister's river snail voor V. contectus en Common river snail voor V. viviparus. Martin Lister (1639-1712) was een Engelse verzamelaar en onderzoeker van weekdieren, die onder meer de anatomie van weekdieren bestudeerde. De huisjes van beide soorten zijn bruinachtig groen met over het algemeen drie bruine banden. Deze eigenschap komt naar voren in de Franse naam van de Spitse moerasslak: Paludine fasciée of Paludine à bandes. Ook in een oudere wetenschappelijke naam komt dat tot uitdrukking: Viviparus fasciatus. De Stompe moerasslak heet in het Frans Paludine vivipare of Paludine commune. De Franse namen van planten en dieren zitten vaak heel dicht tegen de wetenschappelijke namen aan. Ook bij deze soorten, want een andere genusnaam voor deze soorten is Paludina, waar het Latijnse woord paludis (2e naamval van palus = moeras) in te herkennen valt.

Mosdierslakken – Polyceridae
Harlekijnslak - Polycera quadrilineata
Duits: Hörnchenschnecke
Deens: Stribet nøgensnegl

Groene mosdierslak - Polycera nothus

Gestippelde mosdierslak - Thecacera pennigera

Omdat de soorten van deze familie mosdiertjes (Bryozoa) eten, heten ze mosdierslakken. De naam Polycera is samengevoegd uit polu (Gr.) = veel en keras = horen. Naar de vingervormige uitsteeksels op de rug en de kop.
Deze uitsteeksels geven de Harlekijnslak het uiterlijk van een harlekijnsmuts met zijn kenmerkende punten. Quadrilineata (Lat.) = met vier lijnen en slaat op de uitsteeksels of op de strepen op het lichaam.
De kleur van Polycera nothus is zeer donkergroen tot geelgroen, vandaar de naam Groene mosdierslak. Nothus betekent onecht of bastaard en slaat op de (onduidelijke) taxonomische positie ten opzichte van verwante soorten.

Theca (Lat.) = doos, foedraal, koker en thècè (Gr.) = bewaarplaats, kist, schede. Bij een aantal soorten van deze familie, zoals bij de Gestippelde mosdierslak, zijn de rhinophoriën (uitsteeksels op de kop) intrekbaar in een opstaande schede. Het tweede deel van de genusnaam -cera komt van keras (Gr.) = horen.
Pennigera (Lat.) betekent met veren, veren dragend en heeft bij deze soort te maken met de kroon van drie tot vijf, twee- of drievoudig geveerde kieuwen. Het lichaam de Gestippelde mosdierslak is min of meer gelijkmatig bezaaid met oranje vlekken en gele en zwarte stippen.

Mosselslurper - Odostomia scalaris
In het boek “Schelpen van de Friese Waddeneilanden” staan 256 weekdieren met een Friese naam. Veel “Fryske nammen” zijn gelijk aan of gelijkend op de Nederlandse naam. Oester, Kokkel, Moksel (Mossel), Waadslakje (Wadslakje), Kofjebeantsje (Koffieboontje), Draaitrep (Wenteltrap) zijn enkele voorbeelden van herkenbare Friese namen.
Dat de Friese naam Mokselsloarper staat voor de Mosselslurper, Odostomia scalaris, zal ook niemand verbazen. De Mosselslurper is een parasiet die leeft tussen de byssusdraden van de mossel. Met zijn uitstulpbare proboscis of zuigslurf voedt hij zich met de lichaamssappen van de gastheer.
Odostomia scalaris is een soort uit de subfamilie Odostomiinae of Tandhorens. Zo genoemd naar het tandje op de binnenlip van de mond. In het Grieks is stoma = mond en odon = tand. Scalaris komt van het Latijnse scalae = ladder of trap. Uitgangen als –aris, -arius en -ius geven een toebehoren aan.

Muiltje - Crepidula fornicata
Nederlands: Muiltje, Slipper, Pantoffelslak, Vrouwenschoentje, Dubbeldekker
Duits: Pantoffelschnecke
Engels: Slipper Limpet
Frans: Crépidule (commune)
Deens: Tøffelsnegl
Zweeds: Toffelsnäcka, Ostronpest
Spaans: Seba

Zeer veel namen van het Muiltje duiden op de schelp in de vorm van een slipper of muiltje. Crepida is in het Latijn sandaal en Crepidula sandaaltje. Fornicata (Lat.) betekent sterk gewelfd.
Het Muiltje werd omstreeks 1880 per ongeluk ingevoerd langs de kust van Groot-Brittanië met oesters afkomstig van de Noordamerikaanse Oostkust. In 1911 werden de eerste dieren langs de Belgische kust gevonden. Sinds 1924 (andere bron 1929) komt de soort langs de Nederlandse kust voor en in 1934 op enkele plaatsen langs de Duitse en Deense kust. De soort is een voedsel- en ruimteconcurrent van de oester en wordt daarom in het Zweeds ‘oesterpest’ genoemd.
De dieren leven vaak met veel exemplaren bovenop elkaar, vandaar de populaire naam Dubbeldekker.

Muskaatnootslakken – Cancellaridae
Muskaatnootslakken, Nootmuskaathorens – Cancellaridae
Engels: Nutmeg shells
Duits: Muskatnussschnecken, Gitterschnecken

Gewone nootmuskaathoren - Cancellaria reticulata
Engels: Common Nutmeg

Gebandeerde nootmuskaathoren - Scalptia mercadoi (Old, 1968)
Engels: Mercado’s Nutmeg

Nootmuskaat, een specerij, is de kern van de vrucht van de Muskaatboom Myristica aromatica. De muskaatnootslakken lijken wel een beetje op muskaatnoten met hun geribbelde uiterlijk. De wetenschappelijke naam Cancellatus betekent getralied en is afgeleid cancelli (lat.) = traliewerk, hek. Genoemd naar de schelpen met een traliewerksculptuur.
De soortnaam reticulata (lat.) komt vaker voor bij schelpensoorten en betekent netachtig, met een net.
Mercado betekent in het Spaans markt, maar is ook een Spaanse achternaam. Mercadoi zal afgeleid zijn van een deze achternaam, maar nadere bijzonderheden over hem of haar zijn niet bekend.
De genusnaam Scalptia is hoogstwaarschijnlijk afgeleid van scalpo, voltooid deelwoord scalptum (lat.) = in steen beitelen, in hout snijden. Scalpo heeft dezelfde betekenis als sculpo, sculptum (lat.), waarvan sculptuur is afgeleid.

Gegroefde naaldslak - Acicula fusca
Duits: Braune Nadelschnecke

Acicula (Lat.), van acus = naald, betekent naaldje. De naam is ook als soortnaam in gebruik, bijvoorbeeld Cecilioides acicula, het Blindslakje. Wellicht dat andere vertegenwoordigers van de familie van de Naaldslakken (Aciculidae), echte naaldvormige huisjes hebben, maar deze soort met zijn cylindrische vorm en stompe top in ieder geval niet.
Het gegroefde slaat op de ingekraste, wijd uiteenstaande radiaallijnen. De soortnaam fusca (Lat.) = donkerbruin, heeft betrekking op de hoornbruine, glanzende huisjes.

Naaldvormige glasvleugelslak - Creseis virgula
Familie: Cavolinidae
Engels: Straight-needle pteropod

Creseis virgula heeft een naaldvormig, glasachtige uitwendige schelp en een paar vleugelachtige mantellobben die bij het zwemmen gebruikt worden. Daarmee is de gehele Nederlandse naam verklaard.
Virgula (lat.), dat takje of stokje betekent, heeft betrekking op het naaldvormige huisje. De betekenis van de genusnaam Creseis is mij onbekend. Het kan zijn afgeleid van Creusa, dochter van Oceanus en Gaea of van Cres (lat., gr. Crèsios) = van het eiland Kreta. Muniz Solis noemt een Griekse vrouwennaam als bron voor deze genusnaam.

Napslakken - Emarginula en Puncturella
Geruite napslak - Emarginula fissura
Duits: Ausschnittschnecke
Engels: Common slit limpet
Deens: Slidset albueskæl

Roze napslak - Emarginula rosea
Engels: Channel Island slit limpet, Rosy slit limpet

Doorboorde napslak – Puncturella noachina
Engels: Punctured capshell, Noha's keyhole limpet
Frans : Fissurelle de Noah
Deens: Hulisse

Naar de mutsvormige schelpen heten de soorten van het genus Emarginula en Puncturella napslakken. Bij het eerste genus zit er in de rand een spleetvormige opening, bij de tweede soort daarentegen, de Doorboorde napslak zit voor de gebogen top een smalle spleetvormige opening.
Emarginula is een samenstelling van e- (Lat.) = uit, margo, 2e nv marginis = rand en de verkleiningsuitgang –ula (Volgens Hansson is de uitgang –ula van het Griekse oulè = litteken). Hiermee is de spleetvormige opening in de rand bedoeld. Ook fissura (Lat.) betekent spleet of gespleten. Het oppervlak van de schelp van E. fissura heeft een traliewerksculptuur, vandaar de naam Geruite napslak. De schelpen van E. rosea zijn soms zwak roze van kleur; rosea (Lat.) = rozenrood of roze.
Puncturella is afgeleid van punctum (Lat.) = steek (vergelijk punctuur en punctie) of punt en het dim. suffix –ella, waarmee de spleetvormige opening aangeduid is.
In het woordenboek van voornamen staat Noachina als vrouwelijke vorm van de naam Noach. Omdat de soort voor het eerst als fossiel is beschreven is het een aannemelijker verklaring, dat de naam te maken heeft met de zondvloed ten tijde van Noach. De zondvloed (= grote vloed) die volgens sommigen het voorkomen van fossielen verklaart.

Nesophila baldwini
Familie: Endodontidae

De fauna van Hawaï is zeer rijk aan endemische landslakken, meer dan 750 endemische slakkensoorten zijn beschreven. Veel van deze rijkdom is inmiddels verloren gegaan, ongeveer 71% van de 1.263 uit historische tijden beschreven slakkensoorten komen niet meer op Hawaï voor.
De groep van de landslakken heeft overigens de dubieuze eer, de taxonomische groep te zijn met wereldwijd het hoogste aantal gedocumenteerde uitgestorven soorten.

Nesophila baldwini is een endemische soort die nog op Hawaï voorkomt. De genusnaam is samengesteld uit neso van nesos (gr.) = eiland en phila van philein = beminnen, houden van.
De soortnaam is genoemd naar David Dwight Baldwin. Hij werd geboren in Honolulu in 1831 en stierf in 1912. Hij is begraven op de begraafplaats in Makawao, Maui. Baldwin begon rond 1873 met het verzamelen van slakken. Tijdens zijn leven werd hij een autoriteit op het gebied van landslakken en bezat een van de meest bijzondere collecties van de Verenigde Staten. Onder Baldwin's medeverzamelaars waren vele bekende natuuronderzoekers van Hawaï: John T. Gulick, William Harper Pease, Andrew Garrett, en John & Oliver Emerson.

Noordhorens - Fusinus, Colus en Neptunea
Spinrokken (Lat. colus; Engels distaff) is een stok waarop wol of vlas gestoken wordt bij het spinnen met de hand. De spinster vormde uit deze bol wol een draad met behulp van een spinstokje (Lat. fusus; Engels spindle). De schelp Fusinus colus, Langgerekte kanaalhoren heet in het Engels Distaff Spindle of Distaff Spindle Shell uit de familie Fasciolariidae. Deze familie heet in het Nederlands Tulphorens,in het Engels Spindle Shells en in het Duits Spindelsnecken.
Colus is echter niet alleen een soorttoevoeging bij een genusnaam, maar ook de naam van een zelfstandig genus binnen de familie van Wulken en Noordhorens (Buccinidae). Van het genus Colus komen in Nederland, al dan niet fossiel drie soorten voor:
Colus gracilis, Slanke noordhoren, Slender Colus of Common Spindle (Eng.), Slank tensnegl (Deens, ten=spil);
Colus islandicus, IJslandse slanke noordhoren, Iceland Whelk (Eng.) en
Colus jeffreysianus, Gezwollen slanke noordhoren, Jeffreys’ Spindle (Eng.) en Håret tensnegl (Deens, håret=harig).
De laatste soort is genoemd naar de Engelsman John Gwyn Jeffreys (1809-1885) die zelf ook een soort uit dit genus beschreef: Colus curtus (Jeffreys, 1865). Andere namen van de soort beschrijven de vorm van de schelp: gracilis (Lat.= slank of sierlijk), slank, gezwollen of de verspreiding (islandicus, IJslandse en Iceland).
De Nederlandse naam Slanke noordhoren geeft de verwantschap met de Gewone noordhoren, Neptunea antiqua weer en de Engelse naam Iceland Whelk met de Wulk (Buccinum).
De buitenlandse naam van Neptunea antiqua zijn Buckie of Red Whelk (Eng.), Spindelschnecke of Gemeines Neptunshorn (Duits) en in het Deens Rød konk (vergelijk kinkhoren) of Neptunsnegl.
Ook in deze namen komt de spindle of Spindel terug. De naam Neptunea is afgeleid van de zeegod Neptunus en antiqua betekent oud. De laatste mogelijk naar aanleiding van het verweerde uiterlijk van oude of fossiele exemplaren. De soms lichtbruine kleur van de schelp heeft aanleiding gegeven tot Red Whelk en Rød konk.

Oeverloofslak - Pseudotrichia rubiginosa
Duits: Uferlaubschnecke

De Oeverloofslak komt vooral voor op zeer vochtige plaatsen langs de rivieren in struikgewas en loofbomen.
Pseudotrichia = “schijn Trichia” is naar het genus Trichia – haarslakken genoemd, omdat het gehele oppervlak van het huisje bedekt is met fijne haartjes.
De soortnaam rubiginosa (lat.) = roestig, roestkleurig heeft betrekking op de grijsbruine kleur van het huisje.

Olijfslakken - Olividae
Olijfslakken, Olijfhorens – Olividae
Engels: Olive shells
Duits: Olivenschnecken
Frans: Olives

Tent-olijfhoren - Oliva porphyria (Linnaeus, 1758)
Engels: Tent Olive, Camp Olive
Frans: Olive bistre
(bistre = bister, roetbruin)
Opgeblazen olijfhoren - Oliva bulbosa (Röding, 1798)
Engels: Inflated Olive

Heldergebandeerde olijfhoren - Oliva carneola (Gmelin, 1791)
Engels: Carnelian Olive

Oliva vidua (Röding, 1798)
Engels: Black olive
Synoniem: Oliva sepulturalis Lamarck, 1810
(= Oliva (Oliva) vidua sepulturalis)

Het genus Olivia Bruguière, 1789 is naar de gelijkenis met olijven genoemd naar het Latijnse oliva.
Het genus bevat een groot aantal soorten, drie bekende soorten zijn Oliva porphyria, O. bulbosa en O. carneola. De naam Porphyria komt evenals porfier, een steensoort van porphura (gr.) = purperslak, purper; bulbosa (lat.) komt van bulbus = bol en carneola is een verkleinwoord van carneus (lat.) = vleeskleurig.
Rumphius heeft in zijn “Amboinsche rariteitkamer” vele schelpen van Nederlandse namen voorzien, sommige namen waren al in omloop bij schelpenverzamelaars, andere zijn geheel nieuw. Een van de aardigste van zijn namen is wel Prinse begraaffenis. Rumphius beschrijft de tekening op de schelp als volgt: “Zwarte plekken en streepen, die in ordre staan, en niet qualyk een sleep of statie van mannen verbeelden, die met lange mantels een lyk volgen, waarom ze in ’t gemeen Sepulturae of Prinse begraaffenis genoemt worden.”.
Waarschijnlijk betreft het hier de soort Oliva sepulturalis, die als geldige naam Oliva vidua heeft. Sepultura betekent in het Latijn begrafenis. De soortnaam vidua betekent weduwe.

Oorslakken - Ellobiidae
Wit muizenoortje - Auriculinella erosa
Engels: Two-toothed white snail

Muizenoortje - Ovatella myosotis
Engels: Mouse-eared snail, Mouse-eared alexia
Duits: Mäuseörchen
Deens: Museøre

Meertandig muizenoortje - Ovatella denticulata

Bij een muzikale wedstrijd tussen Apollo en Pan stelde de Phrygische koning Midas, die als scheidsrechter gekozen was, het fluitspel van Pan boven het citerspel van Apollo. Vanwege dit oordeel gaf Apollo hem ezelsoren die hij echter onder zijn Phrygische muts zorgvuldig verborgen hield. De slakkensoort Midasoor, Ellobium aurismidae herinnert aan dit voorval. Aurismidae komt van auris (Lat.) = oor en Midae = van Midas. De soorten uit de familie Oorslakken lijken wel wat op oortjes. De familie Ellobiidae is genoemd naar het genus Ellobium. Met ellobos (gr.) = hauw, ellobion = oorring en lobos = oorlel, zit je voor de Oorslakken dicht bij de betekenis, maar de laatste schakel ontbreekt.
Naar de gelijkenis met een muizenoor heten de soorten uit het geslacht Auriculinella en Ovatella muizenoortjes. Auriculinella komt van auricula (Lat.) oortje en de verkleiningsuitgang –ella. Ovatella komt van ovata (Lat. eiriond, van ovum = ei) en slaat op de vorm van het huisje.
Erosa (Lat.) heeft dezelfde betekenis als het Nederlandse erosie: weggevreten, uitgeknaagd. Mogelijk heeft de auteur hiermee uitgedrukt dat bij het beschreven witte exemplaar de bruingele opperhuid is afgesleten. De huidige naam is Auriculinella bidentata; bidentata (Lat.) = tweetandig, naar de twee tandvormige plooien op de binnenlip.
Myosotis betekent muizenoor, van mus Gr. = muis en ous 2e nv. otis = oor.
Het meertandig muizenoortje heeft aan beide zijden in de mondopening een aantal tandjes; denticulata (Lat.) = getand.

Opgerolde tandslak - Helicodonta obvoluta
Engels: Cheese snail
Duits: Riemenschnecke

Het huisje van de Opgerolde tandslak is een vrijwel vlak huisje, de top is zelfs een beetje ingezonken. Het lijkt een beetje op een opgerold riempje (Riemenschnecken!). Obvoluta (lat.) betekent ook opgerold.
De mondrand heeft op twee plaatsen een inbochting en vormt zo twee tanden. De genusnaam beschrijft ook die eigenschap: helix (slak) plus odous, odontos (gr.) = tand.

Opgezwollen brakwaterhoren - Ventrosia ventrosa
Synoniem: Hydrobia ventrosa
Engels: Swollen spire shell
Duits: Brackwasserschnecke
Frans: Hydrobie ventrue
Deens: Buttet dyndsnegl

De opgezwollen barkwaterhoren is familie van het wadslakje en wordt ook wel in hetzelfde genus Hydrobia ondergebracht. Het heeft een torenvormig horentje met zeer bolle windingen, dat de naam opgezwollen verklaart. De dieren leven vooral in brakwater op planten of slik.
De genusnaam Ventrosia is afgeleid van ventrosa (Lat.) = dikbuikig, wat ook de soorttoevoeging is. Ventrosa is afgeleid van het Latijnse venter = buik.

Osteopelta
Osteopelta B.A. Marshall, 1987
Osteopelta mirabilis B.A. Marshall, 1987
Osteopelta ceticola A. Warén, 1989
Osteopelta praeceps B.A. Marshall, 1994

Bruce A. Marshall van Te Papa was de ontdekker van een nieuwe familie Osteopeltidae en een nieuw genus en soort: Osteopelta mirabilis. Het bijzondere van deze diepzeesoort is, dat hij leeft op de botten van walviskarkassen. Het is een soort schaalhoren; de genusnaam Osteopelta is een samenvoeging van osteon (gr.) = been, bot en pelta (lat.) = schild. De soortnaam mirabilis (lat.) = wonderbaarlijk zal slaan op deze bijzondere eerste vondst.
De tweede soort uit de wateren rond IJsland heeft de soortnaam ceticola, van cetus (lat.) = walvis en –cola = bewonend.
De soortnaam praeceps (lat.) betekent hals over kop, ijlings, steil. De betekenis voor deze soort is niet bekend.

Oubliehorens - Retusa
Oubliehoren - Retusa obtusa
Engels: Blunt bubble shell
Duits: Gestutzte Kopfschildschnecke
Deens: But retusasnegl

Geknotte oubliehoren - Retusa truncatula
Duits: Abgestutzte Kopfschildschnecke

Een oublie of oblie is een dun wafeltje dat je gemakkelijk tot een horentje kunt oprollen: een oblie- of oubliehorentje. Het woord is afgeleid van het Latijnse oblatus = dat wat geofferd is, in Middeleeuws Latijn de nog niet gewijde hostie. De schelpjes van Retusa lijken wel wat op een opgerold wafeltje. De laatste winding is relatief groot en omsluit vrijwel het gehele horentje, de top steekt er nauwelijks bovenuit, vandaar de soortnaam obtusa (lat.) = stomp.
Bij de tweede soort, de geknotte oublie heeft een nog vlakkere laatste winding, waarbij de top helemaal onzichtbaar is. De soortnaam truncatula (lat.) betekent afgeknot (ula- = diminitief).
De genusnaam Retusa (lat.) betekent stomp, van het werkwoord retundo = afstompen

Paardenhoefhorens - Hipponicidae
Hipponicidae Troschel, 1861 – Paardenhoefhorens
Engels: Hoof shells
Duits: Hufschnecken

Hipponix Defrance, 1819
Amalthaea Schumacher, 1817

Paardenhoefhorens zijn muts- of kapvormige horentjes met een naar achteren gebogen top en aan de binnenzijde een hoefijzervormig spierindruksel.
De genusnaam Hipponix bestaat uit twee gedeelten, waarvan het eerste is afgeleid van hippos (gr.) = paard en het tweede van onyx (gr.) = nagel of klauw.
De genusnaam Amalthaea komt van Amalthaia, de geit die Zeus op Kreta zoogde. Ze werd in een ster (Capella) veranderd. Uit de afgebroken hoorn schiep Zeus de hoorn des overvloeds (cornu copiae). Het huisje van de soorten kan wel voor een miniatuur van deze hoorn doorgaan.

Pagodehorens, Pagodeslakken – Columbarium
Duits: Pagodensnecken
Engels: Pagoda shells

Een columbarium is een grafkelder met een aantal nissen voor urnen. Dit is niet de betekenis waarnaar de geslachtsnaam van de Pagodeslakken verwijst. De wetenschappelijke naam Columbarium verwijst naar de oorspronkelijke betekenis in het Latijn: duiventil. De schelpen lijken niet alleen op duiventillen maar ook op pagoden. Een gelijkenis die in de Nederlandse, Engels en Duitse naam is overgenomen.

