Weekdieren en hun naam


Betekenis van wetenschappelijke, Nederlandse, Engelse, Duitse, Franse en andere namen van schelpen


Opmerkingen en vragen: contact





Abra
Afrocardium
Americardia
Amethistschelp - Gemma gemma
Amusium
Anadara
Anodonta nansoutyana
Antigona
Arkschelpen – Arca en Striarca
Artemisschelp – Dosinia exoleta
Astarte
Azorinus
Bankia
Barnea
Bassina
Basterotia
Bornia
Brakwatermossel - Congeria
Breedgeribde venusschelp - Clausinella fasciata
Bultschelp - Altenaeum
Castalia
Chama
Circe
Circelschelpen – Lucinidae
Clementia
Codakia
Cumingia
Dekschelpen – Pododesmus
Dreissena
Doopvontschelp - Tridacna gigas
Drietandschelp - Epilepton clarkiae
Dwergneut - Phaseolus guilonardi
Erycina
Fluviolanatus
Fragum
Gafrarium
Galatea
Gapers – Mya
Gari
Gastrana
Gebochelde mantel - Crassadoma distorta
Gervillia
Gewelfde mantel - Flexopecten flexuosus
Gieterschelpen – Clavagellidae
Glossus
Glycymeris
Golfschelp – Thyasira flexuosa
Goodallia
Gouldia
Gryphaea
Hameroesters – Malleidae
Hartschelpen - Parvicardium en Acanthocardia
Hindsiella
Hochstetteria
Hoogglansmossels - Solemyidae
Hoornschalen – Musculium
Hoornschalen - Sphaerium
Houtboormossels - Xylophaga
Huxleyia
Idas
Iphigenia
Irus
Issana
Isocardia
Jacobsschelp – Pecten maximus, Pecten jacobaeus
Jouanettia
Jupiteria
Juweelschelpen – Trigoniidae
Kamvenusschelp - Pitar
Kellia
Kleine glasmantel - Similipecten similis
Kidderia
Kokkel – Cerastoderma edule
Korfmosselen – Corbicula
Korfschelpje – Corbula gibba
Korstmosschelpje – Lasaea
Lajonkairia
Latona
Lamyella
Ledella
Lepelschelp - Cochlodesma praetenue
Levendbarende paalworm - Lyrodus
Lyonsia
Macalia
Malletia
Mantelschelpen – Chlamys
Martesia
Melkwitte cirkelschelp - Loripes
Mercenaria
Middendorfinaia
Montrouzieria
Mossels - Mytilus
Neilo
Neopycnodonte
Noetia
Nonnetje - Macoma balthica
Noordkromp – Arctica islandica
Noorse hartschelp - Laevicardium crassum
Noorse paalworm - Nototeredo norvegica
Norrisia
Novaculina
Nucula en Nuculoma
Nuttallia
Oester - Ostrea edulis
Otterschelp – Lutraria
Ovale zeeklitschelp - Tellimya ferruginosa
Paalworm - Teredo
Paardenmossels – Modiolinae
Paardenzadel – Anomia ephippium
Pandora-schelp - Pandora inaequivalvis
Panopea
Parelmoerneuten - Nuculidae
Pareloesters - Pinctada
Pecchiolia
Petricola
Pharus
Pholade - Pholas dactylus
Pisidium
Platschelpen - Tellinidae
Platte slijkgaper – Scrobicularia plana
Portlandia
Potamocorbula amurensis
Protunio
Pycnodonta
Raeta
Rangia
Rochefortia
Ronde komschelp - Diplodonta rotundata
Rotsboorders - Hiatellidae
Ruwe boormossel - Zirfaea crispata
Scacchia
Sabelschede - Phaxas
Samarangia
Scheepsworm - Psiloteredo megotara
Schildermossel - Unio pictorum
Sedgwickia
Semele
Solen - Messchede
Solecurtus
Spengleria
Sphenia
Spondylus
Steekmossel – Pinna
Steenboorders - Gastrochaenidae
Stippelschelpje - Lepton squamosum
Strandgapers – Mya
Strandschelpen – Spisula en Mactra
Streepschelpen - Crenellinae
Tapijtschelpen – subfamilie Tapetinae
Thracia
Tijgerpels - Palliolum tigerinum
Timoclea
Trapezium
Turtonia
Tweetandschelp - Mysella bidentata
Vensteroesters - Placunidae
Venusschelp - Chamelea striatula
Vertakte paalworm - Teredora
Vijlschelpen – Limidae
Vleugeloesters – Pteria
Wit muntschelpje - Hemilepton nitidum
Woodia
Wrattige venusschelp - Venus verrucosa
Yoldia
Zaagje – Donax vittatus
Zandschelp - Mysia
Zeeklitschelp - Montacuta
Zonneschelpen - Psammobia
Zwaarscheden en Mesheften - Ensis
Zwanenmossels - Anodontinae
Zwinkokkel - Megacardita planicosta



Amethistschelp - Gemma gemma
Familie: Veneridae
Amethistschelp - Gemma gemma (Totten, 1834)
Engels: Amethyst gem clam

Gemma tottenii (Stimpson, 1860)

De Amethistschelp is een kleine schelp van 6 mm. De buitenkant is glad en lavendelkleurig tot purper, de kleur van de edelsteen amethist. De schelp komt voor in Amerika vanaf New Jersey naar het zuiden in brakke en zoute getijdenmoerassen.
Gemma (lat.) betekent edelgesteente, juweel, knop (van planten), maar later is de betekenis van het Nederlandse gem of gemme overgegaan op gesneden stenen.
De tweede soort is genoemd naar de auteur van de eerste soort: Joseph Gilbert Totten, beroepssoldaat, geboren in New Haven, Connecticut in 1788 en overleden in Washington in 1864. Generaal Totten was geïnteresseerd in natuurwetenschappen en was een autoriteit op het gebied van schelpen van de noordkust van de Verenigde Staten. Hij publiceerde enkele artikelen waar hij nieuwe soorten beschreef. Behalve Gemma tottenii is ook Succinea tottenii naar hem vernoemd. Hij publiceerde tevens artikelen over mineralogie.

Arkschelpen – Arca en Striarca
De Arkschelp met de wetenschappelijke naam Arca noae is genoemd naar de ark van Noach, maar of de vorm van de schelp een miniatuur is van de ark, zullen we nooit weten, want de beschrijving in het Genesisverhaal, de afmetingen bedragen 150 m lengte, 25 m breedte en 15 m hoogte, biedt onvoldoende aanknopingspunten en ook het zoeken naar resten van de ark op de berg Ararát zal zeker tevergeefs zijn. De naamgeving van de Arkschelp in de verschillende talen is verrassend uniform Duits: Arche Noah, Engels: Noah’s Ark (Shell), Deens: Noas Ark, Frans: Arche de Noë, Spaans: Arca de Noé en Italiaans Arca di Noé. Alleen het Catalaans met Peu de Cabrit (Geitenpootje?) springt eruit.
De in Nederland voorkomende Melkwitte arkschelp (Striarca lactea) is tegenwoordig niet meer in de Arcidae maar in een verwante familie de Noetiidae ondergebracht. De Duitse naam, Weisse Archenmuschel, de Engelse, Milky Ark, de Nederlandse en de wetenschappelijke naam (lactea=melkwit) duiden op de melkwitte tot lichtgele kleur van de schelp. De genusnaam is samengesteld uit Stri(a) en arca. Stria, in het Latijn betekent dat gleuf en striatus gestreept, slaat op het gestreepte uiterlijk van de schelp.

Artemisschelp – Dosinia exoleta
Duits: Artemismuschel Frans: Artémis rayé Engels: Rayed Artemis Shell Deens: Dosinia musling

De naamgever Scopoli (1777) heeft de naam Dosinia afgeleid van dosin, een Senegalese naam van een mossel (Hansson).
Artemisschelp is genoemd naar een vroegere wetenschappelijke naam, Artemis exoleta. Artemis is de godin van de jacht en maangodin tegenhanger van de zonnegod Apollo.
Van de betekenissen van de soortnaam exoleta (Lat.) = verouderd, in vergetelheid geraakt of nog geen naam ontvangend hebbend (Backer, 2000) lijkt de laatste voor een nieuwe beschreven soort het meest toepasselijk.

Astarte – Astarte en Goodallia
Breedgeribde astarte - Astarte sulcata
Engels: Common Astarte
Deens: Furet astartemusling

Ovale astarte – Astarte elliptica
Deens: Ellipseformet astartemusling

Driehoekige astarte – Astarte montagui
Engels: Montagu’s Astarte
Deens; Montagus astartemusling

Grote astarte - Astarte borealis
Deens: Astartemusling

Kleine astarte - Goodallia triangularis
Engels: Little astarte
Duits: Sandkorn Astarte
Deens: Lille astartemusling

Astarte is een Syrisch-Phoenisische godin van de vruchtbaarheid, van het leven in de natuur en van de liefde. Ze wordt wel vereenzelvigd met Aphrodite en soms met Artemis.
Sommige soorten uit genus Astarte worden wel in een apart genus Tridonta = drietanden ondergebracht. De naamgevende soort vandit genus heeft waarschijnlijk drie tanden in het slot.

De schelp van de Breedgeribde astarte heeft brede ribben en brede voren. Dit laatste spreekt uit de soortnaam sulcata (Lat.), wat gevoord betekent.
Elliptica (Lat.) betekent elliptisch ovaal. De schelp van de Ovale astarte is min of meer ovaal.
De derde soort heeft een ongeveer driehoekige schelp en is genoemd naar Georg Montagu. George Montagu (1753-1815) was een vooraanstaand Engels amateurbioloog uit Wiltshire. Hij schreef onder andere een boek over weekdieren "Testacea Britannica".
De Grote astarte is groter dan de overige soorten. De soortnaam borealis (van Lat. boreas = noordenwind) geeft het Noordelijk verspreidingsgebied weer.