Papuina

Papuina von Martens 1860

Papuina admiralitatis Rensch, 1931
Engels: Admiralty Papuina

Papuina adonis (Angas, 1869)
Engels: Adonis Papuina

Papuina hermione (Angas, 1869)
Engels: Hermione Papuina

Papuina novaegeorgensis Rensch, 1934
Engels: Chalky Papuina

Papuina vexillaris (Pfeiffer, 1855)
Engels: Flag Papuina

Het genus Papuina is genoemd naar de Papoea’s, bewoners van Nieuw Guinea.

De soortnaam admiralitatis is genoemd naar de Admiralty Eilanden, ten noorden van Nieuw Guinea en novaegeorgensis naar New Georgia (Solomon Eilanden).

De soortnaam vexillaris is van vexillum (lat.) = vaandel, standaard, vlag.

Adonis is de zoon van de koning van Cinyras van Cyprus. Aphordiet werd op Adonis verliefd vanwege zijn schoonheid. Hij werd echter op jacht door een everzwijn gedood. Uit zijn bloed liet Aphrodite een bloem ontspruiten.

Hermione is de dochter van Menalaüs en Helena. Vóór de Trojaanse oorlog was ze met Orestes verloofd, later huwde haar vader haar uit aan Neoptolemus, de zoon van Achilles.

Parapluslakken - Umbraculidae

Umbraculidae Dall, 1889 - Parapluslakken
Engels: Umbrella Shells
Duits: Schirmschnecken


Umbraculum Schumacher, 1817

Umbraculum umbraculum (Lightfoot, 1786) – Grote parapluslak
Umbraculum mediterraneum (Lamarck, 1819)

Het genus Umbraculum is genoemd naar de vorm van de schelp. Umbraculum (lat.) betekent beschaduwde plaats, prieel, zonnescherm van het Latijnse umbra = schaduw. Dus eigenlijk parasol-slakken, vanwege de parasolvorm van de schelp.
In het Nederlandse heten ze echter parapluslakken, waarschijnlijk een vertaling van het Engelse Umbrella shells.
In de Middellandse zee komt de soort Umbraculum mediterraneum voor, zoals de soortnaam ook aangeeft.

Polynesische boomslakken – Partulidae
Engels: Pacific Tree Snails
Duits: Polynesische Baumschnecken

Partula Férussac, 1821
Partula turgida

Samoana J.D.W. Hartman, 1885
Samoana fragilis
Engels: Fragile tree snail

Eua
Eua zebrina (Gould, 1847)
Engels: Tutuila tree snail

De familie Partulidae, waartoe naast Partula ook de genera Samoana en Eua behoren, telt ongeveer 120 soorten op verscheidene eilanden in de Westelijke Pacific, van de Palau eilanden en de Marianen tot Marquesas eilanden en de Genootschaps eilanden (Society Islands). Partula turgida was een endemische soort van het Society Island Raiatea. De introductie op het eiland van de predatorslak Euglandina rosea om de Afrikaanse reuzenslak te bestrijden liep op een mislukking uit, omdat niet de beoogde soort maar juist de inheemse boomslakken, gegeten werden. Om de soort Partula turgida te redden vingen Paul Pearce-Kelly en zijn collega’s van de Zoological Society of London in 1987 de laatste exemplaren van de soort in het wild en trachten deze te redden met een speciaal kweekprogramma. Het heeft niet mogen baten, op 1 januari 1996, om 5 uur 30 namiddag stierf in de dierentuin van Londen het laatste exemplaar van Partula turgida ten gevolge van een infectieziekte; in de Times verscheen een In Memoriam.
In de Romeinse mythologie is Partula (ook Parca genoemd) de godin van de geboorte. Het genus Partula is zo genoemd, omdat de soorten ovovivipaar zijn, dat wil zeggen dat de eitjes in het slakkenlichaam uitkomen en dat ze als kleine slakjes ter wereld komen.

Eua zebrina, de Tutuila boomslak is endemisch voor Samoa en speciaal voor het eiland Tutuila en een klein eiland Nu'usetoga. Eua is een eiland van Tonga in de Grote Oceaan. Waarschijnlijk is het genus beschreven aan de hand van een soort van dit eiland. De soortnaam zebrina is afgeleid van zebra, een Portugees woord. De naam heeft betrekking op het gestreepte uiterlijk van de schelp.

Samoana fragilis leeft op Rota en Guam van de Noordelijke Marianen. Het is een bedreigde soort, de grootte van de populatie wordt op minder dan 300 exemplaren geschat. Het genus Samoana is genoemd naar de eilandengroep Samoa. De soortnaam fragilis (lat.) betekent breekbaar, broos.

Pelikaansvoet - Apporhais pespelicani
Een onmiskenbaar onderdeel van de schelp van de pelikaansvoet is de breed uitwaaierende, van uitsteeksels voorziene, mondopening. Deze ongewone vorm van de schelp heeft een functie bij het zoeken naar voedsel. Met dit getande onderdeel van de schelp doorploegt het dier zand- en modderbodems op zoek naar voedsel. Dat de naamgeving van deze soort zich vrijwel uitsluitend op dit bijzondere kenmerk gericht heeft, is niet verwonderlijk. Om te beginnen de wetenschappelijke soortnaam pespelicani. Deze is gevormd uit het Latijnse pes = voet en pelicanus = pelikaan, wat stamt uit het Griekse pelecan. Dit vanwege de gelijkenis met de voet van een pelikaan. In andere talen duiden de namen allemaal op bovenstaand kenmerk: Pied de pélican (Fr.), Pelican’s foot shell (Eng.), Pelikanfuss (Dld.) en Pie of Pata de pélicano (Sp.)
Oudere Nederlandse namen als ganzevoet, duivelsklauwtje, vijfvingertje, vogelpootje en vleermuisvleugel hebben dezelfde eigenschap op het oog.
De verklaring van Apporhais is iets onzekerder. Apporaio betekent in het Grieks ontrukken. Dit zal wel te maken hebben met de uitgegroeide mondrand. Bob Entrop in zijn hoofdstuk “Betekenis van de Latijnse namen en hun beklemtoning” in het aardige boekje “Schelpen vinden en herkennen” verklaart dit als volgt: aporrhaio (Gr.) = losscheuren; “gescheurde” voet? Grappig in dit verband is dat een kromme tang om tanden te trekken ook pelikaan heet.

Penhoren - Turritella communis
In het Strandboekje van Heinsius en Jaspers uit 1913 heet de soort Turritella communis Penhoren of Torentje naar de vorm van het slakkenhuis. Sowerby in zijn boek Shells of the world geeft als verklaring voor de wetenschappelijke genusnaam: a little tower. Het achtervoegsel –ella is inderdaad een verkleinwoord en het eerste deel is waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse turritus = van een een toren voorzien (turris = toren). Ook de Duitse naam Gemeine Turmschnecke, Franse naam Turritelle commune en de Deense naam Tårnsnegl hebben iets met toren. Communis (Lat.) betekent gewoon in de betekenis van veel voorkomend.
De Engelse naam is Screw Shell (screw = schroef) of Auger. Auger betekent boor en is nauw verwant als het Nederlandse avegaar (= grote boor).

Personidae - Stoorhorens
Engels: Distorsios, Distorted Whelks

Gewone stoorhoren - Distorsio anus (Linnaeus, 1758)
Engels: Common Distorsio, Old lady, Old lady shell, Old woman

De familie Personidae is genoemd naar de genusnaam Persona Montfort, 1810. Deze naam is synoniem met Distorsio Roeding, 1798. Persona (lat.) betekent (toneel)masker.
De geneeskundige term distorsio betekent verstuiking. Het Latijnse werkwoord distorqueo (distorsi, distortum) betekent verdraaien, verwringen; Distortus betekent verdraaid, mismaakt. Het slaat op de grillige vorm van de schelp (Eng. distorted = verdraaid, vervormd). Anus (lat.) betekent niet alleen aars, maar ook oude vrouw. De vele “rimpels” van de schelp gaven deze naam en de Engelse namen, zoals Old lady shell.

Phrygische muts - Ancylus fluviatilis
De phrygische (ook frygische) muts is een rode kegelvormige muts met naar voren omgebogen punt. Phrygië was gelegen in Klein Azië. De muts van de Phrygiers duidde de Grieken erop dat ze te maken hadden met vreemdelingen uit een andere wereld: vreemdelingen die niet waren gebonden aan dezelfde wetten en die symbool stonden voor verandering.
Later kreeg de Phrygische muts de betekenis van vrijheidshoed (pileus libertatis) bij de Romeinen. Slaven die werden vrijgelaten kregen de muts zo gauw ze tot Romeins burger werden benoemd. Daarmee werd de muts het symbool van de vrijheid.
De Phrygische muts (bonnet rouge, bonnet phrygien of bonnet liberté) is vooral bekend geworden sinds de Jacobijnen haar tijdens de Franse revolutie als symbool aannamen en ook Marianne de Franse maagd daarmee wordt afgebeeld
Het zoetwaterslakje Ancylus fluviatilis heeft een mutsvormig huisje met een gebogen top en heeft daarom de naam Phrygische muts gekregen. De officiële Nederlandse naam is Ronde beekmuts. Het is een soort van zuurstofrijk water en komt daarom voor op stenen in beken, rivieren en aan golfslag blootgestelde oevers van meren en kanalen. De Engelse namen River limpet en Freshwater limpet en de Duitse naam Flussnapfsnecke (Fluss = rivier) hebben ook het biotoop als bron voor de naamgeving. Limpet is de Engelse naam voor de soorten van het mariene geslacht Patella = schaalhoren.
Fluvius betekent in het Latijn rivier of stroom en de uitgang –atilis behorend tot; de vertaling van de wetenschappelijke soortnaam fluviatilis (Lat.) is dus "van rivieren" of "rivieren bewonend". Ancylus komt van het Griekse angkulos = gekromd of gebogen en slaat op de gebogen top van het huisje.

Planaxidae
Engels: Clusterwinks, Planaxis shells
Duits: Flachspindelschnecke

Quoyia decollata
Engels: Decollate Planaxis, Decollated clusterwink

De betekenis van de genusnaam Quoyia is gemakkelijk af te leiden van een postzegel van een van Terres Australes et Antartiques Françaises uit 1990. Op deze postzegel staat zowel de soort Quoyia decollata als een portret van de onderzoeker waarnaar het genus vernoemd Jean René Constant Quoy (1790–1869) afgebeeld.
Hij was een Franse zoöloog, die samen met Joseph Paul Gaimard aan boord was van het onderzoekschip La Coquille onder leiding van Louis Isidore Duperrey gedurende zijn reis om de aarde (1822-1825) en aan boord van de Astrolabe (1826-1829) op de Stille Oceaan onder commando van Jules Dumont d'Urville. De familienaam is afgeleid van het genus Planaxis. Deze naam is afgeleid van planus (lat.) = vlak en axis = (wagen)as. Het slaat waarschijnlijk op de zeer vlakke windingen van de soorten.
Decollata beduidt onthalsd, onthoofd van collus (lat.) = hals of nek.


Platte cirkelhoren - Circulus striatus
Familie: Cirkelhorens - Adeorbidae

De windingen van het huisje van de Platte cirkelhoren liggen plat over elkaar heen, zodat een plat rond schijfje ontstaat. De genusnaam Circulus (lat.), een verkleinwoord van circus = renbaan, betekent kring of circelvormig lichaam.
De windingen hebben enkele krachtige spiraalribben, vandaar striatus (lat.) = geribd, stria = gleuf, sleuf of geul.
De familienaam Adeorbidae is afgeleid van het genus Adeorbis. Adeorbis betekent adeo (lat.), in die mate, zo zeer en orbis = kring of circel; gecombineerd: vrijwel een circel.


Plooislakken – Goniodorididae
Bruine plooislak - Goniodoris castanea
Bleke plooislak - Goniodoris nodosa
Engels: Angled Doris

Oranje plooislak - Ancula gibbosa
Engels: Crested Slug

De naam plooislakken heeft betrekking op de plooivormige mantelrand en de plooi midden op de rug van enkele vertegenwoordigers. Goniodoris is een samenvoeging van gonio en de genusnaam Doris (zie Acanthodoris ). Het eerste deel van de naam van het vak goniometrie, hoekmeetkunde, komt van het Griekse gonia = hoek. Mogelijk dat de naam betrekking heeft op de min of meer driehoekige vorm van de soorten.
De kleur van de Bruine plooislak is roodbruin; castanea (Lat.) staat voor kastanjebruin. De Bleke plooislak is wit tot vrijwel kleurloos. Nodosa (Lat.) betekent knopig, hobbelig en slaat waarschijnlijk op de knobbels op de rug.

De Oranje plooislak is een zeenaaktslak met uitsteeksels met oranje, gele of witte uiteinden. De soorttoevoeging gibbosa (Lat.) betekent gebocheld, waarmee waarschijnlijk de uitsteeksels midden op de rug bedoeld zijn.
Ancula zal wel gezien de verwantschap met Goniodoris afgeleid zijn van het Latijnse angulus = hoek of het Griekse angulos (agkulos) = krom, gekromd.

Pluimdragers - Valvatidae
Vijverpluimdrager - Valvata piscinalis
Engels: Common valve-shell
Duits: Gemeine Federkiemenschnecke
Frans: Valvée piscinale

Platte pluimdrager - Valvata cristata
Engels: Flat valve-shell
Duits: Flache Federkiemenschnecke

Grootmondpluimdrager, Fraaie pluimdrager - Valvata macrostoma
Duits: Sumpf-Federkiemenschnecke

Valvata salebrosa (uitgestorven soort)

De kieuw van de pluimdragers is uitwendig en steekt bij kruipende dieren als een pluim of veer uit de schelp. Valvata komt van valva of valve (Lat.) = klep of blad. Valvae = dubbele deur of vleugeldeuren.Vergelijk Bivalvia = tweekleppigen. De genusnaam heeft ook betrekking op de uitwendige kieuwen van het dier.

De Vijverpluimdrager is één van de meest algemene zoetwatermollusken. Ze leven op de bodem van stilstaand of zwak stromend water, dus ook in vijvers. Piscina (Lat.) = (vis)vijver, het is afgeleid van pisces (Lat.) = vis. De soort heeft een kegelvormige schelp, in tegen stelling tot die van de Platte pluimdrager die schijfvormig en plat is. Cristata (Lat.) = met een kam of een helmbos voorzien, dat ook op de veervormige kieuwen slaat.
De Grootmondpluimdrager heeft ten opzichte van de schelp een grote mondopening, maar erg opvallend is het niet. De soortnaam macrostoma (Gr.) betekent eveneens grote mond.

In Nederland kwam in het vroeg-pleistoceen nog een andere soort voor, die nu uitgestorven is: Valvata salebrosa. Salebrosus (Lat.) is hobbelig, oneffen en slaat op de opvallende sculptuur die bestaat uit radiale ribben en fijne spiraalribjes.

Poelslakken – Radix
Oorvormige poelslak - Radix auricularia
Duits: Ohrschlammschnecke
Engels: Eared pond snail
Frans: Limnée auriculaire
Deens : Øresnegl

Ovale poelslak - Radix ovata
Duits: Eiförmige Schlammschnecke

Begroeide poelslak - Radix peregra
Duits: Gemeine Schlammschnecke
Engels: Wandering pond snail Deens: Almindelig mosesnegl
Radix (lat.) betekent wortel, in uitgebreide zin ook onderste deel, oorsprong. Het is niet bekend hoe deze betekenissen in verband met de soorten uit dit genus gelegd kan worden.
De meest opvallende soort is de Oorvormige poelslak met zijn tot een oor uitgegroeide laatste winding. Auricula is een verleinwoord van auris (lat.) = oor, auricularia betekent met een oortje.
Ovata (lat.) en ovale slaan op de eivormige mondopening van het huisje van Radix ovata.
Het huisje van de Begroeide poelslak is vaak begroeid met allerlei algen. Peregra komt van peregre (lat.) = in het buitenland, buitenlands, vreemd. Ook het Nederlandse woord pelgrim in hier vanaf geleid. Mogelijk heeft de naam dezelfde achtergrond als de Franse naam Lymnée voyageuse voor Lymnaea stagnalis.

Poelslakken – Stagnicola
Moeraspoelslak - Stagnicola palustris
Duits: Gemeine Sumpfschnecke
Engels: Marsh snail
Frans: Limnée des marais
Deens: Lille mosesnegl

Dikke poelslak - Stagnicola corvus
Duits: Grosse Sumpfschnecke

Stagnicola betekent bewoner van stilstaand water of poelen. Het komt van het Latijnse stagnum = waterplas ontstaan door het buiten de oevers treden van een rivier of zee, stilstaand water, poel, meer of kreek en colo = bewonen of bebouwen.
Moeraspoelslak is genoemd naar de wetenschappelijke naam palustris (Lat.) = van het moeras. De soort komt voor in stilstaand zoet tot zwak brak water.

De Dikke poelslak heeft een dikker huisje in vergeljiking met de slanke poelslak (Omphiscola glabra). De schelp is hoornbruin, dikwijls met een zwarte aanslag. Corvus (Lat.) betekent raaf en slaat waarschijnlijk op de zwarte kleur van deze aanslag.

Posthorenslak - Planorbarius corneus
De waterspin (Argyronata aquatica) is de enige spin die vrijwel zijn gehele leven in het water doorbrengt. De waterspin leeft doorgaans langer dan een jaar. De wijfjes van de waterspinnen gebruiken bij voorkeur lege posthorenslakken om te overwinteren. Ze vullen het lege slakkenhuis met lucht en sluiten het huisje met spinsel af. De huisjes gaan nu drijven en de spinnen overwinteren erin. Voor dit doel worden ook wel huisjes van de Grote poelslak gebruik. De posthorenslak heeft dus blijkbaar het meest geschikte formaat voor deze spin.
Vanwege de vorm is de Posthorenslak genoemd naar de vroeger door de posterijen gebruikte horen. Ook in het Duits heet de slak Posthornschnecke. De Engelse naam is Trumpet Shell of Great Ramshorn Snail. Ook de soorten van het genus Planorbis, waaraan de posthorenslak verwant is, heten in het Engels Ramshorn naar de gelijkenis met een ramshoorn.
Een oudere naam voor de soort is Planorbis corneus. De wetenschappelijke naam die gevormd is uit Planorbis en –arius (= toebehoren aan) duidt nog die verwantschap aan. Corneus (Lat.) betekent van hoorn. Dit slaat waarschijnlijk op het hoornkleurige uiterlijk van het huisje. De Franse naam Planorbe corné is eigenlijk een Franse variant van de wetenschappelijke naam.

Priemhorentjes - Turbonilla
Melkwit priemhorentje - Turbonilla lactea

Gestreept priemhorentje - Turbonilla rufa
Duits: Rotes Wendeltürmchen
Turbo (Lat., 2e naamvaal turbinis) betekent tol. Turbonilla met de uitgang –illa betekent tolletje, naar het uitgerekte priem- of kegelvormige huisje.
De kleur van het huisje van Turbonilla lactea is melkwit, soms crème. Lacteus (Lat.) betekent van melk, melkwit.
Hoewel bovenstaande soort evenals Turbonilla rufa een sculptuur heeft van dwarsribben (axiale ribben), heeft de laatste soort de naam Gestreept priemhorentje gekregen. De kleur is crème met een bruinoranje kleurband in het midden. Rufa (Lat.) betekent rossig, roodbruin.

Priktolhoren - Calliostoma zizyphinum
Verscheidene malen is de Priktolhoren op de Nederlandse kust aangespoeld op riemwier, touw en andere voorwerpen. De afgelopen jaren zijn vondsten van deze soort zijn gemeld van het Sas van Goes op 17 juni 2001 en in de zuidwestelijke Oosterschelde op 21 juni 2003. Hiermee kan de soort met een grote mate van waarschijnlijkheid vanaf 2001 tot de inheemse fauna gerekend worden.
De herkomst van de wetenschappelijke naam is echter nog steeds uitheems en voert terug tot het Perzische zizfun of zizafun, dat de naam is van de eetbare vruchten van de Zizyphus jujuba of Z. vulgaris, een struik uit de familie van de Rhamnaceeën. Via het Griekse zizuphon, het Latijnse zizyphum en het Franse jujube is het Nederlandse jujube ontstaan. Jujube is oorspronkelijk de naam van de besachtige steenvrucht die vers gegeten wordt of van de hoestballetjes die ervan gemaakt worden en is thans een zacht ruitvormig of rechthoekig dropje bestaande uit gom, suiker en oranjebloesemwater. De vorm van deze dropjes is de achtergrond van de soortnaam zizyphinum. In het Frans is het ook Troque en form de jujube of kortweg Troque jujube. Een verwant genus Jujubinus is ook naar jujube genoemd. Het achtervoegsel –inus of –inum duidt een "toebehoren aan" aan.
De soort is lid van de familie Trochidae, waartoe allerlei tolhorens behoren. Trochidae is genoemd naar het genus Trochus. Trochus (Lat.) en trochos (Grieks) betekenen onder andere tol en verwijzen naar de vorm van de schelp. Het Nederlandse Priktolhoren, het Duitse Bunte Kreiselsnecke (Kreisel = priktol) en het Engelse Painted Top Shell (top = tol) hebben de gelijkenis met een tol in hun naam. Het is een kleurrijke gelige, roze of violette schelp met rode vlekken, vandaar het Duitse Bunte en het Engelse Painted.
Calliostoma is afgeleid van het Griekse kalos = mooi, als voorvoegsel kalli-, en stoma = mond. De mondopening van het hoorntje is begrensd door een parelmoerachtig eelt (callus), vandaar de naam "mooie mond".

Proserpina
Proserpina Proserpina Sowerby, 1839
Familie: Proserpinidae Gray, 1857

Proserpina nitida Sowerby, 1839

Proserpina (Gr. Persephone) is de dochter van Jupiter (Gr. Zeus) en Ceres (Gr. Demeter). Zij is het zinnebeeld van de jaarlijks afstervende en herlevende plantenwereld. Hades schaakte haar toen zij op Sicilië bloemen plukte. Demeter slaat dan de aarde met onvruchtbaarheid. Daarom zendt Zeus Hermes tot Hades met het bevel de dochter aan de moeder terug te geven. Hades stemt toe onder voorwaarde dat zij tweede derde van het jaar bovengronds zal verblijven en eenderde van het jaar in de onderwereld.
De soortnaam nitida (lat.) betekent glanzend.