De laatste soort behoort tot het genus Goodallia, dat waarschijnlijk is afgeleid van de Britse malacoloog J. Goodall (1760-1840). De schelp is met zijn 3 mm veel kleiner dan de andere astartesoorten. In het Duits wordt ze zelfs vergeleken met een zandkorrel. Ook deze schelp is plusminus driehoekig, triangularis (Lat.) = driehoekig.

Brakwatermossel - Congeria leucophaeata
Familie: Dreissenidae
Synoniem: Mytilopsis leucophaeata, Congeria cochleata
Duits: Brackwasser-Dreikantmuschel
Engels: Brackish water mussel, Dark false mussel

De Brakwatermossel leeft in brak tot zeer brak water. Via het woord congé uit het Etymologisch Woordenboek kan een mogelijke betekenis van Congeria ontcijferd worden. Via enkele tussenstappen is congé afgeleid van congerius of congius (lat.), maat voor vloeistoffen van 6 sextarii = 1/8 amphora = 3,19 liter. Congerius is afgeleid van het Griekse kogchos, kogchè = schelp, in het bijzonder om te scheppen en te meten, als maat. Misschien moet deze betekenis gezien worden in analogie met Modiolus, ook een mosselnaam, die is afgeleid van een inhoudsmaat. Mytilopsis betekent gelijkend op Mytilus (uitgang -opsis), de eetbare mossel.
De soortnaam leucophaeata is samengesteld uit leukos (gr.) = wit en phaios = donker van kleur. Dit heeft betrekking op de donkerbruine of zwarte schelpen.

Breedgeribde venusschelp - Clausinella fasciata
Engels: Banded Venus
Duits: Warzige Venusmuschel
Frans: Vénus rayures
Deens: Bredribbet venusmusling

De Breedgeribde venusschelp heeft naar verhouding bredere ribben dan de Gewone venusschelp. De soortnaam fasciata (lat.) betekent met banden, gebandeerd, van fascia = band. De schelp van Clausinella fasciata heeft een aantal opvallende vanuit de top stralende banden, die naar de rand toe breder worden.
Clausinella is waarschijnlijk een verkleinwoord (uitgang –ella!) van de genusnaam Clausina die door Jeffreys is beschreven. Clausina is afgeleid van claudo (lat.) = sluiten; clausum = afsluiting, afgesloten. De betekenis voor Clausina en Clausinella is onduidelijk.

Bultschelp - Altenaeum
Scheve bultschelp
Altenaeum dawsoni
Er zijn niet zoveel Nederlandse weekdieren naar Nederlandse malacologen vernoemd, maar C.O. van Regteren Altena ontving die eer wel. Dr. Carolus Octavius van Regteren Altena, (1907-1976) was entomoloog, malacoloog palaeontoloog en conservator van de Mollusca in het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie in Leiden Naar hem is het genus Altenaeum Spaink, 1971 en de soort Xylopholas altenai Turner, 1971 genoemd.
De soortnaam dawsoni is genoemd naar Sir John William Dawson (1820-1899) uit Canada, een geoloog en belangrijke anti-Darwinist. Hij verzamelde en bewerkte ook veel mariene ongewervelden, voornamelijk van Nova Scotia en de Golf van St Lawrence.
Bultschelpen (Condylocardiae) zijn genoemd naar de schelp met een opvallend bolle prodissoconch (eerste schelpstadium). De Scheve bultschelp is daarbij ook nog scheef.

Circelschelpen – Lucinidae
Dubbeltjesschelp - Lucinella divaricata
Engels: Fingerprint shell

Noordse cirkelschelp - Lucinoma boreale
Engels: Northern lucina
Deens: Lucinamusling

Vanwege de bijna ronde vorm heten de soorten van de familie Lucinidae Circelschelpen.

Het dubbeltje is met 1,5 cm doorsnede de kleinste munt van het oude guldenstelsel, maar toch altijd nog iets groter dan de bijna ronde dubbeltjesschelp van circa 1 cm.
De genusnaam Lucinella is een verkleinwoord (uitgang –ella) van de genusnaam Lucina.
De soortnaam divaricata (lat.) betekent uiteengespreid, van divarico = uiteenspreiden. In het uiterlijk van de schelp zijn geen aanknopingspunten te vinden die deze naam verklaren. Mogelijk is de afsplitsing van een andere soort bedoeld.
De vele schuin over de schelp golvende groef doen aan een vingerafdruk denken. De speelse Nederlandse naam Vingerafdrukje is daarop gebaseerd.

Ook de genusnaam Lucinoma is afgeleid van de genusnaam Lucina. De Noordse circelschelp is genoemd naar een deel van zijn verspreidingsgebied. Boreale komt van boreus (lat.) van de noordenwind, noordelijk.

Paardenmossels – Modiolinae
Paardenmossel - Modiolus modiolus
Engels: Common horse mussel
Duits: Grosse Pferdemuschel
Frans: Grande modiole
Italiaans : Modiola
Deens: Hestemusling (hest = paard)

Baardmossel - Modiolus barbatus
Engels : Bearded horse mussel
Duits : Behaarte Pfahlmussel
Frans: Modiole barbue, Moule barbue
Spaans: Mejillón barbado
Italiaans: Cozza pelosa, Mussolo peloso

Stralende paardenmossel – Modiolus adriaticus
Engels: Tulip mussel
Deens; Stribet hestemusling

Kleine paardenmossel - Modiolula phaseolina
Engels: Bean horse mussel

De modius is een Romeinse korenmaat van bijna 9 liter, overeenkomend met de schepel, een Nederlandse inhoudsmaat. Modiolus, modius plus de verkleiningsuitgang –olus betekent maatje.
De Nederlandse naam paardenmossel suggereert echter een aanzienlijke grootte, vergelijk het Nederlandse paardenmiddel. De grootte slaat hier op de relatief grotere schelp ten opzichte van de gewone mossel (17 cm t.o.v. 9,5 cm).

De Baardmossel is genoemd naar de harige opperhuid van de schelp; barbatus (lat.) betekent gebaard, met een lange baard.

De Nederlandse naam van Modiolus adriaticus, Stralende paardenmossel is een “niet-officiële Nederlandse naam”, dat wil zeggen niet voorkomend in de Nederlandse naamlijst van de weekdieren.. De toevoeging stralend heeft te maken met de vanuit de top stralende paarse strepen op de lichtgele ondergrond. Adriaticus betekent afkomstig van het kustgebied van de Adriatische zee of daar het eerst gevonden.

Modiolula is een verkleinwoord van een verkleinwoord. Het is de genusnaam Modiolus = maatje plus de verkleiningsuitgang –ula. Ook hier gaat het om de relatieve grootte, de soort is maximaal 18 mm lang.
De soortnaam phaseolina is afgeleid van phaseolos (gr.) = boon. De naam heeft betrekking op de vorm van de schelp.

Dekschelpen – Pododesmus
Familie Dekschelpen en paardenzadel - Anomiidae
Manteldekschelp - Pododesmus patelliformis
Engels: Ribbed saddle oyster
Deens: Stor sadelmusling

Groene dekschelp - Pododesmus squama
Engels: Green saddle oyster

Schilferige dekschelp - Pododesmus squamula
Engels: Smallest saddle oyster
Duits: Zwiebelmuschel
Deens: Lille sadelmusling

Stekelige dekschelp - Pododesmus aculeatus

Pododesmus is afgeleid van pous (gr.) = voet, in samenstellingen podo- en desmos = band, riem, touw, boeien, ketenen. Waarschijnlijk slaat de naam op de byssusbundel die door een gat in de rechterklep naar buiten komt en waarmee het dier aan de ondergrond is vastgehecht. De Nederlandse naam is naar de vorm van de schelp, misschien wordt hiermee een paardendek of paardendeken bedoeld.

De naam die M. Houttuyn aan de soort gaf, geeft een verklaring van de wetenschappelijke naam: Patel-agtige Anomie; patelliformis betekent met de vorm van een Patella.
Het oppervlak van de schelp is gewoonlijk radiair geribd met 20 tot 30 ribben, daarin lijkt hij op een mantelschelp.

De Groene dekschelp is genoemd naar de groene kleur aan de binnenzijde van de schelp. De soort heeft een groot aantal geschubde lengteribjes; squama (lat.) = schub.

Het schelpoppervlak van Pododesmus squamula is schilferig; squamula (lat.) = geschubd.
De Stekelige dekschelp – Pododesmus aculeatus wordt ook wel gezien als een vorm van de vorige soort. Deze soort heeft een aantal gestekelde radiale ribjes; aculeatus (lat.) = stekelig.