Pteropurpura
Pteropurpura, Jousseaume, 1880

Pteropurpura (Poropteron) graagae (Coen, G.S., 1947)

Bontkraagstekelhoren - Pteropurpura macroptera (Deshayes, G.P., 1839)
Engels: Frill-wing Murex

Pteropurpura (Pteropurpura) plorator Adams, A. & L.A. Reeve, 1849
Engels: Weeping Murex

Pteropurpura adunca Sowerby, G.B. I, 1834
Engels: Adunca Murex

De Zuid-Afrikaanse schelp Pteropurpura graagae is genoemd naar Maria Johanna de Graag (1879-196?) [volgens Engel 1889-1972]. Zij was een amateur verzamelaarster van schelpen en één van de eerste vrouwelijke leden van de Nederlandse Malacologische Vereniging en maakte verzamelreizen naar Zuid-Amerika en Zuid-Afrika. Het grootste deel van haar collectie doneerde ze aan het Natuurhistorisch Museum in Leiden, een klein deel aan het Zoölogisch Museum in Amsterdam en een nog kleiner deel kwam in de handen van Giorgio Silvio Coen (1873-1951), destijds in Venetië wonend. Zijn collectie kwam terecht in de Nationale Schelpen Collectie van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Zij was de jongere zuster van de bekende kunstenares Anna Julia de Graag (1877-1924).
De genusnaam Pteropurpura is samengesteld uit ptero- van pteron (gr.) = vleugel en de genusnaam Purpura. Zo genoemd naar de vleugelvormige aanhangsels (varices) op de schelp. Ook de soortnaam macroptera komt deze eigenschap naar voren, macro- van makros (gr.) = lang, meestal gebruikt in de betekenis van groot.
Pteropurpura plorator ontleent zijn Engelse naam Weeping Murex = treurende murex aan de soortnaam plorator. Plorator komt van het Latijnse werkwoord plorare – ploro dat jammeren weeklagen of huilen betekent, ploratus = gejammer, geschrei. Het is niet duidelijk waarom de soort deze naam draagt.
De soortnaam adunca of aduncus (lat.) betekent gehaakt, gekromd en slaat ongetwijfeld ook op de uitsteeksels van de schelp.

Purperslak - Nucella lapillus
synoniemen Thais lapillus en Purpurella lapillus
Met het purper omhangen zijn is een aanduiding voor kardinalen. De rode kledij van kardinalen herinnert nog aan het recht van vorsten om purperen klederen te dragen. Tijdens het bewind van Nero en Theodosius was er een wet die voorschreef dat alleen de keizer zich in een geheel purperen gewaad mocht kleden. Senatoren hadden het recht om een brede purperen band (latus clavus) op hun tunica te dragen. Dit purper was een zeer kostbare verfstof, waarvoor de purperslak de grondstof leverde.
De purperslakken uit de oudheid waren de stekelpurperslak (Bolinus brandaris, synoniem Murex brandaris), Hexaplex trunculus en mogelijk Purpura haemastoma. Het Latijnse purpura en het Griekse porphura betekenen zowel purperslak als purper.
De purperslak van de Nederlandse kust (Nucella lapillus) levert echter ook de kleurstof purper. Aan de kust van Noowegen en Ierland gebruikte men in de negentiende eeuw nog het sap van deze soort om de was te merken. Daarmee is de naam purperslak verklaard. Ter onderscheiding van de purperslakken uit de Middellandse zee heeft de soort ook de naam Atlantische purperslak en in het Duits Nordische Purpurschnecke.
Ook de oude genusnaam Purpurella, een verkleinwoord van Purpura duidt op het gebruik van de slakken als verfstof. Het andere synoniem. De genusnaam Thais is waarschijnlijk gebaseerd op Thaïs, de Atheense courtisane die Alexander de Grote vergezelde op zijn veldtochten. Zij is vooral bekend van het verhaal dat ze hem zou hebben aangezet tot het in brand steken van Persepolis. Later huwde zij met Ptolemaeus, de koning van Egypte.
De huidige genusnaam Nucella betekent nootje uit het Latijnse nux = noot en de verkleiningsuitgang –ella. Met enige fantasie lijkt het huisje op een kleine noot. De soortnaam lapillus betekent steentje uit het Latijnse lapis = steen en de verkleiningsuitgang –illus. Hoewel de soort bekend is van stenige substraten zal ook hier het uiterlijk van de schelp de naam aan de soort hebben gegeven. Ook de Franse naam Pourpre petite pierre is het “steentje” terug te vinden. De Engelse naam van de soort is Dog whelk of Dog winkle, soms voorafgegaan door Atlantic, Common of Purple. Whelk is verwant aan het Nederlandse Wulk, maar het voorvoegsel honds- is niet te duiden.

Pyramidellidae
Tandhorens – Pyramidellidae

In de Zoologische Verhandelingen van het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden verscheen een artikel van J.J. van Aartsen et al. (1998) waarin 32 nieuwe weekdiersoorten van de familie Pyramidellidae zijn beschreven. J.J. van Aartsen is gastmedewerker aan dit instituut en deskundige voor deze familie. Van de 32 nieuwe soorten worden maar liefst 26 Nederlanders die vanwege hun beroep of hobby zich met mollusken hebben beziggehouden met een soortnaam vereerd. Naar ik aan neem een record aantal voor één artikel.
Een groot deel van de vernoemde personen was evenals de eerste auteur van het artikel lid van de inmiddels opgeheven Haagse Malacologische Werkgroep van de Nederlandse Malacologische Vereniging. Deze werkgroep was actief in de zestiger jaren van de twintigste eeuw. Het betreft de heren B. van der Most, A.L. Brandhorst, J.J. Bernard, D.J. Boerman, J. van Dalsum, T. Dijkhuizen, L. van Duuren, H. van Haren, P. Kaas J. G.J. Kuiper, A.W.J. Meijer, L.S. Paardekooper, B. Prins, D. van Romburgh, A.A.W. Schram, H.G. de Smit, R.M. van Urk, M. Verhoeven,. J.C.M. van Zijp en mevrouw M.C. Fehr-de Wal.

Pyramidella schanderi is genoemd naar Dr. C. Schander, vriend van Van Aartsen en bekend om zijn bijdragen aan de kennis van de West-Afrikaanse Pyramidellidae.

Adelactaeon lilyae is genoemd naar Mevr. Lily de Klein-Steenbergen, die de eerste auteur van het artikel vaak voorziet van schelpen en schelpengruis van allerlei plaatsen.

Odetta dekleini is genoemd naar Dr. W.J. de Klein, vriend en vroegere collega van de eerste auteur van bovengenoemd artikel.

Odetta marci is genoemd naar Marc S.S. Lavaleye.
Drs. Marc Lavaleye is werkzaam bij het NIOZ (Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee) als bioloog-onderzoeker op het gebied van de taxonomie en ecologie van ongewervelden. Marc Lavaleye nam ook deel aan de Mauretania expedities en verzamelde daarbij Pyramidellidae.

Folinella holthuisi is genoemd naar Prof. Dr. L. B.Holthuis, als dank voor zijn waardevolle adviezen bij nomenclatorische problemen.
Professor Lipke Bijdeley Holthuis (1921- ) is emeritus conservator van de kreeftachtigen van het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden.

Folinella moolenbeeki is genoemd naar R.G.M. Moolenbeek. Robert Gerard. M. Moolenbeek (1949- ) is een vriend en collega van de auteurs en de conservator van de afdeling Mollusca van het Zoölogisch Museum in Amsterdam.

Ondina mosti is genoemd naar Bernardus van der Most (1904-1980)

Odostomia bernardi is genoemd naar J.J. Bernard

Odostomia boermani is genoemd naar Dirk Jacob Boerman (1911- )

Odostomia brandhorsti is genoemd naar Anthonius Laurentius Brandhorst (1883-1971)

Odostomia dalsumi is genoemd naar J. van Dalsum

Odostomia dijkhuizeni is genoemd naar T. Dijkhuizen

Odostomia duureni is genoemd naar L. (Lou) van Duuren uit Leiden

Odostomia fehrae is genoemd naar Mevr. M.C. Fehr-de Wal.
Marie C. Fehr-de Wal (1911-2002) is de auteur van de lijst van Betekenis van de Latijnse namen en hun beklemtoning in Bob Entrop Schelpen vinden en herkennen (Tweede druk). Voor de mariene soorten vormde deze lijst het begin van deze publicatie.

Odostomia kuiperi is genoemd naar Johannes Gysbertus Jacobus Kuiper (1914- )

Odostomia meyeri is genoemd naar A.W.J. Meijer

Odostomia paardekooperi is genoemd naar L.S. (Lou) Paardekooper (1916-1966)

Odostomia prinsi is genoemd naar B. Prins

Odostomia romburghi is genoemd naar D. van Romburgh

Odostomia schrami is genoemd naar A.A.W. Schram

Odostomia desmiti is genoemd naar Hendrik Gerard de Smit, (?-1964)

Odostomia vanurki is genoemd naar R.M. van Urk.
Roelof Menno van Urk (?-1993) is de auteur van verscheidene malacologische publicaties en auteur van enkele weekdiersoorten. Bekend zijn vooral zijn publicaties over mesheften en zwaardscheden.

Odostomia verhoeveni is genoemd naar M. Verhoeven

Odostomia zijpi naar is genoemd J.C.M. van Zijp

Puposyrnola kaasi is genoemd naar P. Kaas
Pieter (Piet) Kaas (1915-1996) was onderwijzer te Amsterdam en Den Burg, verslaggever bij Het Volk te Rotterdam, radiojournalist, schrijver van kinderboeken, biologieleraar, onderzoeker en publicist op het gebied van weekdieren, speciaal keverslakken. Zo zijn ook de soorten Ischnochiton kaasi Ferreira, 1987 en Leptochiton kaasi Sirenko, 1990 naar hem vernoemd.

Eulimella verduini is genoemd naar Adriaan Verduin (1921-1988), een bekende malacoloog en vriend van de auteurs.

Eulimella vanhareni is genoemd naar Hans van Haren
In 1989 verscheen een “In memoriam” van hem in het Correspondentieblad van de NMV.

Eulimella tydemani is genoemd naar het onderzoekschip Hr. Ms. Tydeman, dat gedurende de CANCAP II-VII expedities gebruikt is.
In 2001 was het oceanografische opnemingsvaartuig Hr. Ms. Tydeman 25 jaar in dienst van de Koninklijke Marine. Hr. Ms. Tydeman verricht militair-oceanografisch onderzoek en staat ter beschikking van instituten die zich bezig houden met civiel-oceanografisch onderzoek. De Tydeman voert ook waarnemingen uit voor de meteorologie. Het schip behoort tot de zogenaamde ´witte vloot´ van de Dienst der Hydrografie van de marine. Aan boord is plaats voor 62 bemanningsleden en 15 wetenschappers.

Pyramidella Lamarck, 1799
Adelactaeon Cossmann, 1895 is samengevoegd uit het voorvoegsel adelos (gr.) = onbekend, geheim, onduidelijk (slaat waarschijnlijk op de taxonomische positie) en de genusnaam Actaeon.
Odetta de Folin, 1870 is een verkleinwoord van odos (gr.) = tand, vanwege één onbeduidende tand in de mondopening.
De huisjes van Folinella Dall & Bartsch, 1904 zijn zeer klein en met een fraaie sculptuur. Mogelijk afgeleid de auteur van Odetta en Ondina, Léopold Alexandre Guillaume, marquis de Folin (1817-1896) en de verkleiningsuitgang -ella.
Ondina de Folin, 1870 is mogelijk afgeleid van unda (lat.) = golf of meer algemeen = water of zee; undatus (lat.) = golvend.
Odostomia Fleming, 1813
De genusnaam Puposyrnola is samengesteld uit Pupo en de genusnaam Syrnola. Pupo is waarschijnlijk van pupa (lat.) = poppetje.
Eulimella Forbes & MacAndrew, 1846.

Pyramideslakken - Trochoidea
Sierlijke pyramideslak - Trochoidea elegans
Engels: Top snail
Duits: Kegelige Heideschnecke

Kleine pyramideslak - Trochoidea geyeri
Duits: Zwergheideschnecke

Merkwaardig is dat de genusnaam Trochoidea niet alleen voor Pyramideslakken in gebruik is maar ook voor de superfamilie Tolhorens. Beide soorten Pyramideslakken komen niet in Nederland, maar wel in België voor. Genoemd naar de pyramide-vorm van vele vertegenwoordigers van dit genus en Trochoidea elegans in het bijzonder.
De sierlijke pyramideslak heeft een mooie kegelvormige schelp. De soort komt vooral langs de Middellandse zee voor en is elders ingevoerd. Elegans (Lat.) = sierlijk, fijn; vergelijk het Nederlandse elegant.
Trochoidea geyeri is veel minder kegelvormig dan de bovengenoemde soort. De soort is genoemd naar de paleontoloog David Geyer (1855-1932), die geboren is te Köngen am Neckar.

Rapana
Familie Muricidae
Geaderde stekelhoren – Rapana venosa (Valenciennes, 1846)
Synoniem: Rapana thomasiana Crosse, 1861
Engels: Veined rapa whelk, Asian rapa whelk, Thomas's rapa whelk
Duits: Thomas-schnecke
Frans: Buccin rapana veiné
Spaans: Busano veteado

Raapvormige stekelhoren – Rapana rapiformis (Von Born, 1778)
Engels: Turnip-shaped Rapa, Turnip shell

Een visser heeft in juli 2005 voor de kust van Scheveningen een exemplaar van de Geaderde stekelhoorn (Rapana venosa) opgevist. Dit is de eerste vondst van deze soort voor onze kust. Deze Oost-Aziatische soort heeft in jaren vijftig in de Zwarte Zee een ware slachting aangericht onder de inheemse mossel- en oestersoorten. Sinds 1988 komt de soort ook langs de Franse Atlantische kust voor. Rapana is afgeleid van de genusnaam Rapa (familie Coralliophilidae) en slaat op de raapvormige schelp. Dit komt nog duidelijker naaar voren bij de Raapvormige stekelhoren, waarvan het soortstoevoegsel rapiformis ook raapvormig betekent. De soortnaam venosa is afgeleid van vena (lat.) = ader en het achtervoegsel –osa, dat volheid of rijkdom aangeeft. Het slaat op de geaderde tekening op de schelp.

Ribhorens - Trophon
Familie – Stekelhorens, Muricidae
Stompe ribhoren - Trophon truncatus
Synoniem: Boreotrophon truncatus
Engels: Ribbed spindle shell
Deens: Ribbet pigsnegl (pig = stekel)

Grote ribhoren - Trophon clathratus
Synoniem: Boreotrophon clathratus

Geruite ribhoren - Trophon muricatus
Synoniem: Trophonopsis muricatus
Engels: Prickly spindle shell

Trophon is volgens Hans Hansson afgeleid van Trophonius (Lat.), Trophonios (Gr.), de zoon van de Boeotische koning Erginus, die samen met zijn broer Agamedes de Apollotempel in Delphi bouwde.
De sculptuur van de schelpen bestaat uit dwarsribben (radiale ribben), met bij sommige soorten ook spiraalribben. Boreo- komt van Boreas, de noordenwind, mythologisch de zoon van Astraeus en Eos. De naam Boreotrophon wijst op een noordelijke verspreiding. De uitgang –opsis betekent gelijkend op, Trophonopsis betekent dus gelijkend op Trophon.
Truncatus (Lat.) is afgeleid van truncus = afgeknot, stomp, verminkt. Bruyne (2004) vermeldt echter: "de top is spits". Misschien is de beschrijving ooit op een fossiel verweerd exemplaar gebaseerd?
Clathratus (Lat.) = van tralies voorzien, slaat op de radiale ribben, evenals bij de vorige soort ontbreken de spiraalribben.
De geruite ribhoren heeft radiale en spirale ribben, waardoor een ruit patroon ontstaat. Muricatus is afgeleid van de genusnaam Murex (2e naamval muricis), de gestekelde purperslak (zie de familienaam).

Reuzenspitshorens - Campanilidae
Australische reuzenspitshoren - Campanile symbolicum
Engels: Lighthouse shell, Giant creeper

De Campanilidae is een familie van circa 700 fossiele soorten, met slechts één recente vertegenwoordiger, Campanile symbolicum Iredale, 1917, die voorkomt in Australië.
Enkele voorouders van deze soort bereikten in het Tertiair lengten tot 1 meter, en zijn daarmee de grootste slakken die ooit geleefd hebben.
Campanile betekent klokkentoren (Italiaans) en komt van campana (nieuw-Latijn) = klok. Campana wil zeggen gegoten uit het brons van Campanië. De torenvormige schelp wordt vergeleken met een klokkentoren of vuurtoren (lighthouse).
De soortnaam symbolicum, Latijn voor herkenningsteken, zal zeker gekozen zijn, omdat deze recente soort een herkenningsteken is voor deze familie van fossiele schelpen.

Reuzentrompethoren - Syrinx aruanus
Reuzentrompethoren - Syrinx aruanus (Linnaeus, 1758)
Synoniem: Syrinx proboscidiferus Lamarck, 1843
Familie: Melongidae of Turbinellidae
Duits: Riesentrompetenschnecken, Falschen Trompetenschnecken, Grosse Rüsselschnecke (Rüssel = slurf)
Engels: Australian Trumpet, False Trumpet, Giant whelk
Spaans: Trompeta de Australia
Japans: Arafura ohnishi

Syrinx is de riviernimf die, toen ze door Pan werd achtervolgd, in een riet veranderde. Pan plukte toen rietstengels van verschillende lengte, maakte hieruit de panfluit en noemde deze naar zijn geliefde Syrinx. De algemene betekenis van syrinx in het Grieks is buis of pijp.
De soortnaam aruanus betekent afkomstig van de Aroe-eilanden. De Japanse naam refereert aan het voorkomen in de Arafura zee tussen Nieuw-Guinea en Australië, waarin de Aru-eilanden gelegen zijn.
Proboscis is de uitstulpbare zuigslurf bij sommige slakken. De betekenis van proboscis (lat.) is olifantenslurf. Proboscidiferus betekent een slurf dragend.
Deze slakkensoort is de grootste slak ter wereld. Namen als reuzen-, Riesen- en giant zijn daarmee verklaard.
De soort werd eerst in de familie Kroonslakken (Melongidae) ondergebracht, maar nu bij de Trompethorens (Turbinellidae). De namen False trumpet en Falschen Trompetenschnecken zijn daarmee zonder betekenis geworden.
De inheemse bevolking gebruikte de schelp om water mee te scheppen en voor ceremoniële doeleinden.

Riempje - Bathyomphalus contortus
Duits: Riementellerschnecke
Engels: Twisted Ramshorn
Frans: Planorbe contourné

Een zeer toepasselijke naam heeft de zoetwatersoort Riempje, waarvan de schelp sprekend lijkt op een opgerold riempje. De vertaling van contortus (Lat.) is gewonden of gedraaid. De schijfvormige slak heeft aan de onderzijde een zeer wijde navel. In het Grieks betekent bathus diep en omphalos navel. De verwantschap met het geslacht Planorbis komt naar voren in de Franse en Duitse naam (Planorbis = Tellerschnecke).

Ringsprietslakken - Facelina
Brede ringsprietslak - Facelina bostoniensis Duits: Fadenschnecke
Engels: Boston facelina

Gekroonde ringsprietslak - Facelina auriculata
Synoniem: Facelina coronata

Het genus is genoemd naar de vele draadvormige papillen. Facelina is samengesteld uit facies (lat.), voorkomen, gezicht en linea = linnen draad, koord of lijn.
Facelina bostoniensis is een vrij brede zeenaaktslak, waarvan de reuksprieten geringd zijn. De soortnaam bostoniensis betekent van Boston (USA). De soort is gevonden en beschreven door Couthouy van de kust van Massachusetts in 1838. Een paar jaar laten in 1843 beschreven Alder en Hancock dezelfde soort voor Europa als Eolis curta. Het verspreidingsgebied loopt van Noorwegen tot de westelijke Middellandse Zee en langs de kust van Massachusetts, de staat waarin Boston ligt.

De rood of bruin gekleurde papillen van de Gekroonde ringsprietslak staan groepsgewijs, wat de Nederlandse naam verklaard. De soortnaam auriculata (lat.) betekent met oortjes en slaat wellicht op de tentakels.

Rolsprietslakken – Hermaea
Slanke rolsprietslak - Hermaea bifida
Engels: Crimson Hermaea

Groene rolsprietslak - Hermaea dendritica
Engels: Green Hermaea

De Sacoglossa (ook Saccoglossa) en de Nudibranchia vormen te zamen de groep van de zeenaaktslakken. De Sacoglossa of Zaktongigen (Duits: Sackzüngler) danken kun naam aan een zakachtig orgaan dat de verbruikte tanden van de radula (rasptong) opneemt. Sacoglossa komt van sakkos (gr.) = zak en glossa = tong. Ze worden ook wel aangeduid als kieuwloze zeenaaktslakken in tegenstelling tot de Nudibranchia, die als naaktkieuwigen door het leven gaan. Nudibranchia komt van nudus (lat.) = naakt, bloot en branchia (gr.) = viskieuwen.
Het geslacht Hermaea behoort tot de zaktongigen. De betekenis van de naam is onbekend. Hermaeum is de tempel van Hermes, maar is geen sleutel tot de ontcijfering van de naam.
Bij sommige vertegenwoordigers van de Sacoglossa zijn de rhinophoriën oorvormig opgerold. Zo ook bij de Rolsprietslakken.

Sacoglossa zijn planteneters of herbivoren, in tegenstelling tot de carnivore Nudibranchia. Hermaea dendritica voedt zich met groene algen en sluit de groene chloroplasten op in zijn lichaam, dat geeft de Groene rolsprietslak zijn kleur.
De vertakkingen van de middendarmklier zijn bij de rolsprietslakken door de huid heen zichtbaar. De soortnaam dendritica = vertakt, van dendron (gr.) = boom; vergelijk dendritisch = boomvormig vertakt. De naam slaat waarschijnlijk op de vertakte middendarmklier.

De Slanke rolsprietslak heeft een relatief slank lichaam. De soortnaam bifida (lat.) betekent tweespletig of tweedelig. De betekenis van de naam voor deze soort is onduidelijk.

Rotstolletje - Pyramidula rupestris
Duits: Felsenpyramidenschnecke

Het Rotstolletje komt niet in Nederland voor, maar wel in het kalkdistrict in België. Zijn biotoop is droge, zonbeschenen, kale kalkrotsen. West-Europa en de gebieden rond de Middellandse zee vormen zijn areaal. De soortnaam rupestris (lat.) betekent van de rotsen.
De slak heeft een laag, kegelvormig huisje. De genusnaam Pyramidula is samengesteld uit pyramis, 2e naamval pyramidis (lat.) = piramide en de verkleiningsuitgang –ula. De naam heeft betrekking op de vorm van het huisje.

Rubberslak - Onchidella celtica
Familie: Onchidiidae
Engels: Celtic sea slug

Het rubberachtige zwarte lichaam inspireerde de naamgever van de Nederlandse naam. De wetenschappelijke genusnaam is gebaseerd op onkos (gr.) zwelling, onkodès = dik, gezwollen en de uitgang –ella die een verkleining aangeeft. Het heeft waarschijnlijk betrekking op het bolvormige lichaam.
De zeeën zijn in een aantal zogenaamde malacologische provincies of regio’s ingedeeld. Nederland ligt in de Keltische regio, die de Noordzee en de kusten van Ierland, Engeland, Noord-Frankrijk, Scandinavië en het zuiden van IJsland omvat. Mogelijk is het verspreidingsgebied van deze soort tot deze regio beperkt, want zijn soortnaam celtica betekent keltisch.

Rumina decollata
Rumina decollata (Linnaeus, 1758)
Familie Subulinidae
Engels: Decollate snail
Duits: Stumpfschnecke, Bruchspitze, Ohnspitze (ohn = zonder, vergelijk Ned.. on-)
Spaans: Ballaruga o pada

De enige vertegenwoordiger van deze merendeels tropische familie in Europa is Rumina decollata. Een uitzondering vormen enkele soorten die warme kassen bewonen, zoals Subulina octogona (Bruguière, 1789).
Rumina is de Romeinse beschermgodin der zogende vrouwen. Haar tempel stond bij de Ficus Ruminalis, een vijgenboom op de Palatijnse heuvel. Hier zou de wolvin de tweeling Romulus en Remus hebben gezoogd.
De soortnaam decollata (lat.) betekent onthoofd. Als het huisje een lengte van ongeveer 10 mm heeft bereikt, breken 3 tot 3,5 windingen aan de top af. Een kalkachtig tussenschot wordt aangelegd om de nieuwe top af te sluiten.
De Rumina decollata is een predator op slakken die soms voor biologische bestrijding van schadelijke slakken ingezet wordt.

Ruthia
Ruthia Shasky, 1970
Familie Columbellidae

Ruthia ecuadoriana Shasky, 1970
Ruthia mazatlanica Shasky, 1970

Waarschijnlijk is het geslacht Ruthia genoemd naar Ruth, de hoofdpersoon in het bijbelboek Ruth uit het Oude Testament. Zij komt uit Moab en trouwt met Boaz. Men beschouwd haar als de overgrootmoeder van David.

Shasky heeft twee soorten uit het geslacht Ruthia beschreven die voorkomen in Amerika. De soortnaam ecuadoriana betekent van Ecuador en mazatlanica van de stad Mazatlan in Mexico.

Satijnslak – Jorunna tomentosa
De Deense dermatoloog, veneroloog en malacolooog Ludwig Sophus Rudolph Bergh (1824-1909) ontleende vele genusnamen aan de IJslandse sagen cyclus rond Laxdoela Kreek, zoals Aldania, Thordisa en Jorunna (naar Jorun).
In Nederland is de soort Jorunna tomentosa, de Satijnslak, verscheidene malen gevonden. De dieren leven op de broodspons Halichondra panicea en op de geweispons Heliclona oculata. Tomentosa (Lat.) betekent donzig, fluweelachtig. De gehele rug van de slak is met zeer dicht opeen staande papillen bezet waardoor de rug een fluweelachtig of satijnachtig uiterlijk heeft.

Schaalhorens - Patella
Schaalhoren - Patella vulgata
Engels: Common limpet
Duits: Gemeine Napfschnecke
Frans: Patelle, Bernique
Italiaans: Patella, Pantalena
Spaans: Lapa

Gekleurde schaalhoren - Patella intermedia
Engels: Channel Island limpet

Ruwe schaalhoren - Patella ulyssiponensis
Engels: Rough Limpet
Duits: Rauhe Napfschnecke

Patella ulyssiponensis subsp. athletica

Patella (lat.) betekent schotel, in het bijzonder offerschotel, het is een verkleinwoord van patina = schotel, pan. Het genus Patella heeft schelpen in de vorm van schoteltjes of beter gezegd schaaltjes of napjes.

De meest algemene soort is Patella vulgata; vulgata (lat.) betekent algemeen bekend, algemeen verbreid.

De gekleurde schaalhoren heeft een sterker gekleurde binnenzijde dan de andere soorten. De soortnaam intermedia (lat.) = tussenliggend, middelste slaat op zijn (taxonomische?) positie ten opzichte van andere soorten.

De ruwe schaalhoren heeft een ruw oppervlak, omdat op de kruislijnen van de ribben en groeilijnen vaak kleine schubjes staan. De soort komt in ieder geval langs de kust van Portugal voor, ulyssiponensis betekent namelijk afkomstig van Lissabon. De oude Romeinse naam van Lissabon was Ulsippo. De ondersoortnaam athletica betekent atletisch. Waarschijnlijk is deze ondersoort groter dan de andere ondersoort(en).

Scheefhorens - Lacuna
Scheefhoren - Lacuna vincta
Engels: Banded chink shell (chink = spleet)
Gebändete Grübchenschnecke
Deens: Båndtegnet grubesnegl (grube = groeve)

Grote scheefhoren - Lacuna crassior
Engels: Thick chinck shell

Bleke scheefhoren - Lacuna pallidula
Engels: Pale chink shell
Flache Grübchenschnecke
Deens: Lavspiret grubesnegl

Kleine scheefhoren - Lacuna parva
Engels: Globular chink shell
Deens: Lille grubesnegl

De soorten van het genus Lacuna heten scheefhoren, omdat ze een scheef uitgebreide mond hebben. De naam Lacuna (lat., vergelijk lacune) betekent holte, diepte, afgrond, naar de spleetvormige navel naast de mond.

Lacuna vincta heeft twee tot vier donkerbruine spiraalbanden op de laatste winding. De soortnaam vincta (lat.) = gebonden of geboeid heeft daar mee te maken.

Grote scheefhoren is groter en dikker (15 mm hoogte) dan de andere genoemde soorten. De soortnaam crassior (lat.) betekent dikker.

In het Latijn is pallidus bleek; pallidula = pallid(us) + dim. –ula. Te vertalen als een beetje bleek of enigszins bleek. De kleur van de schelp van de Bleke scheefhoren is lichtgeel.
De kleine scheefhoren is met een hoogte van 4 mm de kleinste van het stel; de soortnaam parva (lat.) betekent klein.

Schepjes - Philine
Schepje - Philine aperta
Engels: Lobe shell
Duits: Offene Seemandel
Frans: Philine
Deens: Stor flæsketerning

Ketting-schepje - Philine catena

Gestippeld schepje- Philine punctata
Engels: Dotted lobe shell

Als oplossing van een grensconflict tussen de Cyreners en de Carthagers, liet men op het afgesproken uur uit elke stad twee mannen naar elkaar toelopen, en waar ze elkaar zouden ontmoeten zou de grens vastgesteld worden. De broers Philaeni vertrokken uit Carthago en ontmoeten de Cyreners, toen ze ver in het gebied van Cyrene doorgedrongen waren. De Cyreners beschuldigden de broers Philaeni dat ze uit Carthago voor het afgesproken uur vertrokken waren en dat ze zich daarom moesten terugtrekken. Toen de Philaeni dat weigerden, werden ze overweldigd door de Cyreners en levend begraven in het zand. Ter nagedachtenis richtten de Carthagers, op de plaats waar hun lichamen waren begraven twee altaren op, die als de Philaeni Altaren bewaard zijn gebleven.
Philine is mogelijk naar deze twee broers genoemd. Ook wordt wel als verklaring gegeven dat het afgeleid is van de naam Philip of van philos (gr.) = bemind, liefhebbend.
De laatste winding is een breed uitlopende winding in de vorm van een schepje. De soortnaam aperta (lat.) betekent open en slaat ongetwijfeld op de open laatste winding.
De soortnaam catena (lat.) = ketting, naar de kettingvormige sculptuur van aaneengesloten ovale circels op de schelp.
Punctata (lat.) = gestippeld, naar de sculptuur van in rijen geplaatste putjes.

Schijfhorens - Gyraulis
Familie: Planorbidae
Witte schijfhoren - Gyraulus albus
Engels: White ramshorn
Duits: Weisses Posthörnchen

Traktorwieltje - Gyraulus crista
Duits: Zwergposthörnchen
Deens: Lille skivessnegl

Gladde schijfhoren - Gyraulus laevis
Duits: Glattes Posthörnchen

Oeverschijfhoren - Gyraulus riparius
Duits: Flaches Posthörnchen

Chinese schijfhoren - Gyraulus chinensis
Duits: Chinesisches Posthörnchen

Guros (gr.) betekent gebogen, krom en gyrus (lat.) kring, aulos (gr.) is pijp of ieder pijpvormig lichaam. Het vrij vlakke huisje kun met een opgerolde buis vergelijken.

Witte schijfhoren is genoemd naar de kleur van het huisje, alhoewel de kleur wordt omschreven als groenachtig geel; albus (lat.) betekent wit.

De eerste vermelding van de naam Traktorwieltje is te vinden bij J.C.G. Frentrop in 1960 in zijn artikel De Nederlandse Mollusken IV in het tijdschrift de Zwerver. De formae spinulosa en cristata van deze soort lijken erg veel op een traktorwiel in klein formaat. De soortnaam crista betekent met een kam en slaat op de uitsteeksels op de ribben.

De sculptuur van de Gladde schijfhoren bestaat uitsluitend uit fijne groeilijnen, er komen geen spiralen voor, zoals bij andere soorten van dit genus; laevis (lat.) glad, kaal.

Gyraulus riparius, de Oeverschijfhoren komt voor aan de oevers van stilstaand zoet water; riparius (lat.) betekent aan oevers voorkomend; ripa = oever.

De Chinese schijfhoren is een nieuwkomer van de Nederlandse fauna. De soortnaam chinensis betekent afkomstig van China.

Schijfhorens - Planorbis
Schijfhoren - Planorbis planorbis
Engels: Ramshorn
Duits: Gemeine Tellerschnecke
Frans: Planorbe plane, Planorbe marginée
Deens: Almindelig skivesnegl (skive = schijf)

Gekielde schijfhoren - Planorbis carinatus
Engels: Keeled ramshorn snail
Duits: Gekielte Tellerschnecke
Frans: Planorbe caréné
Deens: Kølskivesnegl

Planorbis is samengevoegd uit planus (lat.) = vlak, effen en orbis = kring, circel, schijf. Evenals de Nederlandse naam Schijfhorens slat dit op het vlakke schijfvormige huisje. De soortnaam is hier gelijk aan de genusnaam.
De gekielde schijfhoren heeft een kiel op het midden van de laatste omgang, bij de vorige soort ligt de kiel bijna aan de basis van de laatste omgang; carinatus (lat.) betekent gekield.

Schijfhorens - Anisus
Geronde schijfhoren - Anisus leucostomus
Duits: Weissmündige Tellerschnecke

Spiraalschijfhoren - Anisus spirorbis
Duits: Gelippte Tellerschnecke

Draaikolkschijfhoren - Anisus vortex
Duits: Scharfe Tellerschnecke
Engels: Whirlpool ramshorn
Planorbe tourbillon

Platte schijfhoren - Anisus vorticulus
Duits: Zierliche Tellerschnecke

M. Houttuyn noemt in zijn Natuurlijke Historie (1770-1771) de soort Anisus spirorbis Dilzaadje. Het Nederlandse anijs komt van het Latijnse anisus, dat komt van het Griekse anèson = dille of anijs. Als Studer in 1820 dit genus beschijft zal dus waarschijnlijk wel het anijs of het anijszaadje bedoeld hebben, toen hij dit genus deze naam gaf. Het platte, schijfvormige horentje lijkt echter niet op dergelijke zaadjes. De betekenis aniso- in samenstellingen (zie Anisocycla) = niet gelijk, ongelijk zou een tweede waarschijnlijke verklaring kunnen zijn, omdat de soorten eerst in het genus Planorbis beschreven zijn.
De betekenis van de soortnamen is als volgt: leucostomus = witte mond (mondopening heeft een witte lip), spirorbis = spiraal & schijf, vortex = draaikolk, vorticulus = draaikolkje, wervel.

Scutus - Schildhorens
Scutus Montfort, 1810 – Schildhorens
Engels: Shiels shells

Scutus antipodes (Montfort, 1810)
Engels: Shield shell, Duck bill, Elephant slug

Scutus australis Lamarck, 1822 – Langwerpige schildhoren

Scutus (lat.) is het langwerpige, vierkante schild van de Romeinse soldaten, gemaakt van hout en met leer overtrokken.
De schelp lijkt inderdaad op een miniatuurschild, maar ook op een eendensnavel (Duck bill). De slak heeft een slurfvormig verlengde kop, daarom de Engelse naam Elephant slug.

Antipodes komt van anti (gr.) = tegengesteld en pous = voet, het betekent tegenvoeter en slaat op het werelddeel Australië. Een oude Nederlandse naam voor Australië is Zuidland in het Latijn Terra Australis. Australis is afgeleid van auster (lat.) =zuidenwind. Australis betekent voor deze soort “van Australië”, maar voor andere soorten kan het ook gewoon “zuidelijk” betekenen.

Schildslak - Testacella haliotidea
Engels: Shield slug, Carnivorous slug
Duits: Graugelbe Rucksackschnecke

Als een rugzakje draagt de Schildslak een schildvormig huisje achteraan op zijn rug. Testacella is een verkleinwoord van testa (Lat.) = gebakken steen, tegel, scherf, schaal van schelpdieren en slaat op het schildje. Haliotidea is waarschijnlijk afgeleid van de genusnaam Haliotis (zeeoor), vanwege de gelijkenis met de schildvormige schelp van zeeoren.
Het is een carnivore slak die niet in Nederland, maar wel in België voorkomt, hij leeft daar ondergronds in tuinen en eet wormen.

Schorpioenhorens – Lambis
Familie: Strombidae
Nederlands: Schorpioenhorens, Duivelsklauwen, Bootshaken
Engels: Spider conchs
Duits: Fingerschnecken, Teufelskrallen, Bootshaken, Spinnenschnecken
Frans: Coquillages ariagnées
Spaans: Chiragras

De Schorpioenhorens hebben schelpen met vingervormige uitsteeksels. Deze uitsteeksels zijn in vrijwel alle namen de bepalende factor. Bijvoorbeeld de soortnaam (Lambis) digitata is afgeleid van digitus (lat.) = vinger. Bij twee andere soorten zijn daarbij enkele ziekteverschijnselen opgenomen. Arthritis is gewrichtsontsteking bijvoorbeeld door een reumatische aandoening en chiragra is handjicht, de tegenhanger van podagra voetjicht. De kromme vingervormige uitsteeksels hebben de naamgevers blijkbaar geïnspireerd tot deze namen . Chiragra (Gr.) komt van cheir = hand en agra = aanval. Arthritis komt van arthron = lid en –itis in samenstellingen ontsteking.
De betekenis van de genusnaam Lambis is mij niet bekend. Afleiding van lambo (lat.) likken lijkt niet voor de hand te liggen.
Lambis scorpius (Linnaeus, 1758) - Echte schorpioenhorenEng. Scorpion spider conch
Lambis digitata (Perry, 1811)- Langgerekte schorpioenhoren; Eng. Elongate spider conch, Finger spider conch
Lambis chiragra (Linnaeus, 1758) - Bootshaakvormige schorpioenhoren; Eng. Chiragra spider conch
Lambis arthritica (Röding, 1798). Eng. Arthritic spider conch
Lambis lambis (Linnaeus, 1758) – Roze schorpioenhoren; Eng. Common spider conch, Smooth spider conch
Lambis robusta (Swainson, 1821). Eng. False spider conch
Lambis truncata (Lightfoot, 1786)- Reuzenschorpioenhoren; Eng. Giant spider conch
Lambis truncata seba Kiener, 1843. Eng. Seba’s spider conch
Lambis millepeda (Linnaeus, 1758) – Veelvingerige schorpioenhoren; Eng. Millepede spider conch. Millepeda is van mille (lat.) = duizend en pes, pedis = voet.
Lambis crocata crocata (Link, 1807) - Oranje schorpioenhoren; Eng. Orange spider conch. Crocata is van crocus (lat.) = saffraan: saffraangeel.
Lambis crocata pilsbryi Abbott, 1961. Eng. Pilsbry’s spider conch
Lambis violacea (Swainson, 1821) - Paarsroze schorpioenhoren; Eng.Violet spider conch

Schorrenslak - Limapontia
Schorrenslak - Limapontia depressa
Duits: Salzwiesen-Nacktschnecke (Salzwiesen=kwelder)

Kleine Schorrenslak – Limapontia capitata

Limapontia depressa is een zeenaaktslak die leeft op schorren en kwelders nabij de hoogwaterlijn. Het is een klein (tot 8 mm) slakje in de vorm van een amfora. De veronderstelling is dat het tweede gedeelte van de soortnaam depressa = neergedrukt of plat met de vorm van het lichaam te maken heeft.
De Kleine schorrenslak met doorgaands een lengte van 2 – 4 mm is nog kleiner. De soortnaam capitata (Lat.) betekent kopvormig en slaat mogelijk op het enigszins verheven kopgedeelte.
Limapontia is samengesteld uit Limax (Lat.) = slak en pontus (Lat.) of pontos (Grieks) = zee. Pontos is in de oudheid een koninkrijk in Klein-Azië aan de Zwarte zee (Mare Ponticus). Vergelijk het Nederlandse woord Pontisch.

Schotelhorens - Acmaea of Tectura
Schotelhoren - Acmaea virginea
Synoniem: Tectura virginea
Engels: White cap limpet, White tortoiseshell limpet
Deens: Stribet albueskæl (stribet = gestreept, albue = elleboog, skæl = schub)

Schildpad-schotelhoren - Tectura testudinalis
Duits: Schildkrötenschnecke
Engels: Tortoiseshell limpet (tortoise = schildpad)
Deens; Skildpaddealbueskæl

"Schelde-schotelhoren" - Tectura scaldensis

De Schotelhoren is een soort Schaalhoren of Napslak met een spits topje. Acmaea komt van het Griekse akmè = punt of spits. Tectura is afgeleid van tectum (Lat.) = dak of tectus = van een dak of dek voorzien.
Volgens Backer (2004) betekent virginea "maagdelijk, ongerept en, bij uitbreiding, omdat maagden bij plechtige gelegenheden als symbool harer reinheid witte kleederen plegen te dragen: wit." De kleur van het huisje is overwegend wit, maar vanuit de top stralen ook donkere banden. Testudinalis komt van testudo (Lat.) = schildpad, het kleurpatroon doet namelijk sterk aan een schildpad denken.
Een goede naam voor de fossiel in Zeeland gevonden Tectura scaldensis zou Schelde-schotelhoren kunnen zijn, want scaldensis betekent van de Schelde afkomstig.

Schroefhorens - Terebridae
Schroefhorens, Schroefslakken – Terebridae
Engels: Auger shells
Duits: Schraubenschnecken, Pfriemenschnecken, Bohrerschnecken
Frans: Térèbres
Spaans: Terebras

Reuzenschroefhoren - Terebra triseriata (Gray, 1834)
Engels: Triseriate auger

Terebra babylonia Lamarck, 1822
Engels: Babylonian auger

Flavius Josephus (37- circa 100) noemt in zijn beschrijving van de tempel van Jeruzalem in het boek De Joodse Oorlog het voorhangsel een Babylonian tapestry, een Babylonisch gordijn met daarop het panorama van de hemel geborduurd. Bepaalde kleurige weefsels werden aangeduid als Babylonisch, Babylonicum (–a) of Babylorum.
De naam Terebra babylonia duidt niet op de herkomst, maar volgens Peter Dance op een “gelijkenis met een bepaalde tapisserietechniek die geassocieerd wordt met het oude Babylon.” De schelp is inderdaad fraai versierd met oranjekleurige golvende spiraal- en dwarslijnen.
De genusnaam Terebra (lat.) = boor is genoemd naar de boor- of schroefvormige huisjes van de slakken.
De Reuzenschroefhoren met een record van 50 windingen zou een zeker een plaats krijgen in het Guinness Book of Records van schelpen. De soortnaam triseriata is afgeleid van tri- (gr.) in samenstellingen drie en series (lat.) rij of reeks. Die drie slaat waarschijnlijk op de twee grove spiralen en een band met fijne spiralen en series op het herhaalde patroon.

Segrijnslak - Helix aspersa
De volledige wetenschappelijke naam is Helix aspersa Müller, 1774. De genusnaam Helix betekent in het Latijn spiraal of horentje van een slak, deze Latijnse naam is afgeleid van het Griekse helix met de betekenis "gedraaid". Het tweede deel van de naam "aspersa", dat samen met de genusnaam de soortnaam vormt, betekent bestrooid of bespat, hetgeen is afgeleid van het kleurenpatroon op het huisje.
Het derde deel van de wetenschappelijke naam is de naam van de auteur die de soort voor het eerst heeft beschreven. In dit geval O.F. Müller die de soort in 1774 beschreef aan de hand van exemplaren die in Italië verzameld waren. De Nederlandse naam Segrijnslak is afgeleid van segrijn. Segrijn of chagrijn (< chagrin, frans; < sagri, Turks) is fijn leer met een korrelig oppervlak. Dit slaat op de onregelmatige oppervlaktestructuur van de schelp. In culinaire kringen is de slak ook bekend als Kleine wijngaardslak. De Engelse naam van de soort is Brown garden snail, verwijzend naar de kleur van de schelp en zijn biotoop. De Duitse en Franse naam zijn Gefleckte Weinbergschnecke en Escargot petit-gris.