Doopvontschelp - Tridacna gigas
Doopvontschelp, Bakschelp, Reuzenmossel - Tridacna gigas Bruguière 1797
Engels: Giant clam
Duits: Riesenmuschel, Mördermuschel
Frans: Bénitier géant
Spaans: Concha gigante, Almeja gigante
Esperanto: Tridakno

Twee grote schelpen van Tridacna gigas, geschonken aan koning Frans I van Frankrijk (1494 - 1547) door de Venetiaanse republiek, dienen als wijwaterbekken bij de ingang van het schip van de kerk Saint-Sulpice in Parijs. De Franse naam van deze soort is bénitier (géant), hetgeen wijwatervat betekent. Ook zijn de schelpen als doopvont in gebruik, waar de Nederlandse naam op duidt.
De doopvontschelp is een soort van de koraalriffen van de Indische en westelijke Grote Oceaan. Het is de grootste tweekleppige, die een gewicht van meer dan 250 kg, een lengte van meer dan een meter en een ouderdom van meer dan 100 jaar kan bereiken.
Jean Guillaume Bruguière (1749 or 1750 – 1798) beschreef in 1797 in “Vers, coquilles, mollusques et polypiers. Tableau encyclopédique et méthodique des trois règnes de la nature. Agasse, Paris“ het genus Tridacna. Bij Plinius komen we de naam Tridacna al tegen (Liber XXXII, Chapter 6, paragraaf 63), als een soort uit Indië. De betekenis van deze naam is niet duidelijk. Een samenstelling van tri (gr.) = drie en dakno (gr.) = steken, bijten van muggen heeft geen relatie met deze soort. Wellicht is het laatste deel afgeleid van ango (lat.) of agcho (gr.) toesnoeren, wurgen, maar daarmee blijft het eerste deel onverklaarbaar.
Het verhaal dat mensen die per ongeluk in een geopende doopvontschelp trappen door de dichtklappende schelpen zo stevig worden vastgehouden dat ze bij opkomende vloed verdrinken (Mördermuschel), moet waarschijnlijk naar het rijk der fabelen verwezen worden’.
Vanwege het gevaar van te grote exploitatie staan de schelpen op Appendix II van de Convention on International Trade in Endangered Species (CITES), wat betekent dat er een vergunning is vereist is om deze schelpen te exporteren.


Drietandschelp - Epilepton clarkiae
Familie: Montacutidae

Epilepton clarkiae is genoemd naar William Clark of Bath (1788-1869) malacoloog en verzamelaar van schelpen. Jeffreys kocht zijn collectie in 1840. De soort is oorspronkelijk onder een andere naam door Clark in 1852 beschreven.
In het slot van de Drietandschelp staat tussen de twee laterale tanden nog een derde cardinale tand, dit in tegenstelling tot de Tweetandschelp – Mysella bidentata.
De genusnaam bestaat uit de genusnaam Lepton met als voorvoegsel epi = erbij, eraan, erop, daarnevens. De soort leeft als commensaal met zijn byssusdraden vastgehecht aan Spuitwormen (Sipunculida), dus kan epi erop betekenen. Maar ook de vorming van een nieuw genus naast Lepton kan bedoeld zijn.

Stippelschelpje - Lepton squamosum
Familie: Leptonidae

Lepton, een koperen muntje, is de kleinste munteenheid van het oude Griekse muntstelsel, 100 lepton is 1 drachme, 100 drachmen is 1 mna of mina, 60 mna’s is 1 talent. Het is afgeleid van het woord leptos = dun, teer, fijn, smal. Het Stippelschelpje is een dunschalig, plat, min of meer rond schelpje.
De oppervlakte van de schelp heeft een gestippeld uiterlijk door de talrijke putjes op de schelp. Squamosum (lat.) betekent geschubd en slaat waarschijnlijk op dit kenmerk.


Strandgapers - Mya arenaria, Mya truncata
Omdat de schelpen aan twee zijden niet op elkaar aansluiten heten de schelpen van het geslacht Mya strandgapers. Alleen steekt niet de tong naar buiten zoals bij de gapers van drogisten, maar de voet en de siphons. Ook de wetenschappelijke naam Mya betekent gapend, van het Griekse muao = de lippen sluiten, gapen.
Er komen in Nederland twee soorten van dit genus voor. De gewone strandgaper en de geknotte strandgaper. De gewone strandgaper, Mya arenaria is genoemd naar zijn biotoop: de dieren leven ingegraven in het zand, want arenaria betekent zand bewonend. Vergelijk de Engelse naam Sand gaper en de Franse namen Mye des sables (= zand) en Bec de jar (= “snavel van grof rivierzand”). De Duitse naam is Klaffmuschel (klaffen = gapen).
Onder de naam Old maids komen de dieren in sommige kuststreken van Engeland in de handel als voedsel.
Van de geknotte strandgaper is één zijde van de schelp sterk afgeknot. Dit opvallende kenmerk komt zowel in de wetenschappelijke naam (truncata = afgeknot), de Duitse naam Gestutzte Klaffmuschel (= gesnoeid), de Engelse naam Blunt gaper (= stomp) als de Franse naam Mye tronquée (= afgeknot) als kenmerk naar voren.
L. Dorsman (1913) gebruikt nog een andere Nederlandse naam voor deze soort: Boerinnenhoedje.

Dwergneut - Phaseolus guilonardi
In 1993 beschreef Hoeksema in het tijdschrift Basteria een nieuwe soort de Dwergneut Phaseolus guilonardi. De soort is genoemd naar de Mr. W.F.A. Guilonard, die een uitgebreide collectie kleine mollusken van Ouddorp opbouwde en die de auteur op deze onbekende schelp opmerkzaam maakte. In het Natuurmuseum in Rotterdam bevindt zich de collectie Guilonard met zoogdierfossielen en fossiele schelpen uit de Westerschelde bij Ellewoutsdijk.
De genusnaam Phaseolus komt van phaseolos (gr.) = boon. Evenals de Nederlandse naam dwergneut is daarmee aangegeven dat het om een schelp met kleine afmetingen gaat. De dwergneuten zijn verwant aan de Parelmoerneuten en Snavelneuten. Neut betekent noot als vrucht.

Gebochelde mantel - Crassodoma distorta
Engels: Hunchback scallop (hunchback = bochel)

Crassodoma is een onjuiste naam voor Crassadoma Bernard, 1986. De geldige naam voor de bovengenoemde soort is Crassadoma pusio. Pusio betekent in het Latijn jongetje. Waarschijnlijk hier zo aangeduid vanwege zijn geringe afmetingen (4 cm) ten opzichte van zijn grotere broertje de Grote gebochelde mantel Crassadoma gigantea met een grootte van 15 cm.
Distorta (Lat.) = verdraaid, mismaakt en slaat op de onregelmatig gevormde schelp.
De genusnaam Crassadoma is een samenvoeging van crassus (Lat.) = dik en domus = huis, maar ook andere verblijfplaatsen, zoals nesten van vogels. De gebochelde mantel is vrij dunschalig, maar Crassadoma gigantea heeft een vrij stevige schelp, waarop de genusnaam wel van toepassing is.

Gewelfde mantel - Flexopecten flexuosus
Familie: Pectinidae

De gewelfde mantel heeft zes brede gewelfde ribben; flexuosus (lat.) betekent bochtig, vol bochten.
De genusnaam bestaat uit twee delen: flexo van flexus (lat.) = kromming of bocht en de genusnaam Pecten (Mantel).

Kleine glasmantel - Similipecten similis
Engels: Pygmy scallop, Glass-scallop

Naar de gelijkenis met vertegenwoordigers van de familie Pectinidae (mantels) heet de soort Simili-pecten. De soortnaam similis (lat.) betekent gelijk, gelijkend, gelijkvormig; vergelijk het Nederlandse simulatie = onder andere nabootsing.
Het is een kleine “mantelschelp”, meestal kleiner dan een centimeter met dunne, glanzende en glasachtige schelpen.

Gieterschelpen – Clavagellidae
Engels: Watering pot shells, Watering pot clams, Waterspout shells
Duits: Giesskannenmuscheln, Keulenmuscheln, Siebmuscheln (Keule = knots)
Frans: Arrosoirs (arrosoir = gieter)

De gieterschelpen hebben een afwijkende vorm. De schelpkleppen zelf zijn zeer gereduceerd en bevinden zich op een door de mantel afgescheiden buis, die aan de onderkant een soort zeefplaat bezit. De zeefplaat lijkt op het sproeistuk van een gieter, te zamen met de buis heeft dat aanleiding gegeven tot de naam gieterschelp.
De familie Gieterschelpen bevat drie genera. De familie is genoemd naar Clavagella Lamarck, 1818. De naam Clavigella is gebaseerd op clava (lat.) = roestige stok, knuppel naar het buisvormige schelp van deze soort.
De genusnaam Brechites Guettard, 1770 komt van het Griekse brecho, bevochtigen, besproeien en sluit daarmee aan op de volksnamen.
Humphreysia J.E. Gray, 1858 is waarschijnlijk genoemd naar de handelaar in schelpen George Humphrey (1739-1826).

Golfschelp – Thyasira flexuosa
Engels: Wavy hatchet shell (hatchet = bijl)
Deens: Almindelig foldmusling

De achterrand van de Golfschelp heeft twee duidelijk golvende plooien of “golven”. De soortnaam flexuosa (Lat.) betekent bochtig, vol bochten.
Er zijn verschillende verklaringen voor de genusnaam mogelijk, maar geen enkele is met de eigenschappen van de soorten van dit genus te verbinden. Thyasira is genoemd naar de antieke stad Thyatira in Klein-Azië of een samenvoeging van Thuas (Gr.) = Thyade of Bacchante plus siros (Gr.) = kuil. Thyaden, naar Thyia dochter van Dionysos, of Bacchanten zijn priesteressen van Bacchus. Tot slot is de verklaring van Rafael Muniz Solis (2002): van thya (lat.)= cederboom en –sira gelijkend op. Thya in het Latijnse woordenboek betekent citrusboom, vergelijk het plantengenus Thuja.