Siphonochelus pavlova
Siphonochelus pavlova (Iredale, 1936) Familie: Muricidae
Synoniem: Trubatsa pavlova Iredale, 1936

De Australische mariene soort Siphonochelus pavlova is genoemd naar Anna Pavlova. De Russische balletdanseres Anna Pavlova (31.1.1881 Sint Petersburg - 23.1.1931 ‘s-Gravenhage) volgde een opleiding aan het keizerlijke Maryinsky Theater in Moskou. In 1906 werd zij de prima ballerina van dit theater en groeide uit tot een legendarische danseres. Vooral de vertolking van de stervende zwaan in het Zwanenmeer op muziek van Saint-Saëns maakte haar beroemd. Anna Pavlova overleed in 1931 in Den Haag aan een longontsteking. Zij logeerde daar in Hotel des Indes voor een optreden.
De schelp met zijn lange uitsteeksels heeft wel iets weg van een balletdanseres. De genusnaam Siphonochelus is samengesteld uit siphon 2e nv. siphonos (gr.) = buis, wijnhevel en cheilos = lip of rand naar de lange uitsteeksels op de mondrand.


Slaapslak - Aplexa hypnorum
Duits: Moosblasenschnecke
Frans: Aplexe des mousses (mousse = mos)
Familie : Physidae – Blaashorens

De groep van kruipende mossen die in lage matjes groeien wordt vanwege de liggende groeiwijze in zijn algemeenheid slaapmossen genoemd. Het mosgeslacht Hypnum, met een dergelijke groeiwijze, heet naast Klauwtjesmos ook wel Slaapmos (Margadant & During). Volgens Backer (2000) betekent hupnon (Gr.) mos.
Het biotoop van de slaapslak laat zich als volgt omschrijven: periodiek uitdrogende slootjes, ondiepe poeltjes en moerassen, met een waterdiepte gewoonlijk niet meer dan een meter. Van het voorkomen op mossen is dus geen sprake, hoewel enkele Nederlandse namen, zoals Mosbelletje en Mosblaashorenslak, de Duitse en de Franse over mos spreken. De naamgeving is overgenomen van bovengenoemde mosgeslacht Hypnum.
Voor de soortnaam hypnorum is evenals de Nederlandse naam Slaapslak een andere verklaring. Hypnorum zou afgeleid zijn van het Griekse hupnos = slaap. En woord waar ook hypnose van afgeleid is. Bruyne et al. (1994) zegt daarover: naar de biotoop, tijdelijk ingegraven in de bodem van soms droogvallende sloten. De dieren overleven de droogte in een soort droogteslaap.
Aplexa is een samenvoeging van a- = niet- en plexus (van Lat. plectere, vlechten) = gevlochten. De naam slaat wellicht op de gladde glanzende huisjes zonder oppervlakte-structuur.

Slanke poelslak - Omphiscola glabra
Familie: Poelslakken – Lymnaeidae
Duits: Längliche Sumpfschnecke

De slanke poelslak is slank ten opzichte van de dikke poelslak Stagnicola corvus. Volgens Vollrath Wiese (internet Molluscs of Central Europe) is de genusnaam een samentrekking van omphalos (gr.) = navel en skolios = krom, gekromd, scheef; bij deze soort ontbreekt echter de navel.
De soortnaam glabra (lat.) = glad, onbehaard is weinig onderscheidend want de huisjes van de alle Nederlande soorten poelslakken zijn min of meer glad.

Slanke grondwaterslak - Bythiospeum husmanni
Duits: Brunnenschnecken

De wetenschappelijke naam komt van het Griekse buthios = diep, laag en speos = hol, grot. Evenals de Nederlandse naam genoemd naar het voorkomen van de soort, ondergronds in grondwater.
De vorm van het huisje is slanker dan die van de Stompe grondwaterslak.
Husmanni slaat mogelijk op de copepode-deskundige Siegfried Husmann van het Limnologische FluBstation des Max-Plack-Institutes in Schiltz in Duitsland.

Sleutelgathoren - Diodora graeca
Engels: Keyhole Limpet
Duits: Netzloch-schnecke
Frans: Fissurelle réticulée (réticulé = netvormig)

In de top van de Sleutelgathoren zit een opening in de vorm van een sleutelgat. De wetenschappelijk genusnaam heeft ook betrekking op die eigenschap. Diodora komt van diodos (gr.) = doortocht, doorgang, van dia = door, doorheen en odos = toegang.
Het is een zuidelijke soort die ook in de Middellandse zee voorkomt, de soortnaam graeca (lat.) = Grieks slaat op een deel van het verspreidingsgebied.
De Franse naam verwoordt het kenmerk van de netvormige sculptuur van de schelp.

Smalle trapgevel - Mangelia smithii
Familie: Turridae
Deens: Kegleformet pilsnegl

Mangelia smithii is vernoemd naar twee personen. Guiseppe Mangili (1767-1829), Italiaanse bioloog, verbonden aan de Universiteit van Pavia, hij werkte met adder-giften, weekdieren en wormen. En Edgar Albert Smith (1847-1916), Britse malacoloog, die vanaf 1867 voor het British Museum werkte.
De smalle trapgevel heeft een vrij slanke horen met min of meer trapvormige windingen.

Smurfslak - Ferrissia wauteri
Smurfslak - Ferrissia wauteri (Mirolli, 1960)
Duits: Flache Septenmützenschnecke

De genusnaam is waarschijnlijk genoemd naar James Henry Ferris (1849-1925) een malacoloog uit de U.S.A. en de soortnaam naar de Fransman J. Wautier die verscheidene publicaties over deze soort op zijn naam heeft staan.
De Nederlandse naam slaat op de schelp die de vorm heeft van muts van een smurf, een bekend stripfiguur.
Het is een soort die sporadisch over Europa verspreid is en pas laat in Nederland ontdekt is. Omdat de soort is aangetroffen in interglaciale en holocene afzetting in Nederland neemt men aan dat de soort geen recente immigrant is.

Speldhorens – Eulimella en Anisocycla
Gladde speldhoren - Eulimella ventricosa
Fijngestreepte speldhoren - Anisocycla nitidissima

De speldhorens, die alleen fossiel van onze kust bekend zijn, hebben zeer spitse torenvormige huisjes. Het bijzondere aan de huisjes is de tophoek die haaks staat op de overige windingen. Die ongelijkheid is te vinden in de tweede genusnaam Anisocycla, an- (Gr.) = niet, iso = gelijk en cycla = “winding”.
De soortnaam nitidissima betekent zeer glanzend, het huisje is echter ook fijngestreept in tegenstelling tussen Eulimella ventricosa die glad is. De soortnaam ventricosa betekent buikig, gezwollen. Dit ter onderscheiding van andere speldhorens die niet van die bolle windingen hebben.
De Eulimella is opgebouwd uit het genus Eulima en het achtervoegsel –ella, dat klein betekent. Het voorvoegsel eu- (Gr.) = goed en lima (Lat.) = vijl. hier in de betekenis van glad.

Spieshorentjes - Aclis

Kleine spieshoren - Aclis minor
Engels: Glossy Aclis
Deens: Spiralribbet pighudesnegl

Slanke spieshoren - Aclis walleri
Deens: Tårnformet pighudesnegl

Aclis van het Latijnse aclys is een aan een riem bevestigd werptuig. Het schijnt een soort harpoen of spies te zijn geweest. De Nederlandse en de wetenschappelijk naam duiden op de spitse vorm van de huisjes.
De kleine spieshoren (minor Lat. = kleiner) is met een hoogte van 6 mm inderdaad een klein slakje en de slanke spieshoren heeft een slank huisje.
Aclis walleri is genoemd naar Edward Waller (ca. 1803-?), Ierse landeigenaar in Lissenderry en collega-schelpenverzamelaar van Jeffreys en Johnston.

Spieshorentjes – Graphis en Cima
Geruit spieshorentje - Graphis albida

Stomp spieshorentje - Cima minima

Het priemvormige horentje van Graphis albida heeft een opvallende traliewerkstructuur van s-vormig gebogen dwarsribben en ertussen fijnere spiraalribben, vandaar Geruit spieshorentje. De kleur van de schelp is glanzend wit tot crème; albida (Lat.) betekent witachtig.
Graphis komt van het Griekse graphis = schrijfstift of griffel.
De genusnaam Cima komt van cyma (Lat.), koolspruit, van het Griekse kuma = zwelling, kiem. Waarschijnlijk genoemd naar de bolle windingen. Het zijn kleine horentjes, minima betekent zeer klein.

Spikkelhoren - Setia pulcherrima
Familie: Rissoidae

In wetenschappelijke namen betekent seta- meestal borstel- ,afgeleid van saeta (Lat.) = stijf, borstelig haar. In de naam van dit genus is daar geen aanleiding voor. Volgens Hansson is het afgeleid van de geografische naam Setia, een oude stad in Latium (Italië), beroemd om zijn wijn, vinum setinum. Een laatste mogelijkheid is dat het komt van setius (Lat.) = anders, minder goed, verkeerd en slaat dan op de afwijkende taxonomische positie ten opzichte van een genus waartoe de soort eerst behoorde.
Pulcherrima (Lat.) = zeer mooi, de overtreffende trap van pulcher = mooi. De schelp is wit, glanzend, halfdoorschijnend met vier rijen roodbruine vlekjes op de laatste omgang. Dit is ook de betekenis van de Nederlandse naam Spikkelhoren.

Spiraalhorens - Iravadiidae
Stompe spiraalhoren - Ceratia proxima

Doorschijnende spiraalhoren - Hyala vitrea

De spiraalhorens zijn genoemd naar de fijne gordelvormige spiraalgroeven, zoals bij de Gordelhorens.
De Stompe spiraalhoren heeft een relatief stompere top dan de hieronder genoemde soort. Proxima (Lat.) betekent dichtbij of gelijkend en is hoogstwaarschijnlijk een aanduiding dat de soort erg lijkt op een andere soort uit dit genus of deze familie. Ceratia is afgeleid van Griekse keras, 2e nv karatos, is horen. Zowel in de betekenis als de horen van een dier als de stofnaam. In dit geval is de eerste betekenis voor de hand liggend.
Plaatselijk in de Noordzee leeft de Doorschijnende spiraalhoren. Lege huisjes spoelen zo nu en dan op ons strand aan. Hyala komt van het Griekse hualos = glasachtige steen, glas. In het Nederlands kennen we het woord hyalien = glasachtig. Ook de soortnaam slaat op deze eigenschap, want ook vitrea (Lat.) is glasachtig of van glas.

Spitse contravleugelslak – Limacina retroversa
Familie: Limacinidae

De Spitse contravleugelslak is een pelagische soort met sterk verbrede uitgroeisels of parapodiën, in de Nederlandse naam vleugels genoemd. Zowel de Nederlandse naam (contra = tegen) als de soortnaam retroversa (lat.) = naar achteren gekeerd, omgekeerd slaan op de linksgewonden huisjes. De meeste soorten slakken hebben namelijk rechtsdraaiende huisjes.
Naar de spitse top van het huisje, heet de soort Spitse contravleugelslak.
Limacina is afgeleid van limax, limacis (lat.) slak, in het Grieks leimax.


Spitshorens – Cerithiidae
Engels: Ceriths
Duits: Hornschnecken, Seenadeln
Frans: Cérithes

Muizenkeuteltje - Bittium reticulatum
Familie: Cerithiidae
Engels: Small needle whelk
Duits: Mäusedreck
Frans: Cérithe réticulée
Deens: Lille tårnsnegl (tårn = toren)

De familienaam Cerithiidae is afgeleid van het genus Cerithium. De naam Cerithium is volgens Entrop afgeleid van kèrukion, de naam van een schelp. In het woordenboek is de betekenis van kèrukion echter herautstaf, vredesstaf, door twee slangen met naar elkaar toegekeerde koppen omwonden. Mogelijk bevat de naam het Griekse keras, keratos = horen.
Omdat het kleine huisje van Bittium reticulatum gelijkenis vertoont met een muizenkeuteltje heeft de soort zijn Nederlandse naam gekregen. Besef overigens wel als u beschuit met muisjes eet, dat deze ook vanwege de gelijkenis met muizenkeutels zo genoemd zijn.
Bittium zou mogelijk afkomstig zijn van de Griekse vrouwennaam Bittiou die voorkomt in de antieke dichtkunst (bron Hansson, R. Muniz Solis noemt de Griekse naam Bittion).
De sculptuur van het huisje bestaat uit horizontale en verticale ribben die elkaar kruisen en zo een tralie- of netwerk vormen. De soortnaam reticulatum (Lat.) = met een net, netachtig slaat op deze eigenschap.

Spleethorens - Pleurotomariidae
Spleetschelpen, Spleethorens, Slithorens, Slittolhorens, Splithorens – Pleurotomariidae
Engels: Slit shells
Duits: Schlitzschnecken, Paarkiemer
Frans: Pleurotomaires

Oranjegevlamde slittolhoren - Perotrochus hirasei (Pilsbry, 1903)
Engels: Emperor’s slit shell, Hirase’s slit shell
Frans: Pleurotomaire Impérial

Entemnotrochus rumphii (Schepman, 1879)
Engels: Rumphius' slit shell

Spleethorens danken hun naam aan de spleet in de buitenrand van de mond. Lange tijd waren ze alleen als fossiel bekend, totdat in 1856 de eerste levende exemplaren in de Caribische zee gevonden werden.

Pleurotomaria is afgeleid van het Griekse pleura = zijde of zijkant en tomos = afgesneden deel. De genusnaam Perotrochus is afgeleid van peros (gr.) = verminkt en trochos = rad, schijf of tol (alles wat draait).
De soortnaam hirasei is genoemd naar Yoichiro Hirase (1859-1925) of naar zijn zoon Shintaro Hirase (1884-1939).
In Europa doet het verhaal de ronde, dat de vissers in Japan gedurende lange tijd verplicht waren elke slithoren die ze vingen aan de keizer te schenken. Dat zou wel de naam Emperor’s slit shell en Pleurotomaire Impérial verklaren. Of berust dit verhaal op een verkeerd begrip van de naam?

In 1859 ontving de Rotterdamsche Diergaarde een collectie van 8000 schelpen uit Nederlandsch Indië, gedetermineerd door de bekend malacoloog Mattheus Marinus Schepman (1847-1919). Toen in 1939 de Vereeniging Rotterdamsche Diergaarde geliquideerd werd, kwam de collectie via de Stichting Bevordering van Volkskracht in het Rotterdamse Natuurmuseum terecht. In deze verzameling bevond zich een onbekende merkwaardige schelp die Schepman in 1879 beschreef als Pleurotomaria rumphii. Het museum kwam hiermee in bezit van het holotype van deze schelp, die vanwege zijn kostbaarheid ook miljonairsschelp wordt genoemd.
Schepman noemde de soort naar Georg Everard Rumpf of Rumphius (1627-1702), ook wel de Blinde Ziener van Ambon of Plinius Indicus genoemd. Hij was een Duitse natuuronderzoeker die in 1652 in dienst kwam va de Oost Indische Compagnie. Toen hij in 1670 blind werd, handhaafde de Compagnie hem, vanwege zijn verdienste, zodat hij zich geheel kon toeleggen op zijn wetenschappelijk werk aan planten en dieren. Hij zette hier met hulp van zijn zoon, een tekenaar en een assistent zijn werkzaamheden voort. Bij zijn overlijden in 1702 werd hij te Ambon begraven. Na zijn dood verscheen in 1705 D’Amboinsche Rariteitkamer met tekeningen en beschrijvingen van schaaldieren, schelpen en gesteenten van het eiland Ambon.
De genusnaam Entemnotrochus is afgeleid van entemno (gr.) = insnijden en trochus.

Sponshorens – Cerithiopsis
Familie: Cerithiopsidae
Bruine sponshoren - Cerithiopsis tubercularis
Duits: Höckrige Spitznadel
Engels: Cerith needle-whelk

Kleine sponshoren - Cerithiopsis nana

Het merendeel van de soorten van het genus Cerithiopsis leven op sponsen. De genusnaam betekent gelijkend (uitgang –opsis) op Cerithium, een genus uit een andere familie.
De kleur van het huisje van de Bruine sponshoren is donker- of kastanjebruin. De soortnaam tubercularis betekent met knobbeltjes. Op de kruispunten van de dwars- en spiraalribben staan knobbels.
Van de Zeeuwse stranden is fossiel de Kleine sponshoren bekend. De hoogte van 3 mm is ongeveer de helft van de Bruine sponshoren. De soortnaam nana (lat.) betekent dwerg(achtig).

Staarthorens - Tibia
Staarthorens, Tibia’s – Tibia
Engels: Spindles
Duits: Spindelschnecken
Frans: Fuseaux

Grote staarthoren - Tibia fusus (Linnaeus, 1758)
Engels: Shin-bone Tibia, Spindle
Frans: Tibia fuseau

Indiase staarthoren - Tibia insulaechorab Röding, 1798
Engels: Indian Tibia, Arabian Tibia

Tibia melanocheilus A. Adams, 1854
Engels: Dark-mouthed Tibia

De schelp, met name van de Grote staarthoren heeft een zeer lang siphokanaal. De genusnaam Tibia (lat.) = scheenbeen, fluit verwijst naar deze eigenschap.
De soortnaam fusus (lat.) betekent spoel of klos. Spindle en fuseau betekenen ook spoel of klos.
De soortnaam insulaechorab, ook wel insulae-chorab gespeld, betekent van het eiland Chorab; insula (lat.) = eiland. Naspeuringen hebben echter nog geen eiland met die naam opgeleverd.
De soortnaam melanocheilus is samengesteld uit melano van melas, melanos (gr.) = zwart en cheilos = lip, naar de donkere mondopening van de schelp.


Steenbikker - Helicigona lapicida
In november 2004 is de Rode lijst van weekdieren officieel geworden. Op deze lijst staat de soort Steenbikker als kwetsbaar genoteerd. De soort heeft een beperkte verspreiding in Nederland en kwam oorspronkelijk alleen in Zuid-Limburg voor, maar is later ook gevonden op de dijken aan de IJsselmeerkust. De steenbikker heeft namelijk een voorkeur voor rotsige grond en oude muren. Bij droogte kruipt hij graag weg in holtes en spleten. Dit heeft hem de naam Steenbikker opgeleverd. In zowel de Duitse naam Steinbicker of Steinbruchsnecke als de Engelse naam Lapidary snail (lapidary = in steen gehouwen) komt dit zelfde kenmerk naar voren. Ook de soortnaam lapicida betekent stenen bewonend.
De genusnaam Helicigona is samengesteld uit Helici en gona. Helicis is een tweede naamval van Helix, een verwant geslacht uit de de familie Helicidae. Gona is waarschijnlijk afgeleid van het Griekse gonè hetgeen ondermeer afkomst betekent. Waarschijnlijk heeft de naamgever hiermee de verwantschap met Helix willen aanduiden.
Op de website van het Natuurhistorisch museum in Genève staat de soort onder de Franse naam Hélice lampe. De Franse soorttoevoeging lampe is wellicht afgeleid van het Latijnse lampas = fakkel, schittering .

Stekelhoren - Ocenebra erinacea
Familie: Muricidae
Duits : Gerippte Purperschnecke
Frans : Rocher hérisson (hérisson = egel)
Engels : Sting Winkle
Deens: Skællet pigsnegl

Op de kruispunten van de dwarsribben en de spiraalribben ontstaan knobbelige verdikkingen, die kunnen uitgroeien tot schubachtige stekels, vandaar de naam stekelhorens. Erinaceus (lat.) europaeus is de wetenschappelijke naam van de Egel. Als soortnaam is erinaceus ook in gebruik voor stekelige planten of dieren.
De naam Ocenebra is mogelijk afgeleid van okys (gr.)= vlug, snel, haastig en nebros = hertejong.

Stekelslakje - Acanthinula aculeata
Duits: Stachelschnecke
Engels: Prickly Snail
Deens: Børstesnegl

Het periostracum (opperhuid) van het Stekelslakje vormt op de omgangen van het huisje radiale ribjes waarop buigzame puntige stekels staan. De naamgeving is volledig op dit zeer kenmerkende eigenschap gericht. De genusnaam Acanthinula is afgeleid van het Griekse akantha dat stekel of doorn betekent. De naam is waarschijnlijk samengesteld uit acanthinus = steleldragend en de verkleiningsuitgang –ula. Het is namelijk een klein slakje van circa 2 mm hoogte.
De soortstoevoeging aculeata (Lat.) betekent ook stekelig. Bij de Nederlandse, Duitse, Engels en Deense naamgeving is ook alleen deze eigenschap in de naam verwerkt.

Sterslakken - Onchidoris
Rosse sterslak - Onchidoris bilamellata
Engels: Ginger sea slug
Duits: Braungefleckte Warzenschnecke
Deens: Brun doride

Wrattige sterslak - Onchidoris muricata
Deens: Hvid doride

De zeenaaktslakken van het genus Onchidoris heten sterslakken naar de stervormige uitwendige kieuwen. De naam Onchidoris is samengesteld uit Onchi en Doris, het eerste deel is gebaseerd op onkos (gr.) zwelling en het tweede deel op de genusnaam Doris (verwijzing). De dieren hebben een opgezwollen lichaam.
De Rosse sterslak heeft een bruin, koperkleurig lichaam. De soortnaam bilamellata slaat op de rhinophoriën met lamellen.
De Wrattige sterslak heeft vele rugwratten op het gehele lichaam. Muricata (lat.) betekent met scherpe punt. Misschien zijn de spicula in de mantel bedoeld, die door de transparante kleur als ijsnaaldjes zichtbaar zijn.

Stompe grondwaterslak - Avenionia brevis

Ondersoort: Avenionia brevis subsp. roberti

Avignon heette in de Romeinse tijd Avenio wat ‘stad van gevaarlijke winden’ of ‘stad van de rivier’ betekend. Het is mogelijk dat de naam Avignon in de genusnaam Avenionia voorkomt, vanwege de vondst van een soort uit dit genus in of in de buurt van deze stad in Zuid-Frankrijk. Rafael Muniz Solis vindt echter een afleiding van de persoon Graaf de la Tour d’Auvergne, wiens schelpencollectie in een catalogus uit 1784 beschreven staat.
De stompe grondwaterslak, ook wel grotslakje of holenslak genoemd, leeft in het grondwater en onderaardse ruimten zoals grotten en is in het buitenland alleen bekend van een aantal vindplaatsen in Duitsland en België.
Het bijvoeglijk naamwoord stomp slaat op de afgeronde stompe top van het huisje.
De ondersoortnaam roberti schijnt genoemd te zijn naar Robert Leruth (1912-1940), een specialist in biospeologie.

Streephorentje - Cingula cingillus
Duits: Gürtelrissoe
Engels: Banded-weedsnail

Het geslacht Cingula heeft de naam Streephorentjes gekregen naar de gekleurde banden of strepen op de windingen. Cingula (Lat.) betekent gordel of buikriem. De soortnaam cingillus is daar ook van afgeleid . De uitgang -illus is evenals –ulus een verkleiningsuitgang.

Struikslakken - Bradybaenidae
Struikslak - Fruticicola fruticum
Synoniem: Bradybaena fruticum
Engels: Bush snail
Duits: Genabelte Strauchschnecke
Deens: Busksnegl

De familie van de struikslakken heeft vooral vertegenwoordigers in Azië. In NW Europa komt maar één soort voor Fruticola fruticum. De familienaam Bradybaenidae is afgeleid van het genus Bradybaena, een naam die "langzame wandelaar" betekent, van bradus (gr.) = langzaam, traag en baino = wandelen, stappen, gaan.
De Struikslak leeft vooral op vochtige plekken langs bosranden, heggen en in struikgewas. Fruticola is samengesteld uit frutex (lat.) heester, struik en –cola = bewonend. De soortnaam fruticum is ook van frutex afgeleid.

Tepelhorens – Euspira en Amauropsis
(Gewone) Tepelhoren - Euspira catena
Synoniemen: Polinices catena, Natica catena, Lunatia catena
Duits: Grosse Nabelschnecke
Engels: Large necklace shell, Necklet moonshell
Frans: Natice porte-chaine
Deens: Stor borsnegl (stor = groot)

Glanzende tepelhoren - Euspira nitida
Synoniemen: Polinices polianus, Natica poliana, Lunatia poliana, Lunatia alderi, Euspira pulchella
Duits: Glänzende Nabelschnecke
Engels: Alder's necklace shell
Deens: Lille borsnegl (lille = klein)

Niet alleen de op het strand aangespoelde schelpen van de Tepelhoren geven het voorkomen van deze soort in de kustwateren aan, maar vooral de vele doorboorde schelpen van de tweekleppigen verraden de aanwezigheid van deze carnivore soort. De slak boort met zijn radula gaatjes in schelpen om ze vervolgens op te eten. Vandaar borsnegl (Deens) en Bohrschnecken (Duits).
Zeer zelden spoelen ook de halsband- of kraagvormige eisnoeren van aan elkaar gekitte zandkorrels aan. Dit gaf het genus de naam Necklace shells. Ook de Latijnse soortnaam catena = ketting slaat op deze eigenschap.
Andere namen voor de Tepelhorens zijn Maanschelpen, Mondschnecken (Duits, Mond = maan), Navel-hoorens, Nabelschnecken (Duits) en Moon shells (Engels). De vorm van de schelp, zijn kleur (beige-geel) en de halvemaanvormige mondopening gaf blijkbaar aanleiding tot een gevarieerde naamgeving.
Ook de wetenschappelijke naamgeving is zeer divers. Euspira (eu-spira) betekent mooie “spiraal” en heeft betrekking op de gladde glanzende huisjes. Natica is de naam van een schelp bij Ulysses Aldrovandus (1522-1605) (bron Entrop). Mogelijk is de naam afgeleid van natis (Lat.) = bil. Lunatia is afgeleid van luna (Lat.) = maan. Polinices is een latinisering van de Griekse naam Poluneikès (= veel twistend), de tweelingbroer van Eteocles en de zoon van Oedipus en Iocaste.
Nitida (Lat.) betekent glanzend, schitterend want de Glanzende tepelhoren is de meest glanzende van de twee soorten. De soortnaam polianus - Polinices polianus (Delle Chiaje, 1827) - is genoemd naar Josepho (Guiseppe) Xaverio (Saverio) Poli (1746-1825) van de Militaire Academie in Napels. Hij publiceerde in 1791 and 1795 Tert. utriusq. Siciliae I & II. Delle Chiaje publiceerde in 1826 & 1827 Deel III.

IJslandse tepelhoren - Amauropsis islandica
Engels: Iceland necklace shell, Iceland moon snail
Deens: Højspiret boresnegl (høj = hoog)

Amauros (Gr.) betekent donker, duister, onduidelijk, zwak, blind. De relatie van deze naam met deze soort is nog niet duidelijk. Het slaat in ieder geval niet op de kleur van de huisjes, want die is crèmewit, maar mogelijk wel op de geelbruine opperhuid. De uitgang –opsis betekent gelijkend op of in de vorm van.
De soorttoevoeging islandica en de Nederlandse soortnaam slaan op het Noordelijk verspreidingsgebied van deze soort. De Deense naam heeft betrekking op de meer langgerekte vorm dan andere tepelhorens.
Fossiele exemplaren van deze soort zijn bekend van de Belgische en Zeeuwse kust en van de Waddeneilanden.

Tandtolhoren - Osilinus lineatus
Engels: Thick top shell
Duits: Fleckenturban

Tandtolhorens hebben een dikschalige horen met aan de binnenzijde van de mondopening een duidelijke tand of knobbel.
De soortnaam lineatus heeft betrekking op de zigzagvormige spiraallijnen op het huisje. Lineata komt van linea (lat.) lijn en betekent gestreept. Volgens Rafael Muniz Solis (2002) is Osilinus afgeleid van Oxylus, zoon van Ares en Prototogenia uit de Griekse mythologie.

Tere aardslak - Malacolimax tenellus
Familie: Limacidae
Synoniem: Limax tenella
Duits: Pilzschnegel
Engels: Slender slug

In de genusnaam Malacolimax (Malaco + Limax) komt dezelfde stam voor als in malacoloog. Malakos (gr.) betekent week, zacht, teer, tenger en het tweede deel van de naam verwijst naar het genus Limax, waartoe de soort vroeger gerekend werd.
De soortnaam tenellus betekent heel teer, fijn en slaat op het lichaam dat een tere weke indruk maakt. Het dier is fraai helder geel met een paar donkere tentakels. Ook het slijm dat hij produceert is geel.
De soort voedt zich met paddestoelen, daarom de Duitse naam Pilzschnegel.

Tipjes - Janolus
Blauwtipje - Janolus cristatus
Engels: Crested Aeolis

Wrattig tipje - Janolus hyalinus

Janus of Ianus is een Romeinse god van de deuren en de poorten, van het openen en het sluiten, voorgesteld met twee gezichten. Volgens de sage had hij een heiligdom in de vorm van twee deuren, in vredestijd waren deze gesloten, in oorlogstijd open. De maand januari is aan hem gewijd. De uitgang –olus in Janolus is de verkleining van Janus.
De soorten heten tipjes, omdat de toppen van de papillen blauw of wit aangestipt zijn. De soortnaam cristatus van het Blauwtipje duidt op de kamvormige uitwas tussen de rhinophoriën.
Bij het Wrattige tipje komen er wratjes op de papillen voor. De naam hyalinus (lat.) van glas, doorzichtig heeft betrekking op het lichtbruine of grijzige halftransparante lichaam van de soort.

Tolhorens – Gibbula
Asgrauwe tolhoren - Gibbula cineraria
Duits: Aschgraue Kreiselschnecke (Kreisel = tol)
Engels: Grey top shell (top = tol)
Frans: Gibbule cendrée
Deens: Almindelig topsnegl

Geknobbelde tolhoren, Tovenaar - Gibbula magus
Duits: Zauberbuckel (Buckel = bochel, bult)
Engels: Painted top shell
Frans: Troque mage

Gevlamde tolhoren - Gibbula pennanti
Duits: Ungenabelte Buckelschnecke
Engels: Pennant's top shell

Gezwollen tolhoren - Gibbula tumida
Duits: Spitze Kreiselschnecke
Engels: Swollen top shell
Deens: Rødbrun topsnegl

Genavelde tolhoren - Gibbula umbilicalis
Duits: Genabelte Buckelschnecke
Engels: Flat top shell
Frans: Troque ombiliqué

Gibbula nehalenniae Van Regteren Altena, 1954

Gibbula fanulum (Gmelin, 1791) – Tempeltolhoren, Gekerfde tolhoren

Gibba (Lat.) is bochel, bult. Gibbula met het verkleinings achtervoegsel betekent bultje of bocheltje naar het tolvormige huisje van de tolhorens.
De asgrauwe tolhoren is genoemd naar de grijze kleur van het huisje. Cineraria komt van cinereus (Lat.) dat eveneens asgrauw betekent.
De Geknobbelde tolhoren heeft knobbels op de windingen. Magus (Lat.) betekent magiër of tovenaar. Het huisje gelijkt op de tulband van een magiër.
De gevlamde tolhoren heeft een tekening van rode vlekken en strepen. De soortnaam is genoemd naar Thomas Pennant (1726-1798), een welbekende schrijver over natuurlijke historie uit Wales.
De Gezwollen tolhoren heeft iets bollere windingen dan de overige soorten. Waarschijnlijk is de Nederlandse naam een vertaling van de soortnaam tumidus (Lat.) die ook gezwollen betekent.
De Genavelde tolhoren heeft een ronde, duidelijke navel. Umbilicalis komt van umbilicus (Lat.) = navel.
De fossiele schelp Gibbula nehalenniae, gevonden in de Westerschelde heeft C.O. van Regteren Altena genoemd naar de godin Nehalennia. Deze godin is ons bekend sinds 5 januari 1647, toen op het strand bij Domburg, na een zware storm vele stenen monumenten zichtbaar werden. Men vereerde deze godin om voorspoed en om bescherming tegen de gevaren van de zee te verkrijgen. In 1970 zijn in de Oosterschelde bij Colijnsplaat vele altaren van een tweede heiligdom opgevist.
Gibbula fanulum is een Europese soort die voorkomt in roodwier van het genus Posidonia. Fanum (lat.) is een aan een Godheid gewijde plaats, vandaar heiligdom tempel. Fanulum betekent tempeltje en slaat op de vorm van het huisje. Waarschijnlijk heeft een Chinese of Japanse tempel als voorbeeld gediend.

Tolslakken – Euconulus
Familie: Helicarionidae
Moeras-tolslak - Euconulus alderi
Duits: Dunkles Kegelchen
Deens: Alders topassnegl

Gladde tolslak- Euconulus fulvus
Duits: Helles Kegelchen
Engels: Tawny glass snail (tawny = taankleurig)
Deens: Topassnegl

Euconulus is samengesteld uit eu- = goed, conus (lat.) = kegel en –ulus een verkleiningsuitgang. Genoemd naar het kegel- of tolvormige huisje van de tolslakken.

Euconulus alderi is genoemd naar Joshua Alder (1792-1867), amateur concholoog, bekend van zijn boek "A Monograph of the British Nudibranchiate Mollusca" dat hij samen met Albany Hancock (1806-1873) schreef.
De Moeras-tolslak is een typische bewoner van moerassen.

De schelp van de Gladde tolslak is geelbruin tot donkerbruin, glanzend en vrijwel glad. De soortnaam fulvus (lat.) betekent geelbruin, taankleurig.

Tonhorens - Tonnidae
Tonslakken, tonhorens – Tonnidae
Duits: Tonnenschnecken
Engels: Tun shells
Frans: Tonnes

Reuzentonhoren - Tonna galea (Linnaeus, 1758)
Engels: Giant tun
Duits: Grosse Fassschnecke

Uienton, grofgeribde tonhoren - Tonna allium (Dillwyn, L.W., 1817)
Engels: Costate tun, Ribbed tun

Tonna cepa (Röding, P.F., 1798)
Engels: Channeled tun
Frans: Dolium oignon

Geblokte tonhoren - Tonna dolium (Linnaeus, 1758)
Engels: Spotted tun, Spotted cask

Pacifische patrijstonhoren - Tonna perdix (Linnaeus, 1758)
Engels: Pacific partridge tun

Tonna lischkeana (Küster, H.C., 1857)
Engels: Lischke's Tun

Tonna komt van het Middeleeuws-latijn tunna of tonna = ton of vat, maar is oorspronkelijk van Keltische oorsprong. Naar de tonvormige schelp worden de soorten van deze familie zo genoemd. De meeste soortnamen van het genus Tonna zijn ook naar de vorm van de schelp genoemd, bijvoorbeeld galea (lat.) = helm, allium = alium (lat.) = knoflook, cepa = caepa (lat.) = ui en dolium (lat.) = vat, wijnvat (vergelijk de Duitse naam).
De naam perdix (lat.) = patrijs, is genoemd naar het kleurenpatroon van de schelp, gelijkend op het verenpatroon van een patrijs.
Tonna lischkeana is genoemd naar Carl Emil Lischke (1813-1886), amateur bioloog en malacoloog. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Berlijn. Hij publiceerde over Japanse mariene schelpen, waarvan hij een grote collectie opbouwde, en vernoemde de soort Trochus alwinae naar zijn vrouw. In 1873 verkocht hij zijn collectie aan de apotheker Theodor Löbbecke (1821-1901) die een van de grootste schelpencollecties van Duitsland bezat.

Tonnetjes - Pupillidae
Mostonnetje - Pupilla muscorum
Moospuppenschnecke
Moss Snail
Bimbelsnegl

Gestreept tonnetje - Pupilla sterri
Gestreifte Puppenschnecken

Het mostonnetje is een slakje dat veel op mos voorkomt, met een huisje in de vorm van een tonnetje. De soortsnaam muscorum komt van (Lat.) muscus dat mos betekent. De genusnaam Pupilla is samengevoegd uit pupa (Lat.) = speelpop, poppetje en de verkleiningsuitgang –illa. Dus een heel klein poppetje, niet op de vorm van het huisje slaand, maar op de kleine afmetingen van deze slak. Het gestreepte tonnetje heeft een duidelijk gestreept huisje door de groffe groeilijnen. Sterri is zeer waarschijnlijk een afleiding van de persoonsnaam Sterr, waarover (nog) geen nadere bijzonderheden gevonden zijn.

Torenslakken - Enidae
Grote torenslak, Bergveelvraatslak - Ena montana
Engels :Bulin
Duits: Bergturmschnecke
Frans: Bulimine montagnarde

Donkere torenslak, Kleine veelvraatslak - Merdigera obscura
Synoniem: Ena obscura
Engels: Lesser Bulin
Duits: Kleine Turmschnecke

Drietandtorenslak, Drietandige veelvraatslak – Chondrula tridens
Duits: Dreizahnturmschnecke

Het zijn slakken met min of meer torenvormige huisjes, die door Herklots in zijn Natuurlijke Historie van Nederland (1859-1862) veelvraatslakken genoemd worden. De verklaring die Rafael Muniz Solis voor de betekenis van de genusnaam Ena geeft, van eno (lat.) = (weg)zwemmen, lijkt niet erg van toepassing op deze soorten.

Het biotoop van de Grote torenslak zijn de bossen bergen en heuvelland. De soortnaam montana (lat.) betekent van de bergen. Hij is groot ten opzichte van de Donkere torenslak. Het voorkomen in Nederland is twijfelachtig, vermoedelijk is het dier in historische tijden uit Nederland verdwenen.
Merde, een Frans scheldwoord komt van het Latijnse merda = excrementen, uitwerpselen, stront. In de genusnaam Merdigera komen we hetzelfde woord tegen, gevolgd door –gera, dat dragend betekent; gero (lat.) = dragen. Bij het levende dier is namelijk door een verharde laag van slijm en aarde bedekt, waardoor het dier moeilijk te vinden is. De soortnaam obscura (lat.) betekent donker, verborgen.
De Drietandtorenslak is een midden- en zuid-eurpopese soort die in België voorkomt Het voorkomen van in Nederland is twijfelachtig.
Er staan drie dikke tanden in de mondopening, tridens = drietand. Chondros (gr.) = elke kleine ronde massa, korrel, graankorrel en -ula = verkleiningsuitgang.

Traliehorens - Chrysallida
Familie: Pyramidellidae
Stomp traliehorentje - Chrysallida sarsi
Ruw traliehorentje - Chrysallida obtusa
Slank traliehorentje - Chrysallida indistincta
Klein traliehorentje - Chrysallida spiralis

Chrysalis is in het Engels een pop van een vlinder. Het komt van het Latijnse chrysallis, een goudkleurige vlinderpop. Het is afgeleid van het Griekse chrusos = goud. Met enige fantasie lijken sommige soorten Chrysallida op een vlinderpop.
Alle soorten hebben een platte, stompe top, maar bij twee soorten is dat in de naam opgenomen. Het Stompe traliehorentje en Chrysallida obtusa; obtusa (lat.) = stomp.
Er zijn twee personen op wie de soortnaam sarsi kan slaan. Michael Sars (1805-1869) Noorse natuuronderzoeker en Georg Ossian Sars (1837-1927) een eveneens Noorse zooloog.
De sculptuur van het Ruw traliehorentje bestaat uit gebogen dwarsribben en op de onderste helft van de windingen worden deze gekruist door spiraalgroeven. Dit geeft de schelp een enigszins ruw uiterlijk.
Het Slank traliehorentje heeft het meest slanke, torenvormige horentje. De soortnaam indistincta (lat.) betekent ongeordend, in- als voorvoegsel duidt een ontkenning aan en distinctus = onderscheiden, versierd, afwisseling van kleur. De horentjes zijn wit, dus is misschien bedoeld onversierd, eenkleurig.
Het kleine traliehorentje (max. 3 mm) maakt de kleinste indruk omdat het huisje kort driehoekig is. De soortnaam spiralis (lat.) = spiraalvormig en komt van spira = spiraal. De naam zal gebaseerd zijn op de sculptuur. Deze is nogal opvallend, en bestaat uit dwarsribben die in het midden van de winding plaats maken voor spiraalribben.

Trapgevels - Oenopota
Trapgevel - Oenopota turricula
Engels: Turreted conelet
Duits: Treppengiebelchen
Deens: Skarpkølet pilsnegl

Schuingeribde trapgevel - Oenopota rufa
Engels: Red conelet

De naam oenopota is misschien afgeleid van oinopoter = wijndrinker of van oinos = wijn en poterion = drinkbeker. Rafael Muniz Solis (2003) geeft als verklaring oenus = unus (lat.) = één en potum = kan, kruik. De verbinding met de soorten uit dit genus is niet eenduidig te verklaren. Heeft de auteur de vorm van vergeleken met een drinkbeker of is een wijnkleurige soort de bepaalde factor geweest of is er nog een andere verklaring? De naam trapgevel is afkomstig van de trapvormig afgezette windingen, De soortnaam turricula (lat.) betekent torentje, naar de vorm van het huisje.
De huisjes van de Schuingeribde trapgevel hebben schuine ribben in tegenstelling tot bovenstaande soort die loodrechte ribben heeft. De tweede naam rufa (lat.) betekent rossig of roodbruin.

Tritonhoren – Charonia tritonis
Familie: Tritonhorens – Ranellidae
Duits: Tritonshorn
Engels: Triton's trumpet

De schelp van de Tritonhoren of Tritonschelp kan gebruikt worden als trompet door een gat in de horen te boren. Een dergelijke schelp kan een zeer laag geluid produceren wat mijlen ver gehoord kan worden. In Japan heet de schelp horagai of hora. Shinto priesters in Japan gbruiken de Tritonhoren vandaag de dag nog steeds voor hun dagelijkse gebedsoproep.
De genusnaam Charonia is genoemd naar Charon uit de Griekse mythologie. Charon is de veerman in de onderwereld die de doden met zijn bootje over de rivier de Styx voerde. Hij wordt afgebeeld als een barse bebaarde figuur met de dubbele hamers in zijn hand.
De soortnaam tritonis en de niet-wetenschappelijk namen verwijzen naar Triton, de Griekse zeegod, zoon van Poseidon en Amphitrite.

Tuinslakken - Cepaea
(Gewone) Tuinslak, Zwartgerande tuinslak, Boschslak - Cepaea nemoralis
Duits: Schwarzmündige Bänderschnecke
Engels: Brown-lipped Snail, Banded Wood Snail
Frans: Escargot à bord brun, Escargot des bois
Deens: Lundsnegl

Witgerande tuinslak - Cepaea hortensis
Duits: Weissmündige Bänderschnecke, Gartenschnecke
Engels: White-lipped Snail, White-lip Gardensnail
Frans : Escargot à bord blanc, Escargot des jardins
Deens: Havesnegl

In de Wetenschappelijke Mededeling Naamlijst van de Nederlandse plantensoorten schrijft V. Westhoff: "Tot onze verbazing bleek Prof. Heimans de mening toegeschreven, dat de Nederlandse naam van een genus en die van een tot dat genus behorende soort niet identiek mochten zijn". Veel plantennamen kregen volgens deze regel toevoegingen als "gewone" en "echte". Westhoff die het met deze regel volstrekt oneens was, noemde dergelijke namen, zoals Gewone kattenstaart, Heimansiana. De regel kreeg bekendheid als Heimansregel. De commissie die de standaardnamen voor Nederlandse weekdieren vastgesteld heeft, worstelde met hetzelfde probleem. Hier heeft men er voor gekozen het voorvoegsel "gewoon" of "gewone" tussen haakjes te plaatsten en het gebruik facultatief te stellen. Als er verwarring mogelijk is, kan er van de toevoeging gebruik worden gemaakt. Hoewel de regel destijds voor plantennamen is vastgesteld, is de naam Gewone tuinslak dus eigenlijk ook een Heimansiana.

Cepaea is een Latijnse transcriptie van het Griekse kèpaios (van kèpos = tuin), dat in tuinen gekweekt betekent. Dit "in tuinen gekweekt" moet voor de soorten van het geslacht Cepaea opgevat worden als: in tuinen voorkomend. Tuinslakken komen inderdaad veel in tuinen voor, waarbij de Gewone tuinslak de meest algemene is. Beide soorten zijn echter niet tot tuinen beperkt, maar komen ook in bossen, struikgewas, heggen, graslanden en duinen voor. De soortnamen hortensis (Lat., hortus = tuin) = "in tuinen voorkomend" en nemoralis (Lat., nemus = bos) = "in bossen voorkomend" zijn als onderscheidende naam niet goed gekozen.
Een beter onderscheidend kenmerk is de kleur van de mondrand die bij de Gewone tuinslak vrijwel altijd donker gekleurd is en bij de Witgerande tuinslak altijd wit is.