Hameroesters – Malleidae
Engels: Hammer oysters
Duits: Hammermuscheln
Frans: Marteaux

Malleus Lamarck, 1799

Zwarte hameroester - Malleus malleus (Linnaeus, 1758)
Engels: Black hammer oyster
Frans: Marteau commun
Duits: Schwarze Hammermuschel

Witte hameroester - Malleus albus Lamarck, 1819
Engels: White hammer oyster
Duits: Weisse Hammermuschel
Frans: Marteau blanc

Vulsella Roeding, 1798
Sponsvingeroester - Vulsella vulsella (Linnaeus, 1758)
Synoniem: Vulsella spongiarum Lamarck, 1819
Engels : Sponge finger, Sponge finger oyster

Malleus (lat.) betekent hamer; naar de opvallende hamerachtige vorm van de schelp heten ze Hameroesters.
De buiten- en binnenzijde van de Witte hamerschelp is lichtgeel tot wit, met uitzondering van een donker stukje aan de binnenzijde onder de top. De Zwarte hamerschelp is aan binnen- en buitenzijde donker gekleurd. Albus (lat.) = wit.
De Sponsvingeroester heeft een vingervormige schelp en leeft in sponzen; spongia (lat.) betekent spons. De soort is niet echt glad, mar wel veel gladder dan de hameroesters van het genus Malleus met hun schilferige oppervlak. Vulsus (lat) = baardeloos, kaal, glad en het achtervoegsel –ella is een diminitief.


Hartschelpen - Parvicardium en Acanthocardia
Scheve hartschelp - Parvicardium exiguum
Engels: Little cockle, Angled cockle
Duits: Dreieckige Herzmuschel
Deens: Brakvandshjertemusling (brakvand = brakwater)

Geschubde hartschelp - Parvicardium scabrum
Engels: Knotted cockle

De genusnaam Parvicardium, bestaat uit twee gedeelten: parvi- van parvus (Lat.) = klein en de genusnaam Cardium. De soorten van bovengenoemde hartschelpen zijn een stuk kleiner dan de Gewone kokkel. Ook de soortnaam exiguus (Lat.) betekent klein of onaanzienlijk.
De soortnaam scabrum (Lat.) betekent ruw, naar het oppervlak van de schelp. De scheve hartschelp heeft een schelp met een scheve vorm.


Grote hartschelp - Acanthocardia aculeata
Engels: Spiny cockle
Frans: Bucarde épineuse, Bucarde aiguillonnée

Gedoornde hartschelp - Acanthocardia echinata
Engels: Prickly cockle
Duits: Dornige Herzmuschel
Frans: Bucarde à papilles, Bucarde rouge
Deens: Pigget hjertemusling

Geknobbelde hartschelp, Karthageense hartschelp - Acanthocardia tuberculata
Engels: Rough cockle
Duits: Knotige Herzmuschel, Dickrippige Herzmuschel
Frans: Bucarde tuberculée

Tere hartschelp - Acanthocardia paucicostata
Engels: Poorly-ribbed cockle

Acanthocardia is een samenvoeging van Acantho-, van akantha (Gr.) = doorn, distel, borstel en Cardia van de genusnaam Cardium.
Het onderscheid tussen de verschillende soorten zit in de ribben en de stekels of dorens daarop. De Grote hartschelp heeft scherpe afgeplatte stekels op de ribben, aculeata (Lat.) = stekelig. De gedoornde hartschelp heeft korte iets gekromde dorens op de ribben; echinata (Lat.) = gestekeld. De Geknobbelde hartschelp heeft knobbels op de ribben; tuberculata (Lat.) = met knobbeltjes en de Tere hartschelp heeft minder ribben dan de andere soorten; paucicostata (Lat.) = met weinig ribben.
Waarom M. Houttuyn in 1771 Acanthocardia tuberculata Karthageense hartdoublet noemt is niet bekend. Mogelijk dat het voorkomen van de soort bij Carthago in het huidige Tunis, daarbij een rol gespeeld heeft.

Hoogglansmossels - Solemyidae

Solemyidae J.E. Gray, 1840 – Hoogglansmossels
Engels: Awning clams (awning = gapend)

Solemya Lamarck, 1818
Solemya togata (Poli, 1795) – Mediterrane hoogglansmossel
Engels: Mediterranean awning clam

Acharax Dall, 1908
Acharax winckworthi (Prashad, 1932)

De enige Europese soort uit deze familie is Solemya togata uit de Middellandse Zee. Togatus (lat.) betekent: in een toga gekleed. De toga is het halfronde wollen bovengewaad van de Romeinse burgers. Waarschijnlijk is hier met togatus een geografische aanduiding bedoeld, de wereld van de Romeinse burgers.
De soortnaam Solemya is opgebouwd uit twee genera-namen Solen en Mya en betekent gapende buis.
Charon was de veerman in de onderwereld die de doden over de rivier de Styx of over de rivier de Acheron voerde. Acharax is genoemd naar de doodsrivier Acheron.
De naam winckworthi is afkomstig van Ronald Winckworth (1884-1950) Brits malacoloog of Harold Charles Winckworth (1878-1947), ook een malacoloog.

Hoornschalen - Musculium
Musculium transversum
Musculium lacustre
Musculium transversum is een Noord-Amerikaanse soort die in 1856 voor het eerst in Europa opdook, namelijk in het zuiden van Engeland. In 1954 werd een tweede Europese populatie ontdekt aan de oevers van het IJsselmeer bij de Diemerzeedijk, zo is achteraf gebleken, want de soort werd pas in 1981 als zodanig herkent. Vanwege de late ontdekking kreeg de soort de naam Late hoornschaal. Het is niet bekend of de soort nog in het IJsselmeer voorkomt, maar de soort is wel opnieuw opgedoken in 1999 en 2002 in het riviertje de Drentse Aa.
De soorten van het geslacht Musculium heten hoornschaal naar de hoornige kleur van de schelp. De genusnaam Musculium is een verkleinwoord van musculus, wat muisje, spier of mossel betekent. Gezien de afmetingen 10 x 8 mm is "mosseltje" een toepasselijke naam. Hoe de soortnaam transversum (Lat.) = dwars, schuin of scheef op de soort past is onduidelijk.
De Amerikaanse naam is Long Orb Mussel. De soort is langwerpiger dan de volgende soort en orb betekent (hemel)bol. In het Engels is orb mussel namelijk de naam van het genus Sphaerium, waartoe deze en de volgende soort vroeger behoorden.
Een veel algemenere soort in Nederland is Musculium lacustre. Deze komt in veel typen stilstaande wateren voor, maar lacustris (Lat.) betekent van meren of vijvers als een pars pro toto. Een andere Nederlandse naam is mutsjesmossel, naar het kapje op de top van de schelp. Ook de Duitse naam Häubchenmuschel betekent kapjesmossel. De Franse en Engelse naam zijn Cyclade lacustre en Lake Orb Mussel.

Hoornschalen - Sphaerium
Hoornschaal - Sphaerium corneum
Duits: Gemeine Kugelmuschel
Engels: Horny orb mussel
Deens: Stor bønnemusling

Rivier-hoornschaal - Sphaerium rivicola
Duits: Flusskugelmuschel
Engels: Nut orb mussel
Frans: Cyclade rivicole

Stevige hoornschaal - Sphaerium solidum
Duits: Dickschalige Kugelmuschel

Sphaerium komt van het Griekse sphaira = bal om mee te spelen, globe, sfeer, vanwege de vrij bolle vorm van de doubletten. De Nederlandse naam Hoornschalen is genoemd naar de hoornige kleur van de schelpen.
Sphaerium corneum is de meest algemene soort van de drie hoornschalen. De soortnaam corneum (Lat.) = van hoorn, hoornen (cornu = hoorn) verwijst ook naar de hoornige kleur van de schelpen.
Rivicola (Lat.) betekent beek- of stroombewoner (rivus = beek of stroom). In dit geval de rustige delen van grote rivieren.
Naar de dikte van de schelp ten opzichte van de andere soorten heet Sphaerium solidum Stevige hoornschaal. Ook solidum (Lat.) betekent stevig of vast.

Houtboormossels - Xylophaga
Houtboormossel - Xylophaga dorsalis
Engels: Wood Piddock
Deens: Træ-boremusling (træ = hout)

Fraaie houtboormossel - Xylophaga praestans

De houtboormossels boren gaten in permanent ondergedompeld hout in de diepere delen van de Noordzee. Het hout dient als voedsel. De genusnaam is een samenstelling van xulon (Gr.) = hout en phagein (Gr.) = eten, verteren.
De betekenis van dorsalis (Lat.) is ruggelings, op de rug, maar het waarom van deze naamgeving is onduidelijk. Wellicht heeft het te maken met de ribben op de schelpen.
De betekenis van praestans is uitmuntend, voortreffelijk, maar waarin deze soort uitmunt is niet bekend.

Jacobsschelp - Pecten maximus en P. jacobaeus
Na een bezoek aan het graf van de heilige Jacobus namen bedevaartgangers als bewijs van hun pelgrimage een Jacobsschelp mee naar huis. Ze waren voor de kathedraal van Santiago te koop, waar men een exemplaar op zijn hoed, mantel of tas kon bevestigen. Volgens een pauselijke regel was het verkopen van schelpen buiten de stad verboden.
Uit de Codex Calixtinus is op te maken dat schelpen al voor het jaar 1100 nauw verbonden waren met de cultus rond Jacobus en de bedevaart naar Santiago de Compostela.
Een van de vele legenden die verbonden zijn met de oorsprong van dit symbool luidt als volgt: Toen het schip met het stoffelijk overschot van Jacobus de monding van de rivier bij Padrón binnenliep, wilde een vrome ridder het schip tegemoet snellen. Hij verdween echter samen met zijn paard in het water en zou verdronken zijn als de heilige Jacobus geen wonder had verricht. De man dook weer op, maar was geheel bedekt met schelpen. Sinds die gebeurtenis is de schelp het symbool van de heilige Jacobus.
Namen als Jacobsmantel, Jacobsschelp, Sint-Jacobsschelp, St. Jacobsschelp, Jacob’s scallop, St. James scallop, Jakobs-Pilgermuschel, Pilgrim’s scallop, Concha de peregrino (Spaans) verwijzen naar dit symbool. Pilgrim, Pilger en peregrino betekent pelgrim. Andere namen verwijzen naar het uiterlijk van de schelp. Met zijn ribben heeft deze wel iets weg van een kam of waaier, daarvan zijn er namen als kamschelp en Fan scallop (=waaier) afgeleid. De wetenschappelijke naam Pecten betekent in het Latijn eveneens kam.
De Jakobsschelp werd in de oudheid beschouwd als het erotisch-geslachtelijke symbool van de godin Venus. Vandaar dat Venus in het schilderij ‘De Geboorte van Venus’ van Botticelli opstijgt uit een kamschelp. Veneris is de tweede naamval van Venus, waarmee de Spaanse naam Concha venera of Venera voor kamschelp verklaart is.
Het Engelse scallop komt van het Franse escalop in de betekenis van schelp. Schelp, schaal en het Engelse shell = schelp zijn daarmee ook verwant. Omdat Marcus Samuel, de oprichter van SHELL, ooit begonnen was als handelaar in antiek en bijzondere schelpen heeft hij de kamschelp als symbool voor de firma gekozen.
In feite komen, zowel Pecten maximus als Pecten jacobaeus in aanmerking als naamdrager voor de heilige Jacobus, al heeft de laatste een streepje voor met zijn soortstoevoeging jacobaeus. In enkele namen komt het onderscheid tussen beide soorten tot uitdrukking. Pecten jacobaeus komt in de Middellandse zee voor en Pecten maximus in de Atlantische oceaan, hetgeen valt af te leiden uit de Franse namen Coquille Saint-Jacques de Méditerranée, Coquille Saint-Jacques atlantique en de Engelse naam Mediterrenean scallop. Pecten maximus is groter dan P. jacobaeus (lat. maximus betekent grootste), hetgeen de naamgevers van Great scallop (Engels) Grosse Kammmuschel, Grosse Pilgermuschel (Duits) Grote mantel en Grote kamschelp geïnspireerd heeft.

Kleine gaper - Sphenia binghami
Engels: Small Gaper

Sphenia binghami is genoemd naar Generaal-Luitenant Sir George Ridout Bingham (1777-1833).
De Kleine gaper behoort tot de familie van de Gapers – Myidae. De schelpen van de Gapers sluiten niet geheel op elkaar; de schelp van de Kleine gaper gaapt aan de achterzijde.
De soort is met een lengte van 12 mm klein vergeleken met andere leden van de familie, zoals de Strandgaper van 130 mm.
De vorm van de schelp is een beetje wigvormig; Sphenia komt van spèn, sphènos (Gr.) = wig. Ook de levenswijze ingeklemd in gaten van boormossels en rotsboorders heeft wellicht aan de naamgeving bijgedragen.

Jupiteria
Jupiteria Bellardi, 1875
Familie: Nuculanidae

Nuculana (Jupiteria) minuta (O F Müller, 1776)

Jupiteria is een subgenus van Nuculana. Jupiter is de Romeinse god van de stralende hemel. Samen met Iuno en Minerva had hij zijn tempel op het Capitool. Zijn attributen waren adelaar, bliksen en scepter. Later is hij gelijkgesteld met Zeus.

Juweelschelpen – Trigoniidae
Juweelschelpen, Driehoeksmossels – Trigoniidae
Engels: Brooch clams (brooch = broche)

Gewone juweelschelp - Neotrigonia margaritacea (Lamarck, 1804)
Synoniem: Trigonia pectinata Lamarck, 1819
Engels: Australian brooch clam

Neotrigonia bednalli (Verco, 1907)
Engels: Bednall’s brooch clam

Grofgeribde juweelschelp - Neotrigonia gemma Iredale, 1924

De familie Trigoniidae is lang uitgestorven gewaand, tot in de negentiende eeuw bij Australië levende schelpen werden opgedregd. In de Cambridge Natural History staat een mooi verhaal over de eerste vondst van deze schelp: “Stuchbury [waarschijnlijk Samuel Stutchbury (1798 - 1859)] vist de schelp uit het net en legt het in de boeg van de roeiboot, met de opmerking aan zijn metgezel dat het een Trigonia moet zijn. Zijn metgezel moet lachen om dat idee en maakt hem erop attent dat alle bekende Trigonia’s fossielen zijn. Plotseling neemt de schelp een flinke sprong in zee om daarmee elke verdere poging om zijn systematische positie te bepalen om zeep te helpen. Het duurt nog drie maanden voordat Stuchbury erin slaagt een volgend exemplaar te bemachtigen.” Het zou kunnen zijn dat de soortnaam pectinata refereert aan de eigenschap van soorten van het genus Pecten om ook te kunnen springen.
Omdat het nog levende exemplaren van een uitgestorven familie zijn met het naamgevende genus Trigonia heeft deze ontdekte soort de naam Neotrigonia gekregen, met het voorvoegsel neo = nieuw. Trigonia komt van trigonos (Gr.) = driehoekig naar de vorm van de schelpen.
De schelpen hebben een prachtige, sterk glanzende parelmoeren binnenzijde en worden daarom gebruikt in de sieradenindustrie en verwerkt tot lepeltjes, broches en dergelijke. De soortnaam van Neotrigonia gemma komt van gemma (lat.) = edelsteen, juweel, zegel, knop van planten. Het soorttoevoegsel margaritacea is afgeleid van het Griekse margaritès = parel.
Neotrigonia bednalli is genoemd naar William Tompson Bednall (1838-1915) Australische malacoloog, geboren in Leicester, Engeland en overleden in Adelaide (Australië). Hij had zich gespecialiseerd in Polyplacophora.

Kamvenusschelp - Pitar
Pitar dione (Linnaeus, 1758) – Koninklijke kamvenusschelp
Frans: Praire royale
Engels: Royal Comb Venus
Duits: Kamm-Venusmuschel

In de Griekse mythologie is Dione de moeder van Aphrodite (Venus) en de dochter van Zeus. Haar naam kan worden vertaald als 'koningin van het licht' of 'hemelkoningin'. Hesiodus noemt Dione echter als een van de Oceaniden, een dochter van Tethys en Oceanus. De Nederlandse, Engelse, Duitse en Franse naam benadrukken allemaal het Koninklijke. De kam in kamvenusschelp slaat op de lange puntige stekels op de schelp.
Pitar is een Indiaas woord dat vader betekent, verwant aan het Latijnse pater. In het Diccionario etimológico malacología geeft de volgende verklaring voor Pitar; “naam door Adanson aan een willekeurige schelp gegeven.” De auteur van het genus is echter Römer, 1857.

Kokkel - Cerastoderma edule
Om de juiste naamsdiagnose van de kokkel vast te stellen in het raadszaam om de hulp van een cardioloog (hartspecialist) en een dermatoloog (huidspecialist) in te roepen. Een oudere wetenschappelijke naam van de kokkel is Cardium edule. Cardium komt van het Griekse kardia = hart, omdat het doublet van opzij hartvormig is. Vandaar hartschelp en de Duitse naam Herzmuschel. De huidige wetenschappelijke geslachtsnaam is Cerastoderma. Cerastus (Lat.) betekent gedoornd en derma (Gr.) betekent huid. De bruine hoornige opperhuid bij levende dieren is de verklaring van deze naam.
De kokkel staat op dit moment zeer in de politieke belangstelling vanwege de schelpdiervisserij in de Waddenzee. Edule betekent eetbaar of smakelijk en daar is het de vissers om te doen.
De Nederlandse naam kokkel komt van het Franse coquille = schelp, dat op zijn beurt stamt uit het Latijn. Conchula is kleine schelp, het is samengesteld uit concha = schelpdier of mossel dat is afgeleid van het Griekse konchè = mossel en –ula een verkleinwoord. Het woord heeft dus in de loop der tijd van soort gewisseld.
De Engelse naam, cockle en de Franse naam coque hebben dezelfde stam als kokkel. Andere Nederlandse namen zijn Eetbare hartschelp en kokhaan.
Een tweede Nederlandse soort is de brakwatermossel, Cerastoderma lamarcki. Deze kokkel verdraagt water met een laag zout gehalte (brak) en komt zelfs op veel plaatsen binnendijks voor. Jean Baptiste Pierre Antoine de Monet, Comte de Lamarck (1744-1829) was behalve verzamelaar van schelpen en schrijver van boeken over schelpen ook naamgever van een groot aantal weekdiergeslachten. Zo zijn bekende genera als Nucula, Modiolus, Cyprina, Venerupis, Petricola, Lutraria, Turritella, Calyptraea, Crepidula en Loligo door hem beschreven. Dat Reeve in 1845 de brakwatermossel als varieteit lamarcki van Cardium edule naar hem vernoemt, is in dat licht gezien een beetje magertjes.