Tulbandschelpen - Turbinidae
Groene reuzentulband, Slangenveltulband - Turbo marmoratus
Frans: Burgau
Duits: Ölkrug, Marmorierte Kreiselschnecke (Kreisel = tol)
Engels: Green Turban Shell (turban = tulband)

De familie Turbinidae (Tulbandschelpen) is genoemd naar het genus Turbo van het Latijnse turbo = draaiende beweging, stuwkracht, wervelwind, tol. Naar de gelijkenis van het slakkenhuis met een tulband heeft de familie zijn Nederlandse naam gekregen.
De kleur, structuur en tekening van de schelp blijken uit de namen Groene reuzentulband, Slangenveltulband en de soortnaam marmoratus. Marmoreus (Lat.) = van marmer. Het kalkachtige operculum van deze soort heeft een afzonderlijke benaming: Venusnavel (Van Dale).
De binnenkant van de schelp is voorzien van parelmoer, waarmee deze geschikt is voor de parelmoerindustrie. Burgau is de Franse naam van verschillende parelmoerschelpen. De schelpen werden vroeger ook als olievat gebruikt, vandaar de naam Ölkrug en de een synonieme naam voor deze soort: Turbo olearius.

Tulband – Astraea rugosa
Europese tulband – Astraea rugosa
Synoniem; Bolma rugosa
Engels: Star shell
Duits: Roter Runzelstern (Runzel = rimpel)
Frans: Astrée rugueuse
Italiaans: Occhio di Santa Lucia

De Italiaanse naam betekent Oog van Sint Lucia, een naam die niet slaat op de schelp, maar op het kalkachtige operculum. De Duitsers hebben daar zelfs een afzonderlijke naam voor: Katzenauge. In vroeger tijd werden deze oranje opercula zeer gewaardeerd in de sieraden-industrie. Een andere nuttige toepassing is het gebruik als voedsel; soms worden de dieren op vismarkten te koop aangeboden.
Het is een soort uit de familie van de Turbinae die in Europa voorkomt, en wel aan de kust van Portugal en de Middellandse zee. Het huisje van de Europese tulband heeft wel iets weg van een tulbandvorm.
Astraea is afgeleid van aster (gr.) = ster in samenstelling astro-. Vergelijk het woord astrologie. Het huisje heeft spiralen bezet met schubjes en knobbels die het een sterachtig uiterlijk geven, al is het bij andere soorten uit deze familie dit kenmerk veel opvallender. Rugosa (lat.) komt van ruga = rimpel en betekent rimpelig. De uitgang –osa geeft volheid of rijkdom aan.

Turrisipho
Turrisipho Dautzenberg & Fischer, 1912

Turrisipho lachesi (Mörch, 1869)
Turrisipho moebii (Dunker & Metzger, 1874)
Turrisipho voeringi Bouchet & Warén, 1985

De genusnaam Turrisipho is opgebouwd uit turris (lat.) = toren en siphon (gr.) = buis. De soorten hebben kleine spilvormige huisjes met een duidelijke sipho. Een spipho is een buisvormig gootje aan de onderzijde van de mondopening van de schelp.
Lachesis is één van de schikgodinnen (Moiren of Moerae). De drie schikgodinnen bepalen het lot en de levensduur van de mensen. Clotho, de spinster, spon de levensdraad, Lachesis, de toedelende, rolde deze op en Atropus, de onafwendbare, sneed hem door.
De soortnaam moebii is het eponiem van Karl August Möbius (1825-1908), Duits zoöloog uit Kiel, later uit Berlijn.
Het soortstoevoegsel voeringi is genoemd naar het onderzoeksschip "Vöringen" van de Noorse Noord-Atlatische Expeditie van 1876-1878.

Turveria encopendema
Turveria encopendema S.S. Berry, 1956
Familie: Eulimidae

Turveria encopendema is de enige soort van het genus Turveria Berry, 1956 De naam Turveria is gegeven ter ere van Harry R. Turver (1892-1968), die schelpen verzamelde voor het San Diego Natural History Museum.
De soort leeft aan de onderzijde van zanddollars, een soort met de wetenschappelijke naam Encope grandis. Zandollars zijn zeer platte zeeëgels. Het tweede deel van de soortnaam komt van endèmos (Byzanthijns-Grieks), dat inheems betekent en heeft te maken met het feit dat deze soort alleen in de Golf van Californië en Mexico voorkomt.

Vaatjesslak - Sphyradium doliolum
Synoniem: Orcula doliolum
Duits: Kleine Fässchenschnecke
Frans: Maillot barillet (barillet = vaatje, tonnetje

Een dolium is een groot aardenwerken voorraadpot. De verkleiningsuitgang –olum moet wel sterk zijn voor een slakje van 5 mm hoogte, dat wel iets van een heel klein wijnvaatje weg heeft. Ook orcula van orca (Lat.) = aarden pot voor het verzenden van vis, met –ula de verkleiningsuitgang is afgeleid van de vorm van het huisje.
De betekenis van de genusnaam Sphyradium is niet goed te duiden. Een samenstelling met sphura (Gr.) = hamer ligt niet voor de hand. Ook het tweede deel –radium, radius = stok, staaf, straal of radio = stralen laat zich ook niet goed verklaren.

Noemiamea dolioliformis - Vaatjestandhoren
Familie: Tandhorens e.a. Pyramidellidae

Doliolum = vaatje, dolioformis = in de vorm van een vaatje, slaat op het de vorm van het huisje van deze zeeslak. De soort behoort tot de subfamilie Odostomiinae – Tandhorens, zo genoemd vanwege een tandje op de spil van het huisje.
Noemiamea Hoyle, 1886 is waarschijnlijk afgeleid van de genusnaam Noemia de Folin, 1872. Noèma (gr.) betekent gedachte, mening, maar is geen redelijke verklaring voor de naam van dit genus. Rafael Muniz Solis leidt de naam af van de Griekse vrouwennaam Noemis en amé = bek, snavel (niet in Grieks woordenboek).

Valse obliehoorn en Bootschelp – Cylichna en Scaphander
Cylichna cilindracea lijkt op de obliehorens (fam. Retusidae), maar behoort tot een andere familie (Cylichnidae) en heet daarom Valse obliehoren. De genusnaam betekent in het Griekse Kleine beker (kulichnè) en de soorttoevoeging cilindervormig. Beide slaan op de vorm van de schelp. De namen Zylindersnecke (Duits), Cylindershell (Eng.) en Cylindersnegl (Deens) zijn hiermee ook verklaard.
Een andere soort uit de familie Cylichnidae of Bootschelpen is Scaphander lignarius, de bootschelp of Canoe-shell (Eng.). De laatste winding van deze soort is breed uitgegroeid en sluit eerdere windingen in, dit geeft de schelp een bootachtig uiterlijk. De rood tot roodbruine kleur geeft aanleiding tot de soortnaam lignarius, al betekent dit letterlijk houthandelaar, en de Duitse naam Holzboot.
Scaphander komt van het Griekse skaphè = boot en mogelijk andros = man. Of scaphander een kano is (boot plus man?), zoals in de Nederlandse naamlijst van weekdieren verklaard is, is nog niet bevestigd door een andere bron. Misschien sluit het eerder aan bij het Franse scaphandre dat duikerpak betekent.

Vijgschelpen, Vijghorens – Ficidae
Engels: Fig shella
Duits: Birnenschnecken (Birne = peer), Feigenschnecken
Frans: Figues

Het bekendste genus van deze familie is Ficus, waarnaar de familie genoemd is. De genusnaam Ficus komt van het Latijnse ficus = vijgenboom, vijg. De naam is ontleend aan de omgekeerde peer- of vijgvormige horens.
Enkele voorkomende soorttoevoegingen met betekenis van soorten van het genus Ficus zijn:

Ficus ficus van ficus (lat.) = vijg; Raspvijghoren; Eng. Common fig shell
Ficus filosa van filum (lat.) draad; vol draden; Geweven vijghoren; Eng. Threated fig shell
Ficus gracilis van gracilis (lat.) = slank; Sierlijke vijghoren; Eng. Graceful fig shell
Ficus carolae van Carol; Eng. Carol’s fig shell
Ficus investigatoris van investigator (lat.) onderzoeker; Eng. Bengal fig shell
Ficus eospila van eos (lat.) = morgenrood en pila = bal?; Gevlekte vijghoren;
Eng. Spotted fig shell
Ficus laevigata van laevis (lat.) = glad, kaal; Eng. Smooth fig shell
Ficus howelli van Howell; Eng. Howell’s fig shell
Ficus ventricosa van ventricosus (lat.) = dikbuikig; Eng. Swollen fig shell
Ficus papyratia papyratia van papyrus (lat.) = papyrusplant; Eng. Atlantic fig shell
Ficus pellucida van perlucidus (lat.) = doorschijnend; Eng. Atlantic fig shell
Ficus tessellata van tessalatus (lat.) = mozaïek-; Eng. Tessalate fig shell
Ficus variegata van variegare (lat.) = bont maken; gevlekt; Eng. Variable fig shel


Vlakke schijfhoren - Hippeutis complanatus
Engels: Flat ramshorn
Duits: Linsenförmige Tellerschnecke
Frans: Planorbe lentiforme

Verscheidene soorten van de genera Hippeutis en Segmentina zijn tussengastheer van de trematode Fasciolopsis buski. Wellicht dat dat de genusnaam Hippeutis verklaard, van hippeutès (gr.) = bereden (poëtisch). Muniz Solis leidt de naam af van hippos (gr.) = paard en eute = evenals
Het huisje van de Vlakke schijfhoren heeft opvallend vlakke windingen.complanatus (lat.) = afgevlakt, samengedrukt.

Vlerkslakken - Clione
Vlerkslak, Walvis-aasch - Clione limacina
Duits: Walaat (= walvisaas)

J. van der Hoeven noemde deze soort in zijn Handboek der Dierkunde (1849-1855), vlerkworm of walvis-aasch. Clione, een pelagische slakkensoort behoort met het genus Spiratella tot het hoofdvoedsel van de baardwalvissen. De tot vleugeltjes uitgegroeide delen van de voet geven hem de naam Vlerkworm of Vlerkslak.
Hoewel het genus Clione tot de schelploze vleugelslakken behoort en het genus Clio tot de schelpdragende vleugelslakken, zal Clione toch wel van de genusnaam Clio afgeleid zijn.
De soortnaam limacina komt vinden we als genusnaam bij Limacina retroversa, de Spitse contravleugelslak. Het is afgeleid vam limax, 2e naamval limacis en betekent slak.

Vleugelhorens – Strombidae
Duits: Flügelschnecken, Fechterschnecken
Engels: Conchs, Fighting conchs
Frans: Strombes
Spaans: Strombus
Deens: Kæmpekonkylie

Strombus gigas
Roze vleugelhoren, Koninginnehoren, Grote kroonslak
Duits: Rosa Flügelschnecke
Engels: Queen conch, Pink conch
Frans : Strombe géant, Lambis
Spaans : Cocha reina del Caribe
Antilliaans : Karkó

Strombus vittatus entropi

Stromus aurisdianae Linnaeus, 1758
Engels: Diana conch

Strombus (naamgever van de familie) komt van strombos (Gr.) = drijftol, poëtisch ook wervelwind of slakkenhuisje. De vleugelvormige mond leverde stof voor Nederlandse en Duitse naam van deze groep slakken. Het sikkelvormige operculum wordt bij voortbeweging en verdediging gebruikt. Fechterschnecken en Fighting conchs benadrukken die laatste eigenschap.
Een van de bekendste soorten van deze familie is de Roze vleugelhoren, Strombus gigas, een soort uit het Caraïbisch gebied. Gigas (= reuzen-) is met een schelpgrootte van 300-350 mm een goed gekozen naam. De grootste soort schijnt echter Strombus goliath, de Reuzenvleugelhoren te zijn. Goliath is de reus die door David werd verslagen.
“Het dier wordt door de armen gegeten, en dient ook voor aas. De schelp bij de visschers om erop te blazen, nadat men er de top heeft afgeslagen” zo meldt Hendrik van Rijgersma (1835-1877), arts en schelpenverzamelaar op Sint-Maarten, in een manuscript. Ook wordt de schelp gebruikt om er cameeën uit te snijden.

De soort Strombus entropi of Strombus vittatus entropi Man in ’t veld & Visser, 1993, is genoemd naar Bob Entrop.
Christiaan Johannes “Bob” Entrop (1918-1987) is vooral bekend door zijn boeken voor schelpenliefhebbers. Jarenlang is de gids “Schelpen vinden en herkennen” (1e druk 1959). het enige populaire boek over de Nederlandse zeeschelpen geweest. Daarnaast schreef hij “Schelpen die men vinden kan. 120 Europese schelpen in kleuren” (1970) en “Inrichting en onderhoud van het zee-aquarium” (1956). Hij was voorzitter van de Stichting Biologia Maritima en Directeur van het Nederlands Instituut voor Biologische Leermiddelen. Ook werd hij was de eerste directeur van het schelpenmuseum, het huidige zeemuseum, in Scheveningen, dat voor een groot deel op zijn verzameling is gegrondvest.
De soortnaam vittatus (lat.) betekent met linten omwonden.
De soortnaam aurisdianae betekent oren (lat. auris = oor) van Diana. Diana is de godin van de jacht, later gelijkgesteld met Artemis. De enige oren die met Diana in verband gebracht kunnen worden zijn de oren van Actaeon die in puntige hertenoren veranderden toen hij Diana bespiedde.

Vlokslakken - Aeolidia en Aeolidiella
Grote vlokslak - Aeolidia papillosa
Duits: Breitwarzige Fadenschnecke
Engels: Plumed Aeolis
Deens: Stor trådsnegl (tråd = draad)

Kleine vlokslak - Aeolidiella glauca

Vlokslakken zijn zeenaaktslakken met vlokachtige papillen of draden op de rug. De soortnaam papillosa (Lat.), met papillen of puisten, duidt eveneens op die eigenschap. De soortnaam glauca betekent blauwgroen. De kleur van het dier wordt echter omschreven als crème-wit tot grijsbruin.
De Grote vlokslak is relatief groter dan de Kleine vlokslak. Vanwege dit grootteverschil heet het genus van de Kleine vlokslak Aeolidiella, dat is kleine Aeolidia (-ella = dim. suffix).
Aeolia is het eiland waar koning Aeolus heerste over de winden, die in een rotshol waren opgesloten. Beide genera zijn genoemd naar dit eiland of deze koning uit de Griekse mythologie. Misschien dat de golvende beweging van de vlokken of draden de naamgever geïnspireerd heeft.


Waaierslakken – Flabellinidae
Slanke waaierslak - Coryphella gracilis
Synoniem: Flabellina – gracilis
Engels: Graceful seaslug, Slender Aeolis

Witgestreepte waaierslak - Coryphella lineata

De gladde slanke papillen vormen een soort kruintjes of waaiers op het lichaam van de slak. Coryphella is afgeleid van koruphè (gr.) betekent het hoogste, de top, de kruin van het hoofd, gevolgd door het diminitief –ella.
De naam van de familie is afgeleid van de genusnaam Flabellina, dit komt van flabellum (lat.) = waaier.

De Slanke waaierslak is genoemd naar het slanke lichaam; gracilis (lat.) betekent sierlijk, slank.

De Witgestreepte waaierslak is genoemd naar de witte strepen op het lichaam; lineatus (lat.) betekent gestreept.

Wadslakje – Hydrobia ulvae
Synoniem: Peringia ulvae
Engels: Laver spire shell
Duits: Glatte Wattschnecke
Frans: Hydrobie des ulves
Deens: Stor dyndsnegl

Het Wadslakje (Hydrobia ulvae) is op slikken en schorren een veel voorkomende soort met plaatselijk dichtheden van 70.000 exemplaren per vierkante meter. Het voorkomen op de wadden spreekt ook uit de Duitse naam Glatte Wattschnecke Hydrobia betekent “in het water levend” is samengesteld uit het Griekse hudor=water en bios=leven. De Franse naam Hydrobie is daar uit afgeleid. De synonieme naam Peringia Paladilhe, 1874 is afgeleid van de persoonsnaam Pering. De naam Peringia eert de Pering familie, "qui donna l'hospitalité au Dr. Paladilhe, à Londres, du 28 juillet au 11 août 1870."
De slakjes leven van algen en detritus en zijn veel te vinden op zeesla waarvan de wetenschappelijke naam Ulva lactua is. Ulva betekent in het Latijn riet of biezen. Laver betekent in het Engels zeesla, vandaar de naam Laver Spire-shell. De Deense naam is Stor dyndsnegl (stor=groot en dynd=slik of modder).
De soort Vergeten brakwaterhorentje of Hydrobia neglecta (neglecta = vergeten, over het hoofd gezien) en in het Duits Übersehene Wattschnecke heet zo omdat deze soort pas in 1963 als zelfstandige soort ontdekt is. De Deense naam is Overset dyndsnegl (overset=over het hoofd gezien).
De derde soort het Opgezwollen brakwaterhorentje met de wetenschappelijke naam Hydrobia ventrosa (ventrosa betekent buikig of gezwollen) en de Engelse naam Swollen Spire-shell is genoemd naar de bolle windingen van het huisje. De dieren leven vooral in gebieden met brakwater zoals ook blijkt uit de Duitse naam Brackwasserschnecke. De Deense naam is Buttet dyndsnegl (buttet=mollig, gezet).

Walsslakken – Volutidae
Walsslakken, Wentelslakken, Voluta’s, Rolhorens – Volutidae
Engels: Volute shells, Volutes
Duits: Walzen, Walzschnecken
Frans: Volutes
Spaans: Volutas

Muziekhoren, Gewone muziekvoluta, Notenslak - Voluta musica Linnaeus, 1758
Engels: Music volute
Duits: Notenwalze
Frans: Volute musique

Voluta ebraea Linnaeus, 1758
Engels: Hebrew volute
Frans: Volute hébraique

Olifantensnuithoren - Cymbium glans (Gmelin, 1791)
Engels: Elephant’s snout
Frans: Volye trompe d’éléphant

Vleermuisvoluta - Cymbiola vespertilio (Linnaeus, 1758)
Synoniem: Voluta vespertilio Linnaeus, 1758
Engels: Bat volute
Duits: Fledermaus
Frans: Volute chauve-souris

Girafvoluta, Juno’s voluta - Scaphella junonia (Lamarck, 1804)
Engels: Juniona’s volute
Frans: Volute de Junon

Scaphella lamberti (J. Sowerby, 1816)

Scaphella neptunia (Clench, W.J. & C.G. Aguayo, 1940)
Synoniem : Cymbium neptuni
Engels: Neptune Volute
Duits : Neptunsgondel

Gewone meloenhoren - Melo melo (Lightfood, 1786)
Engels: Indian volute
Duits: Melonenschale

Sommige soorten van het genus Voluta hebben een bijzonder karakteristieke tekening op de schelp, wat tot namen als Voluta musica en Voluta ebraea hebben geleid. Musica (lat.) is muziek, de schelp ontving deze naam vanwege de gelijkenis met een muziekschrift met notenbalken en noten. De naam ebrea betekent Hebreeuws, van het Latijnse Hebraeus, vanwege de gelijkenis met letters uit het Hebreeuwse alfabet.
Voluta is afgeleid van voluto (lat.) = wentelen, rollen, zie de Nederlandse namen Wentelslakken en Rolslakken.
Cymbium (lat.) betekent drinkschaal en kumbion (gr.) betekent bootje (vergelijk Scaphella). Naar de vorm en de kleur is Cymbium glans genoemd naar de eikel; glans (lat.) = eikel, kogel. De naam Olifantensnuit heeft wellicht te maken met de uitstulpbare zuigsnuit of proboscis.
De soortnaam vespertilio (lat.) betekent vleermuis en heeft waarschijnlijk te maken met de tekening van driehoekjes op de schelp. De genusnaam Cymbiola is een samenvoeging van de genusnaam Cymbium en de verkleiningsuitgang –ola.
De subfamilie Scaphellinae heet in het Duits Kähnchen, wat roeibootje betekent. De wetenschappelijke naam betekent hetzelfde en is afgeleid van scapha = boot of sloep. Ook in de Duitse naam Neptunsgondel van Scaphella neptunia is het bootachtige karakter verwerkt. De soortnaam neptunia komt van de zeegod Neptunus.
Iedere vrouw heeft haar Iuno, zoals iedere man zijn Genius. Iuno is een persoonlijke beschermgodin, maar ook de dochter van Saturnus en Rhea, vrouw van Iuppiter. Een van haar bijnamen was Lucina. De soorttoevoeging junonia komt van Iuno of Juno.
In Nederland kunnen fossiele vertegenwoordigers van de soort Scaphella lamberti gevonden worden, die mogelijk genoemd is naar de plantkundige Aylmer Bourke Lambert (1761-1842). Twee plantengenera en een paar -soorten zijn naar hem vernoemd, maar ook een vogel (Malurus lamberti), dus waarom geen schelp, tenslotte was de vernoemer Sowerby ook een Engelsman.
Het Nederlandse meloen komt via het Middelnederlands melone, via het Oudfrans melon van het middeleeuws Latijn melonem, de vierde naamval van melo. Waarschijnlijk heeft vooral de meloenkleurige schelp van Melo melo, de naamgever op het spoor van deze naam gezet.

Walvisaas - Clio borealis
Duits: Walaas, Walfischaas
Engels: Whale Food

In het woordenboek (Van Dale) staat walvisaas als volgt omschreven: tot 4 cm lange vinpotige zeeslak die bij miljoenen in de Noordelijke zeeën voorkomt en de walvissen tot voedsel dient (Clio borealis). Ook zeekapel en eertijds wallaat geheten.
Een ander Nederlands woord voor walvisaas is kril, een Noors woord dat vissenbroed betekent. Kril heeft ook de betekenis plankton. Clio behoort tot de pteropoden, vleugelslakjes, zeevlinders (kapel = vlinder) of vinpotigen. In het Duits Flossenfüsser of Ruderschnecken (Flosse = vin en Ruder = roeipoot) en in het Engels Sea Butterflies. Bij deze slakjes zijn de schelpjes heel klein of in het larvestadium verloren gegaan. Ze bezitten tot twee vleugeltjes uitgegroeide voetdelen, waarmee de dieren hun prooi vangen en zich door het water bewegen. Pteron (Gr.) betekent vleugel of veer.
De Nederlandse vertegenwoordiger van dit genus is Clio cuspidata, de Gedoornde glasvleugelslak. Glas- naar de doorschijnende huisjes van de dieren en gedoornd naar de uitsteeksels op de schelp. Cuspidata (Lat.) betekent gepunt of met punten.
Clio is de muze van de geschiedenis met als attribuut een boekrol. Maar het meest waarschijnlijke is dat dit geslacht genoemd is naar Clio de Oceanide. Oceaniden zijn de drieduizend dochters van Oceanus en Thetys.