Potamocorbula amurensis
Potamocorbula amurensis (Schrenck, 1867)
Familie: Corbulidae
Engels: Amur river clam, Asian clam
Frans: Palourde chinoise
Duits: Nordpazifik-Venusmuschel
Japans: Numakodaki

De Asian clam behoort met vijf andere weekdieren tot honderd meest “agressieve” exoten van de wereld.
De tweekleppige Potamocorbula amurensis is inheems in Japan, China en Korea, in tropische tot gematigd koude wateren. Potamocorbula amurensis in het eerst ontdekt buiten Azië in de Baai van San Francisco in 1986. Sinds de introductie in dit gebied is het daar de meest dominante bentische soort geworden, in zeer hoge dichtheden tot 48 000 dieren per vierkante meter.
Potamocorbula is gevormd uit potamos (gr.) = rivier en het genus Corbula. Het is een soort van riviermondingen. De soorttoevoeging amurensis betekent van de rivier Amoer of Amur, waarvan de monding tegenover het eiland Sachalin ligt.

Ronde komschelp - Diplodonta rotundata
Familie: Ungulinidae
Engels: Round Double-tooth

Diplodonta rotundata is een dunschalige, matig bolle, ronde schelp. Het bolle en het ronde zijn opgenomen in de Nederlandse naam Rode komschelp.
Diplo in griekse samenstelling betekent van dubbel (van diploös) en odonta betekent tand. In beide kleppen liggen twee cardinale en twee laterale tanden.
De familienaam Ungulinidae is genoemd naar het genus Ungulina. Deze genusnaam is afgeleid van ungula (lat.) = hoef.

Korfmosselen – Corbicula
Toegeknepen korfmossel - Corbicula fluminalis
Duits: Feingerippte Körbchenmuschel

Aziatische korfmossel - Corbicula fluminea
Duits: Grobgerippte Körbchenmuschel
Engels: Asian Clam, Asiatic Clam
Frans: Clam asiatique

Aan het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw verschijnen in Nederland vrijwel gelijktijdig twee nieuwe, uit Zuidoost-Azië afkomstige, zoetwatermossels. De Toegeknepen korfmossel en de Aziatische korfmossel, “toegeknepen” slaat op de vorm van de schelpen.
Inmiddels zijn beide soorten van een groot aantal vindplaatsen langs de grote rivieren bekend. Zowel fluminalis als fluminea (Lat.) betekenen rivieren of stromend water bewonend.
Corbicula is een verkleinwoord (-ula) van corbis (Lat.) = mand of korf. De schelpen lijken op korfjes, maar bovendien is het een eetbare soort die in Azië in speciale manden of korfen van bamboe bewaard en vervoerd wordt.

Korfschelpje – Corbula gibba
Familie: Corbulidae – Korfschelpen

Frans: Corbule
Duits: Korbmuschel
Engels: Basket shell
Deens: Hampefrømusling

Het korfschelpje is een tweekleppige uit de Noordzee die zich de afgelopen decennia gevestigd heeft in de Ooster- en Westerschelde en in de Grevelingen. Ook spoelen regelmatig doubletten op het strand aan.
De genusnaam is afgeleid van corbis (Lat.) = korf en corbula = korfje. De soortnaam gibba (Lat.) = bochel of bult heeft evenals de genusnaam en de namen in Duits en Engels te maken met de vorm van de schelp.


Korstmosschelpje - Lasaea rubra
Engels: Adanson's Lepton, Red Lasaea
Het korstmosschelpje leeft in het litoraal van rotskusten, vastgehecht met zijn byssusdraden, tussen de korstmossen zoals Lichina pygmaea of in holten van stenen. De buitenzijde van de schelp heeft een bruinrode kleur, vandaar rubra (Lat.) = rood.
Lasaea is volgens Hansson (2003) afgeleid van Las (Gr.) dat steen betekent, dus naar het biotoop van de soort. Rafael Muniz Solis geeft als verklaring: van lasios (gr.) = ruig behaard, dicht behaard.
Een synoniem is Lasaea adansoni. Michel Adanson (1727-1806) was een Franse natuuronderzoeker van Schotse herkomst, die voornamelijk aan de flora en fauna van Afrika werkte, in het bijzonder die van Senegal. Hij werd beïnvloedt door Buffon en introduceerde het woord familie voor sterk verwante genera.

Lepelschelp - Cochlodesma praetenue
Familie: Periplomatidae
Engels: European spoon clam, Thin lantern shell,

De Lepelschelp is genoemd naar het lepelvormige uitsteeksel in het slot van de schelp. De genusnaam Cochlodesma is afgeleid van cochlear (lat.) = lepel en desmos (gr.) = band of bundel. Zo genoemd omdat dit uitsteeksel het inwendige deel van het ligament ondersteunt. De officiële term voor zijn uitsteeksel in lithodesma. Ligament betekent band van ligare (lat.) = binden.
De soortnaam praetenue (lat.) betekent zeer teer en slaat op de dunne en tere schelp.
De familienaam is afgeleid van het genus Periploma. Peri (gr.) betekent rondom, buitengewoon en ploma is mogelijk afgeleid van ploimos = zeewaardig, bevaarbaar.

Levendbarende paalworm - Lyrodus pedicellatus
Synoniem: Teredo pedicellatus Familie: Paalwormen - Teredinidae
Engels: Blacktip shipworm, Guernsey shipworm

Sommige soorten paalwormen, zoals de Levendbarende paalworm hebben broedzorg. Zij leggen relatief grote eieren en de uitgekomen larven zwermen pas uit als zij een zekere grootte bereikt hebben.
Lyrodus is samengesteld uit lyra (lat.) is lier of luit en –odus = gelijkend op. De paalwormen hebben naast hun schelp nog twee paletten, dit zijn schelpstukjes die aan het uiteinde van de boorgang rondom de siphobuizen liggen. De paletten zijn gesteeld, pedicellatus (lat.) = met een steel. Waarschijnlijk heeft ook de genusnaam met de paletten te maken, waarbij de vorm van de luit het beste aansluit op de vorm van deze paletten.

Mantelschelpen – Chlamys
Mimachlamys varia
Synoniem: Chlamys varia
Bonte mantel
Frans: Pétoncle noir, Petit vanne
Duits: Bunte Kammuschel
Engels: Variegated Scallop
Deens: Varierende kammusling

Aequipecten opercularis
Synoniem: Chlamys opercularis
Wijde mantel
Frans: Vanneau
Duits: Kleine Pilgermuschel, Gedeckelte Kammuschel
Engels: Queen Scallop, Quenie
Deens: Jomfruøsters

Beide soorten behoren tot de Chlamydinae, een onderfamilie van de familie Pectinidae, die Mantelschelpen, Mantels of Kamschelpen heten. Chlamys (Lat.en Gr.) is een mannelijk opperkleed, reis- of krijgsmantel. De schelpen vertonen namelijk gelijkenis met een wijd uitstaande mantel.
Het voorvoegsel Mima- komt van het Griekse mimos = acteur, nabootser, nabootsing. Vergelijk het Nederlandse mimespeler. Het betekent dat het geslacht Mimachlamys gelijkt op het geslacht Chlamys. Eigenlijk speelt hetzelfde bij het andere genus. Het voorvoegsel Aequi- komt van het Latijnse aequus = gelijk, dus gelijkend op het geslacht Pecten.
De bont gekleurde schelpen van Mimachlamys gaven aanleiding tot de naam varia = bont, Bonte (Nld.), Bunte (Dld.) en Variegated (Eng.). De Franse naam Pétoncle komt van het Latijnse pectunculus= kleine pecten. De naam vanne evenals vanneau (eigenlijk kievit) komen waarschijnlijk van het Franse van = wan, naar de vorm van de schelp. Opercularis komt van operculum (Lat.) = deksel.

Marmerschelp - Glycymeris glycymeris
De marmerschelp is een soort die veel gegeten wordt. Sommige namen benadrukken die eigenschap zoals European bittersweet (Eng.), Amande de mer (Fr.), Meermandel (Dld.) en Almendra de mar (Sp.). Ook de wetenschappelijke naam zegt mogelijk iets over de smaak. Het eerste deel van de naam Glycy- is van het Griekse glukus = zoet, maar het tweede deel is wat raadselachtig, meris kan zijn van het Griekse meros = deel of van het Latijnse merus = zuiver, helder. Over de smaak staat in de onderzochte literatuur niets vermeld. Amandelen kunnen ook al dan niet bitter zijn, maar geldt dat ook voor het vlees van de marmerschelp?
De naam marmerschelp en de Franse naam Amande marbrée slaan op de gemarmerde tekening op de buitenkant van de schelp. Die buitenkant kan ook bedekt zijn een donkerbruine en fluweelzachte opperhuid, vandaar de naam fluweelmossel en de Duitse naam Samtmuschel (Samt = fluweel). In het Engels heet de soort ook Dog cockle.

Melkwitte cirkelschelp - Loripes lacteus
Familie: Lucinidae

De familie Lucinidae – Circelschelpen is ook bekend onder de naam Lucinaschelpen. De naam is genoemd naar Lucina, het naamgevende genus van deze familie. Lucina betekent “die aan het licht brengt”, godin van de geboorte. Waarschijnlijk is de genusnaam Lucina afgeleid van lux (lat.), 2e naamval lucis =licht vanwege de lichte kleur van de schelpen.
De genusnaam Loripes (lat.) betekent sloffend, van lorum (lat.) riem of teugel en pes, pedis = voet of poot. De verbinding tussen de soort en deze betekenis valt nog niet te leggen.
De soortnaam lacteus (lat.) = melkwit slaat op de kleur van de schelp. De bijna ronde vorm is het kenmerkende eigenschap dat voor de Nederlandse naam is gekozen.