Wenteltrap - Epitonium
De kostbare wenteltrap (Epitonium scalare, synoniem E. pretiosa en Scalaria scalaris) was ooit een uiterst zeldzame en zeer waardevolle schelp. Rumphius vermeldt dat in 1701 de schelp voor 40 guineas is verkocht en dat 52 jaar later de prijs tot de helft is gezakt en daarna steeds verder gezakt is. Tegenwoordig ligt de prijs rond de 7 dollar. De schelp was zo zeldzaam en kostbaar dat er in China vervalsingen van rijstdeeg zijn gemaakt. Dance (1986) verwijst echter dit verhaal naar het rijk der fabelen: “The story of the rice-paste forgeries of the Precious Wentletrap alas, would appear to be apocryphal and I shall not burn my fingers over it again.” Precious betekent evenals het Latijnse pretiosa kostbaar.
Wentletrap is een Engels woord dat alleen voor deze schelp in gebruik is. Het is overgenomen van het Nederlandse wenteltrap, een naam naar de vorm van de schelp. Scalare is afgeleid van het Latijnse scala dat trap of ladder betekent. De Franse namen voor bovengenoemde soort is l’escalier (= trap) of la scalata zijn ook afgeleid van het Latijnse scala. De Engelse namen Ladder shell and Staircase shell zijn daar eveneens van afgeleid, mogelijk via de oude Latijnse naam Scalaria scalaris.
Een kleiner broertje van deze forse soort is de Nederlandse soort Epitonium clathrus. Epitonium betekent schroef (Entrop), kraan (Latijns woordenboek) of op + spanning, band, koord of riem van het Griekse epi en tonos (Grieks woordenboek).
De soort komt in tegenstelling tot Epitonium scalare algemeen voor, zie bijvoorbeeld de namen Gewone wenteltrap, Common wentletrap, Gemeine Wendeltreppe (Duits) en Scalaire commune (Frans). Clathrus (Lat.) betekent traliewerk en slaat op de structuur van de schelp met sterk uitstekende radiale ribben. Vanwege het fraaie uiterlijk van de schelp gebruikt men de horentjes voor het versieren van snuisterijen zoals schelpendoosjes.
Twee andere Nederlandse soorten zijn Epitonium clathratulus, de Witte wenteltrap en Epitonium turtonae, Turtons wenteltrap (Eng. Turton’s wentletrap). De eerste soort is de Benjamin van het geslacht met een hoogte tot 13 mm. In het Engels heet de soort dan ook Small Wentletrap. De soortnaam clathratulus is een verkleinwoord (-ulus) van clathratus = met traliewerk.
De tweede soort is vernoemd naar de ongetrouwde dochter van William Turton (1762-1835), Britse arts en amateur concholoog in Swansea en de omgeving van Devon.

Wijngaardslak - Helix pomatia
“…ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook eene verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of 't zoo niets is.” Een citaat uit het verhaal “Een onaangenaam mensch in de Haarlemmerhout” uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets.
In zijn boek Na Vijftig Jaar geeft hij nog een nadere toelichting op dit fragment met de verzamelaar van schelpen (= conchiliën). “Op de hoogte der Blauwe Trappen kruipt het nakroost der wijngaardslakken van 1839 over de laarzen der tegenwoordige liefhebbers, met de getrouwheid der kinderen der natuur aan oorden en plaatsen, waar zij eenmaal hebben postgevat, en de mensch ze niet verjaagt” en “waar zij gevonden wordt, kan men nog nagaan dat zij ingevoerd geworden, en later, om zoo te zeggen verwilderd”.
L.J.M. Butot vermeldt in zijn artikel “De geschiedenis van de verspreiding van de Wijngaardslak langs de duinzoom” dat in 1970 nog steeds, zij het in veel mindere mate, wijngaardslakken in Bloemendaal voorkomen. De vindplaatsen van de Wijngaardslak in Nederland zijn, evenals bij Bloemendaal terug te voeren op invoering door de mens. Max Weber schrijft over het voorkomen van de slak op de buitenplaatsen bij Haarlem. Hij meent dat de dieren door Spanjaarden geïmporteerd werden omdat de slak in den omtrek van Haarlem Caracolle heet, een Spaanse naam. De huidige Spaanse naam is Caracol de la vi?a of Caracol borgo?a. Het Franse escargot is afgeleid van de Spaanse naam. In Frankrijk heten ze Escargot de Bourgonge of Escargot vigneron. De Zuid-Nederlandse namen caracol, karakol of karkol zijn eveneens van caracol afgeleid.
Niet alleen de Spanjaarden, ook de Romeinen worden als beschouwd als mogelijke importeurs van de wijngaardslak. In Engeland heet de soort Roman snail. Een andere naam is Apple snail, waarschijnlijk een verkeerd begrepen wetenschappelijke soortnaam, want de pomatia is niet afgeleid van pomum (Lat.) = appel, maar van poma = deksel. Pomatia betekent voorzien van een deksel. Het slaat op het kalkachtige dekseltje, waarmeer de slak zijn huisje tijdens de winter kan afsluiten. Op de tocht van Napoleon naar Rusland kregen de soldaten de winterslakken mee als - op een natuurlijke wijze ingeblikt - voedsel. Velen beschouwen de wijngaardslak als een delicatesse, maar in ieder geval is de slak eetbaar, vandaar de Engelse naam Edible snail.
In veel landen is de soort wettelijk beschermd en is het verzamelen in de vrije natuur niet meer toegestaan. De slakken die nu in de handel komen zijn meestal van slakkenkwekerijen afkomstig. Vroeger at men de slak ook als vastenspijs, omdat het eten van slakken in de vastentijd geoorloofd is.
Hoewel de soort niet specifiek aan wijngaarden gebonden is, komt dit wel in veel namen tot uitdrukking: wijngaardslak, Weinbergschnecke (Duits), Vinbjergsnegl (Deens), Caracol de la vina (Spaans) Escargot vigneron (Frans). Zowel Weinberg, vinbjerg, vina als vigneron betekenen wijngaard.

Woestijnslakken – Eremina
Woestijnslakken – Eremina
Engels: desert snails
Eremina desertorum (Forskal, 1775)
Eremina ehrenbergi Roth, 1839

Op 25 maart 1846 werden twee exemplaren van de landslak Eremina desertorum vastgelijmd op een kaartje en in de collectie tussen de andere schelpen van het British Museum opgeborgen. Ze waren enige tijd ervoor in Egypte verzameld door Charles Lamb. In 1850, vier jaar later, bemerkte de conservator dat één van de schelpen over de mondopening een nieuw epiphragma had gevormd. Nadat hij de schelp van het kaartje losgemaakt had, plaatste hij hem in lauw water. Tot grote verrassing van de conservator kwam de slak uit zijn huisje en at de volgende dag van koolbladeren. Een maand of twee later begon de slak de lip van zijn huisje te repareren die was gebroken bij het opplakken. Daarna leefde hij nog twee jaar (Stearns, 1877 in the American Naturalist).

Eremina is afgeleid van het Griekse erèmitès, kluizenaar, eigenlijk woestijnbewoner. Desertorum is de 2e naamval meervoud van desertum en betekent onbewoonde oorden, woestenijen, woestijnen en steppen. De soortnaam Ehrenberg is waarschijnlijk genoemd naar Christian Gottfried Ehrenberg (1795-1876).

Kokerwormslakken – Vermetidae
Duits: Wurmschnecken
Engels: Worm shells
Frans: Vermets

De vertegenwoordigers van de familie van de Kokerwormslakken of Wormslakken lijken veel op kalkkokerwormen. Het is de verdienste van de onderzoeker Adanson geweest om vast te stellen dat de wormslakken tot de weekdieren behoren.
Michel Adanson (1727-1806) is een Franse natuuronderzoeker van Schotse afkomst. Hij schreef een boek over de mollusken van Senegal: Histoire naturelle de Sénégal. Coquillages (1757). De Apenbroodboom (Baobab), Adansonia digitata, is naar hem vernoemd, maar ook de wormslak Vermetus adansoni, Daudin 1800.
De naam Vermetus is afgeleid van vermis, het Latijnse woord voor worm.

Zebraslak - Zebrina detrita
Zebraslak, Grote veelvraatslak - Zebrina detrita (Muller, 1774)
Duits: Zebraschnecke, Große Turmschnecke
Frans: Bulime radié (Familie Enidae of Buliminidae)

De Zebraslak wordt door de kleine leverbot (Dicrocoelium dendriticum) als eerste tussengastheer gebruikt en is daarom van economische betekenis. De soort komt veel in kalkgraslanden voor. De soort is zeldzaam in België en komt niet in Nederland voor.
De slak heet Zebrina en Zebraslak omdat huisje met zijn wit en bruine radiale strepen op de huid van een zebra lijkt. De soortnaam detrita van het Latijnse deterere, voltooid deelwoord detritum = afwrijven, stukvrijwen, verzakken, is waarschijnlijk naar het voedsel van de slak: detritus (dood organisch materiaal).

Zeehazen - Aplysiidae
Engels: Sea hares
Duits: Seehaasen
Frans : Aplysies, Lièvres de mer
Deens : Søharen

Europese zeehaas, Gewone zeehaas - Aplysia depilans Gmelin, 1791
Duits: Großer marmorierter Seehase
Engels: European sea hare
(ook Aplysia punctata heeft de naam European sea hare)

Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant (ca. 1230 - ca. 1300) is een bekorte vertaling uit het Latijn van Thomas van Cantimpré - De Natura Rerum (ca. 1245).
In het hoofdstuk “Der visschen maniere” komt de zeehaas als de hase vander ze ten tonele. Van Maerlant gebruikt eerst de klassieke naam van Plinius, Lepus marinus (lat.) = zee-haas

Lepus marinus dats min no mee
dan die hase vander ze.
Een visch eist, alse Plinius seget,
die in see te wesene pleghet,
ende es so seere ghevenijnt (venijn = vergif)
dat cume argher enech scijnt.
Mar andree seehasen men vint
in Europen, als men kint,
naden lant hase ghelijc van hare,
mar harder es hi openbare.
Mar dat hier in Vlanderlant
die hase heetet, alsict vant,
dats .i. visch sonder venijn;
nochtan mochti wel ganser sijn.

De wetenschappelijke naam van het geslacht Aplysia is afgeleid van de eigenschap een bruinviolette vloeistof uit te scheiden bij verstoring. De Romeinen, waaronder Plinius, dachten daarom dat het dier giftig was. Aplysia komt van het Griekse a- = niet en pluno of pluo = wassen; aplutos = ongewassen, vuil. Dit slaat op bovengenoemde eigenschap. De naam zeehazen hebben ze gekregen vanwege de hazenoorvormige koptentakels.
De verspreiding van de Europese zeehaas omvat de oostelijke Atlantische oceaan en de Middellandse zee. De soortnaam depilans is afgeleid van depilo (lat.) = van de haren beroven.

Zeeoor – Haliotis tuberculata
In het bijbelboek Johannes (hoofdstuk 18 vers 10) staat: “Toen trok Simon Petrus het zwaard dat hij droeg, trof den knecht van den hogepriester en sloeg hem het rechteroor af. De knecht heette Malchus.” Dit gebeurde in de hof van Getsemane bij de gevangenneming van Jezus.
Het was dus Malchus’ oor, maar de Fransen en de Italianen gebruiken de namen Oreille de Saint Pierre en Orecchia di San Pietro voor de schelp Haliotis tuberculata, die op een oor (eigenlijk oorschelp) lijkt. De bovenstaande geschiedenis is waarschijnlijk de bron van deze naam. De schelpen van het genus Haliotis zijn namelijk stevige horens met 2-3 windingen waarvan de laatste is uitgegroeid tot een zeer groot oor. De zeeoren tellen meer dan 100 soorten.
In veel talen hebben de soorten van deze familie namen waarin de vergelijking met een oor voorkomt: zeeoor, ear shell, sea ear, Seeohr, Meerohr, Oreille de mer en Orecchia di mare (Italiaans). De Engelse naam ormer is waarschijnlijk afgeleid van het Franse oreille de mer.
De wetenschappelijke naam Haliotis is samengesteld uit het Griekse hals, 2e naamval halos = zee, zout en ous, 2e naamval otos = oor. In Amerika is de Engelse naam abalone in gebruik. Deze naam komt van abulón, de Spaanse naam voor Haliotis. In Nieuw-Zeeland heten ze paua en in Japan awari Haliotis tuberculata (gewone of Europese zeeoor) is de enige zeeoor uit de Europese wateren; deze komt niet in de Noordzee voor, maar spoelt wel uiterst zelden aan op het Nederlandse strand. Tuberculata is gevormd uit het Latijnse tuberculum = knobbeltje en –ta = voorzien van. Dit vanwege de buitenkant van de schelp die vele knobbeltjes draagt.
De Haliotidae bezitten een stevig gespierde voet, waarmee ze zich aan de rotsen vastzuigen. Deze voet is zeer smakelijk. Van de parelmoerlaag aan de binnenkant van de schelp maakt men sieraden.

Zeeposthoren - Skeneopsis planorbis
Engels: Dwarf-ramshorn

De Nederlandse naamlijst van de weekdieren van Nederland en België is niet alleen een naamlijst, maar geeft ook van alle Nederlandse namen de betekenis. Zo staat er bij de Zeeposthoren: naar de vorm van de huisjes: de gelijkenis met een ouderwetse, door de posterijen gebruikte hoorn of trompet. Omdat het een mariene soort is, is er zee- aan toegevoegd om verwarring te voorkomen de posthorenslak uit het zoete water.
Skeneopsis betekent gelijkend op het genus Skenea. Skenea is vernoemd naar J. Skene (1775-1864) Curator van het museum en bibliotheek van de Royal Society of Edinburgh en een vriend van Walter Scott.
De soorttoevoeging planorbis betekent vlakke kring, zie de genusnaam Planorbis.

Paarse zeezeiler – Janthina janthina
Paarse zeezeiler, Purperen zeezeiler - Janthina janthina (Linnaeus, 1758)
Duits: Flossschnecken, Veilchensnecken
Engels: Common Violet, Purple Snail, Purple Bubble Raft Snail
Frans: Janthine commune

Niet alleen Nederlandse schelpen, slakken en inktvissen hebben een Nederlandse naam, maar ook vele buitenlandse soorten, vooral de soorten die in trek zijn bij verzamelaars. In de Geïllustreerde schelpenencyclopedie van R.H. de Bruyne zijn meer dan 1000 soorten weekdieren afgebeeld, beschreven en van een Nederlandse naam voorzien. Één van deze soorten is de Purperen zeezeiler ook wel Paarse zeezeiler genoemd. Zeezeilers heten ze omdat ze in de warme zeeën drijven en vaak in grote aantallen aanspoelen op de stranden. De dieren kunnen blijven drijven omdat ze een vlot maken van door verhard slijm omgeven luchtbelletjes en daar onderaan hangen. In de Engelse naam (raft = vlot) en Duitse naam (Floss = vlot) komt deze eigenschap naar voren.
De schelpen van de zeezeilers (Janthinidae) zijn violetkleurig. Ianthinus (Lat.) of Ianthinos (Gr.) betekent violetkleurig. Niet alleen de schelpen zijn violetkleurig, maar ze geven ook een violetkleurige vloeistof af als ze aangevallen worden.
In Nederland komt de soort Janthina janthina niet voor, maar het is wel de naamgever van de superfamilie Janthinoidea waarvan vertegenwoordigers in Nederland voorkomen, zoals de Wenteltrappen en Spieshorentjes.

Zevenkantige trapgevel - Haedropleura septangularis
Familie: Trapgevels - Turridae
Engels: Seven-ribbed conelet

De Zevenkantige trapgevel heeft op elke omgang zich zeven forse ribben; septangularis = septem + angularis = zeven-hoekig.
De naam Haedropleura is opgebouwd uit haedra, van hedra = zetel, zitting of hedraios zittend, vastzittend en pleura = rib. Ook deze naam slaat op de ribben die op het de omgangen “zitten”.
De soort is van het Nederlandse strand alleen als fossiel bekend.

Zingende slak – Cantareus apertus
"Zingende slak" Cantareus apertus (Born, 1778)
Engels: Grunting snail, Singing snail, Green Gardensnail, Burrowing Snail
Duits: Grunzsnail

Er zullen maar heel weinig slakken zijn die hoorbaar geluid maken. Maar er is in ieder geval één soort, waarvan zowel de wetenschappelijke als de triviale namen op deze eigenschap duiden. Het is een slak die niet in Nederland voorkomt, maar in Frankrijk, Italië en andere Zuid-Europese landen. De wetenschappelijke naam is Cantareus apertus of Helix aperta. Cantareus is afgeleid van het Latijnse canto = zingen, vandaar Singing snail. Ze hebben deze naam te danken aan het knorrende geluid dat de slak maakt bij uitpersen van slijmerige luchtbelletjes bij verstoring. To grunt is brommen of knorren en grunz = grommen of knorren.
Apertus (Lat.) = open en slaat op de grote mondopening vanwege de zeer grote en bolle laatste winding.
De kleur van de schelp is geelgroen of olijfkleurig. De eigenschap om bij droogte in de grond te kruipen bezorgde hem de naam Burrowing snail.

Zoetwaterneriet – Theodoxus fluviatilis
Duits: Gemeine Kahnschnecke (Kahn = roeiboot, schuit)
Engels: Freshwater Nerite
Frans: Nertine fluviatile
Deens: Flodnerit

De Zoetwaterneriet is een soort van de familie van de Nerieten (Neritidae, van het genus Nerita). De Neritidae is een soortenrijke groep, waarvan veel soorten in zout water voorkomen, vandaar de aanduiding zoetwater voor deze soort van stromend of door golfslag bewogen zoet water. Fluviatilis (Lat.) betekent rivierbewonend.
Neriet en Nerita komt van het Griekse nèritès, een soort zeeslak. genoemd door Aristoteles. Nèritès is afgeleid van Nèreus, een zeegod die gehuwd was met Doris. Samen kregen ze vijftig dochters, de Nereïden of zeenymphen.
Theodoxus is een samenvoeging van Theos (Gr.) = god, godin en doxa = roem, faam, naam en betekent zoiets als goddelijke roem. Waarschijnlijk heeft de fraaie donkerrode nettekening daarmee van doen.

Zoetwaterspitshoren - Faunus
Faunus ater (Von Born, 1778) – Zwarte zoetwaterspitshoren
Familie: Thiaridae
Engels: Black Faunus

De naam van het genus Faunus is afkomstig uit de Romeinse mythologie. Faunus is een Italische bos-, veld- en herdersgod, die koning van Latium zou zijn geweest. Zijn attributen zijn wolfsvel, krans en drinkhoren. Op 5 december werd zijn feest de Faunalia gevierd. Zijn vrouw (zuster of dochter) is de godin Fauna.
De soortnaam ater (Lat.) betekent zwart of donker.

Zonnewijzerslakken - Architectonicidae
Architectonicidae - Zonnewijzerslakken, Zonneslakken, Perspectiefslakken Engels: Sundial shells
Duits: Sonnenuhrschnecken, Perspektivschnecken
Frans: Solarium

Wijdgenavelde zonnewijzerslak – Architectonica perspectiva
Engels: Clear sundial
Frans: Cadran strié (cadran = zonnewijzer)

Amerikaanse zonnewijzerslak - Architectonica nobilis
Engels: American sundial, Common sundial
Frans: Solarium commun de l'atlantique

De Zonnewijzerslak met zijn ronde vorm en het gestreepte kleurpatroon dat de spiralen volgt, doet denken aan de wijzerplaat van een zonnewijzer. De soortnaam Architectonica is afgeleid van architekton (gr.) = bouwmeester, van archi = voornaamste en tekton = timmerman, handwerksman, kunstenaar of schepper en slaat op de kunstig geschapen schelp.
De navel van Architectonica perspectiva is zeer wijd, waardoor de top van het horentje zichtbaar is. Deze eigenschap is waarschijnlijk de betekenis van de soortnaam. Perspectiva komt van het Latijnse werkwoord perspicio (voltooid deelwoord perspectum), doorheen zien.
De Amerikaanse zonnewijzerslak komt in de Caribische regio voor.De soortnaam nobilis (lat.) betekent edel, bekend of beroemd en slaat mogelijk op de fraai gekleurde schelp.

Zuiderzee-schijfslak – Corambe obscura
Coenraad Kerbert (1849-1927), de directeur van Artis, beschreef in 1886 de soort Corambe batava, een zeenaaktslakje met de Nederlandse naam Zuiderzeeschijfslak. In 1881 werd de eerste vondst van deze soort gedaan bij de pieren van Durgerdam. Hier leefden de slakken in vrij grote aantallen. De soort kwam alleen voor in de Zuiderzee en Zuidelijke Waddenzee
Lange tijd heeft men gedacht dat dit een endemische Nederlandse soort (de enige endemische weekdiersoort in Nederland!) was. Later bleek dat de soort afkomstig was van de oostkust van Noord-Amerika. Waarschijnlijk is de soort met ballastwater in schepen naar ons land gekomen. Met de afsluiting van de Zuiderzee en het ontstaan van het zoete IJsselmeer verdween deze brakwatersoort geheel uit Nederland. De laatste vondst is gedaan in 1932. Corambe batava bleek overigens een synoniem te zijn van een al bestaande naam Corambe obscura.
De naam Corambe is door de Deense arts en zeenaaktslakken deskundigeRudolph Bergh gegeven. Uit een artikel van H. Fischer in het Bulletin scientific de la France et de la Belgique is de achtergrond van de naam bekend. In een voetnoot van dit artikel beschrijft hij de etymologie van de genusnaam. “Monsieur Bergh” ontleende de naam aan Corambé een persoon uit het boek “Histoire de ma Vie” van George Sand (1804-1876).
De Batavi of Bataven is een Germaanse volksstam die de streek tussen Waal en Rijn bewoonde. De naam leeft nog voort in de Betuwe. Ook in enkele weekdierennamen leeft deze naam voort, zoals bovenstaande soort en Unio crassus batavus, de Bataafse stroommossel. De soortnaam obscurus = donker of duister verwijst naar de kleur, deze is geelachtig met zwarte vlekken, geheel zwart of donkerbruin.
De naam Zuiderzeeschijfslak dankt de soort aan het voorkomen in de voormalige Zuiderzee en aan het ronde schijfvormige lichaam.



Reacties naar aanleiding van deze pagina: contact