Mossels - Mytilus
Mossel - Mytilus edulis
Engels: Common mussel
Duits: Miesmuschel
Frans: Moule commune
Spaans : Mejillón común Italiaans : Mitilo (comune), Cozza Deens: Blåmusling

Diepwatermossel - Mytilus spec. non galloprovincialis

Middellandse zeemossel - Mytilus galloprovincialis
Engels: Mediterrenean mussel
Duits : Mittelmeer-Miesmuschel
Frans: Moule méditerranéenne, Moule de Provence
Spaans : Mejillón rubio, Mejillón mediterráneo
Italiaans: Mitilo, Cozza

Mossel is een van de weinige Nederlandse weekdiernamen met een respectabele ouderdom. In het Middelnederlands Handwoordenboek komt de soort onder vijf namen voor: mosschele, mosschel, mossele, mossel en mussel. De naam komt via het Middeleeuws-Latijnse musculus uit het klassiek Latijn.Vanwege de gelijkenis van de schelp met een muisje noemden ze de mossel musculus, dat is een verkleinwoord van mus (lat.) = muis. Daarnaast betekent musculus spier, vergelijk het Engelse muscle = spier.
De naam Mytilus komt van het Griekse mutilos, een soort mossel.
Behalve voor de “echte”mossels wordt de naam mossels ook wel gebruikt voor de hele groep van tweekleppigen.
De bij ons meest verkochte weekdier voor de consumptie is de mossel. De soortnaam edulis (lat.) betekent eetbaar of smakelijk. De naam Zeeuwse mosselen danken ze aan de mosselcultuur die al heel lang geconcentreerd is in Yerseke in Zeeland.
Soms spoelen in Nederland op drijvende voorwerpen mossels aan die een sterke overeenkomst vertonen met de soort Mytilus galloprovincialis. Deze Diepwatermossels duidt men aan met Mytilus spec. non galloprovincialis. Galloprovicialis betekent afkomstig van de Provence in Frankrijk = Gallië.

Nonnetje - Macoma balthica
Toen William Elford Leach (1790-1836) in 1819 het geslacht Macoma beschreef, is de naam van het geslacht wellicht geheel aan zijn fantasie ontsproten. Over de herkomst van de naam Macoma tasten we namelijk geheel in het duister. Hans. G. Hansson geeft de volgende uitleg: “Mogelijk van de Kappadocische godinnenaam Ma + Griekse koma = diepe slaap of + Griekse komè = haar of een geconstrueerde welluidende naam, uitgaande van het Griekse makos = lengte”. Rafael Muniz Solis zget echter: van machomai (gr.) = worstelen, strijden. Een bevredigende verklaring die verbonden kan worden aan de eigenschappen van de soort zit er echter niet bij.
Macoma balthica kan ook in brakwater gedijen, gezien zijn voorkomen in de Baltische zee. Balthica betekent Baltisch, maar het volledige verspreidingsgebied is veel groter en strekt zich uit van het Arctische gebied en de Oostzee tot aan de kust van Noord-Spanje.
De oudst bekende Nederlandse naam is te vinden in de Algemeene Statistiek van Nederland uit 1870, waarin een lijst is opgenomen van alles destijds bekende dier- en plantensoorten. Macoma balthica komt hierin voor onder de naam Tellina solidula. De soort heeft dan nog een plaats binnen het genus Tellina – platschelpen. Tellinè is een Griekse naam van een schelp waarvan Dioscorides gewag maakt. Solidula komt van solida (Lat.) = stevig en het verkleinwoord –ula. De Nederlandse naam is de grove platschelp. Grof in tegenstelling tot de iets fijnere Tellina fabula, de links gestreepte platschelp. De laatste soort heet overigens tegenwoordig rechtsgestreepte platschelp, het is maar hoe je het bekijkt.
De huidige naam Nonnetje heeft minder oude papieren en is mogelijk van Zuid-Nederlandse oorsprong. In de weekdieren van België uit 1884 van W. Eben komen zowel nonnetje als grove platschelp voor. In Oostende waren of zijn de namen koopernun en kopernon in gebruik. Het koper slaat waarschijnlijk op de rood-roze kleur van de schelp, vergelijk de Duitse naam Rote Bohne. De zuidelijke herkomst van de naam geeft ook richting aan een mogelijke verklaring van de naam nonnetje. Non of nonne betekent in Zuid-Nederland tol of top. Omdat de top van de schelp van het nonnetje vaak het diepst van kleur is, heeft de naamgever misschien “topje” of nonnetje in gedachten gehad.
De verwantschap met het geslacht Tellina = platschelpen komt niet alleen in de oude wetenschappelijke naam naar voren, maar ook in buitenlandse namen: Telline de la Baltique (Fr.), Baltische Plattmuschel (Dld.) en Baltic tellin (Eng.).

Noordkromp - Arctica islandica
Het woord kromp komt van krimpen en is verwant met krom. Krom van ouderdom zou je kunnen zeggen, want exemplaren van de Noordkromp kunnen een aanzienlijke leeftijd bereiken. Uit telling van het aantal interne groeilijnen blijkt dat sommige individuen meer dan 200 jaar oud zijn. Het eerste deel van de naam slaat op het verspreidingsgebied van de soort: het Noordelijk deel van de Atlantische oceaan. Ook de wetenschappelijke naam is hierop gebaseerd. Arctica betekent arctisch of noordelijk en islandica betekent uit IJsland. De Duitse naam Island Muschel betekent letterlijk IJslandse mossel.
Een synoniem is Cyprina islandica en de Engelse naam Iceland cyprine. Cypria is de bijnaam van Aphrodite, vanwege de bijzondere verering die ze op Cyprus genoot. Dat een bijnaam van Aphrodite voor een schelp is gekozen is niet zo vreemd. Aphrodite werd geboren uit het schuim van de zee. (aphros = schuim). Aphrodite toont veel verwantschap met Astarte, de Foenische godin van de maan en de vrouwen. Astarte bestuurde de getijden, de menstruatie en de vruchtbaarheid van de aarde. Haar relatie met de zee is een verklaring voor de geboorte van Aphrodite uit zeeschuim. Ook de Romeinse godin Venus werd geidentificeerd met Aphrodite. Daarmee is ook verklaard dat Venus en Astarte schelpennamen zijn.
Andere Engelse namen zijn ocean quahog en black quahog. Omdat quahog de naam is van de Noord Amerikaanse indianen voor schelpen uit het geslacht Mercenaria zullen deze namen wel uit dit werelddeel afkomstig zijn. Black (zwart) slaat op de donkere opperhuid die de schelp bedekt.
Tot slot zijn de Franse namen quahog nordique (waarschijnlijk Canadees), praire d’Islande en palourde de mer.

Noorse hartschelp - Laevicardium crassum
Synoniem: Cardium norvegicum
Duits: Norwegische Herzmuschel
Frans: Bucarde de Norvège, Bucarde épaisse
Engels: Smooth cockle, Norway cockle
Deens: Glat hjertemusling

De geografische aanduidingen van wetenschappelijke namen, zoals norvegicum dat Noors betekent, zijn vaak een pars pro toto. Dat wil zeggen zij geven slechts een deel van het gehele verspreidingsgebied van de soort aan. Vaak is het de plaats, streek of het land waar de eerste vondst is gedaan of is het is een weerslag van de toenmalige kennis over de verspreiding van de soort. Zo komt de Noorse hartschelp van Noorwegen tot aan Spanje, in de Middellandse Zee en langs de westkust van Afrika tot Senegal en de Kaap Verdische Eilanden voor.
De sculptuur van de schelp bestaat uit 23-40 zeer vlakke radiaire ribben. De soort heeft vergeleken met de kokkel een glad oppervlak. De genusnaam is samengesteld uit leavis (Lat. levis) = glad, gepolijst, glanzend en Cardium een ander geslacht uit deze familie (zie kokkel).
De soortstoevoeging crassum (Lat.), wat dik, vet, dicht of grof betekent, is niet erg toepasselijk voor deze soort. Mogelijk is het meer de grootte van de schelp (groter dan de Gewone kokkel) waar de naam naar verwijst.


Noorse paalworm - Nototeredo norvegica
Norwegian shipworm
Taret de Norvège
Norsk pæleorm

Nothos (gr.) betekent onecht, buiten het huwelijk verwekt. In genusnamen betekent het meestal verwant, maar wel in een afzonderlijk genus geplaatst. Nototeredo betekent dus letterlijk “onechte” Teredo (genusnaam van de Paalworm).
Het is een soort met een noordelijke verspreiding, hetgeen hem de naam Noorse en norvegica (= Noors) bezorgd heeft.

Oester - Ostrea edulis
De oestermaaltijd was een geliefd thema in de Nederlandse schilderkunst, waarvan het oestereetstertje van Jan Steen wel een van de bekendste voorbeelden is. Johan van Beverwijck in zijn Schat der Gesontheydt uit 1651 beschrijft de symboliek van dit thema als volgt: “onder de Visch, die in harde schelpen besloten is, zijn Oesters van allen tijden voor de delicaetse gehouden. Want sy verwecken appetyt ende lust om te eten, en by te slapen het welck alle beyde de lustighe ende delicaete luyden wel aenstaet.”. In hedendaags Nederlands oesters zijn lust en eetlust en opwekkend.
Sinds heugelijke tijden is de oester een gewaardeerd voedingsmiddel voor de mens. De toevoeging edulis = eetbaar of smakelijk aan de wetenschappelijk geslachtsnaam Ostrea voor de oester lag dus voor de hand. Eetbare oester is een naam die we tegenkomen bij Bennett & Van Olivier (1826), maar ook andere talen benadrukken de oester als voedingsmiddel: Edible oyster (Engels) en Huître comestible (Frans).
De Latijnse naam voor oester is ostrea of ostreum, wat is afgeleid van het Griekse ostreion of ostreon, wat verwant is met osteon = bot, been. Zowel het Nederlandse oester, het Duitse Auster, het Franse huître (î = is) en het Engelse Oyster stammen van het Latijnse Ostrea af.
Vier andere Nederlandse oestersoorten zijn in het genus Crassostrea geplaatst. Crassostrea is een samenvoeging van het Latijnse crassus = dik en Ostrea, vanwege de dikkere schelpen.
Een grote concurrent van de oester (Ostrea edulis), ter onderscheiding ook platte oester (in het Frans huître plat) genoemd, is de Japanse oester Crassostrea gigas, die onder de naam creuses in de handel wordt gebracht. Volgens Van Dale woordenboek Frans-Nederlands is creuse een oester met een diepe schelp. Deze Japanse oester is een slag groter dan de platte oester, maar de benaming gigas = reuzen is wel wat overdreven. Verschillende auteurs beschouwen de Japanse en de Portugese oester, Crassostrea angulata als ondersoorten van één soort. Angulata (Lat.) betekent hoekig, dat wil zeggen de schelp is hoekig, in tegenstelling tot de platte oester die meer rond is.
De andere twee soorten zijn de Geschubde oester (Crassostrea denticulata) en de Amerikaanse oester (Crassostrea virginica). Denticulata betekent getand (Lat.) en slaat op de schubvormige structuur van het oppervlak van de schelp. Virginica betekent Virginisch, van Virginië, één van de staten van de Amerikaanse oostkust. Dit is het oorspronkelijke herkomstgebied van deze soort.

Otterschelp – Lutraria
Otterschelp – Lutraria lutraria
Engels: Common Ottershell, European Otter Clam
Duits: Ottermuschel
Deens: Oddermusling
Frans: Lutraire elliptique

Gebogen otterschelp – Lutraria magna
Engels: Oblong Otter Clam
Frans: Lutraire oblongue

Er bestaan verschillende opvattingen over de betekenis van de genusnaam Lutraria. Linnaeus plaatste de soort Mya arenaria (Strandgaper) tegenover de soort Mya lutraria. In de beschrijving van de laatste soort neemt hij "ad ostia fluviorum" op, hetgeen betekent in riviermondingen. Gezien het vaak modderige karakter van deze mondingen, kan Linnaeus zich vergist hebben in de naamgeving en lutaria bedoeld hebben, wat afgeleid is van het Latijnse lutum = modder, slijk. Maar het kan ook in verband gebracht worden met de otter, waarvan de Wetenschappelijk naam Lutra is. De Nederlandse naamgeving hinkt ook op beide gedachten met de veel voorkomende namen Ovale slijkschelp en Otterschelp. Een tweede soort is de Gebogen otterschelp Lutriaria magna. De onder- en bovenrand zijn sterk gebogen in dezelfde richting, daarom heet de soort gebogen. De naam magna = groot slaat op de grote schelpen, maar is niet onderscheidend ten opzichte van de gewone otterschelpen die ongeveer even groot zijn.

Ovale zeeklitschelp - Tellimya ferruginosa
Engels: Rusty Montagu Shell
Deens: Montagus musling

De ovale zeeklitschelp is door Montagu oorspronkelijk beschreven als Mya ferruginosa. Toen de soort in een nieuw genus geplaatst werd, is een nieuwe genusnaam gevormd uit Tellina en Mya, waarschijnlijk vanwege de gelijkenis met sommige vertegenwoordigers uit het genus Tellina.
Tellimya ferruginosa is een min of meer eirond schelpje. De dieren leven als commensaal tussen zee-egels, soms wel tot 10 exemplaren per zee-egel. Een commensaal is een organisme dat zonder schadelijke gevolgen met een ander organisme samenleeft. Een zeeklit of hartegel is een zee-egel (Echinocardium cordatum).
Ze zijn vaak bedekt met een roestbruine aanslag, die veroorzaakt wordt door uitscheidingsprodukten van de zee-egels. Ferruginosa (Lat.) = roestkleurig, ferrum = ijzer.
De soort is lid van de familie Montacutidae en is voor het eerst beschreven door Montagu in 1808, daarom is de Engelse en Deense naam naar hem vernoemd.

Paalworm - Teredo navalis
De paalworm is een tweekleppig schelpdier, dat in hout boort, dat in contact staat met de zee Maar oppervlakkig gezien lijkt het dier op een worm. De schelp is klein, en wordt gebruikt als boorkop. De snelheid waarmee het dier boort kan 1 cm per week bedragen.
Nog steeds is de paalworm vrij algemeen in stukken hout, ook vaak aangespoeld hout. Maar er is een tijd geweest dat de paalworm hier zeer zeldzaam was en als een rariteit werd beschouwd. In een “Korte handleiding” van het Koninklijk Kabinet op het Mauritshuis in ’s-Gravenhage is naast een leuningstoel van Jacoba van Beijeren, een beddekwast uit het bed van Czaar Peter en een doosje, waarin eenig haar van J.C.J. van Speyck een stuk paalworm uit Amsterdam vermeld. De paalworm is oorspronkelijk een Aziatische soort, die waarschijnlijk met houten schepen hier naartoe versleept is. P.C. Hooft in zijn Nederlandsche Historiën maakt al melding van het voorkomen van de paalworm in Zeeland omstreeks 1580, maar de aanwezigheid was nog sporadisch en praktisch zonder betekenis. Omstreeks 1730 breekt echter een epidemie van de paalworm uit die de gemoederen behoorlijk in opschudding brengt en een stroom aan publicaties over dit schelpdier oplevert. Uit deze geschriften blijkt vooral de bezorgdheid over de schade die de paalworm veroorzaakt, zoals de publicatie: “Naerstig en beweegelijk gebedt door order van den rabijn en de ouderlingen van de hoogd. Joodsche gemeente der Stadt Rotterdam. Wegens de bezoeking des Heeren door de knaegende dijkpaelworm”. Andere namen die we in geschriften uit die tijd tegenkomen zijn: zeeworm, zeehoutworm, houtvreter, houtuytraspende en doorborende zeeworm, kokerworm en verwoestende paalworm. De borende eigenschap van de paalworm veroorzaakt grote schade aan houten schepen, sluisdeuren, en ander houtwerk dat in contact staat met zoutwater. Er zijn veel maatregelen genomen om het houtwerk tegen de vraat van de paalworm te beschermen. In de 18e eeuw beslaat men het hout met grote spijkers. Het zeewater vormt met het ijzer een roestlaag, welke voorkomt dat de paalwormen het hout binnendringen. Ook het bekleden van het hout met koperplaten of gegalvaniseerd ijzer belemmert de groei. Een andere mogelijkheid is het impregneren van het hout met creosootolie. Vanaf circa 1880 is men in veel gevallen tropische hardhout gaan gebruiken, dat bestand bleek te zijn tegen paalworm.
De wetenschappelijke naam Teredo navalis betekent letterlijk houtworm (Lat. teredo) van een schip (Lat. navalis). De Franse naam taret is niet van teredo afgeleid, maar van het Latijnse tarmes dat ook houtworm betekent. Het Engelse shipworm en het Duitse Schiffsbohrwurm slaan op de eigenschap houten schepen te doorboren, terwijl het Nederlandse paalworm de schade aan beschoeiingen langs de kust die uit houten palen bestaan tot uitdrukking brengt. De met kalk beklede boorgaten gaven aanleiding tot de naam kokerworm.

Paardenzadel – Anomia ephippium
Nederlands: Paardenzadel, Zadeloester
Duits: Sattelmuschel, Zwiebelmuschel
Engels: Common Saddle Oyster, Jingle Shell
Deens : Saddeløsters
Frans : Feuille de rose, Pelure d’oignon, Huître fer-à-cheval, Anomie
Er zijn twee verklaringen voor de betekenis van de genusnaam. De onregelmatige vorm, die is aangepast aan de ondergrond, waarop het dier is vastgehecht leidt tot anomia (Grieks) = wetteloosheid, onwettigheid. Entrop voegt daar nog aan toe: bandeloze groeier. Anomos = wetteloos, onwettig, ongediciplineerd. De bolle rechterklep die niet gelijk is aan de platte linkerklep leidt mogelijk tot anomoios (Grieks) = ongelijk, niet gelijk. (an = niet + homos = gelijk).
De soorttoevoeging ephippium (Lat.) betekent paardendek of paardenzadel.(Gr hippos = paard). Ook in andere talen is het zadel terug te vinden.
De Fransen hebben voor deze soort een aantal prachtig klinkende namen die achtereenvolgens vertaald kunnen worden als rozenblaadje, uienschil en hoefijzer-oester. De laatste naam is waarschijnlijk geïnspireerd door de inbochting in de rechterklep voor het doorlaten van de byssusdraden. Ook in één van de Duitse namen (Zwiebel = ui) komt de gelijkenis met een ui(enschil?) naar voren. De kleur van de schelp is lichtgeel tot donkerpaars.

Pandora-schelp - Pandora inaequivalvis
Pandora is de eerste vrouw op aarde, op bevel van Zeus door Hephaestus uit water en aarde vervaardigt. Zij was door de goden begiftigd met vele talenten (pan-dora = door allen begiftigde), Aphrodite gaf haar schoonheid, Apollo muzikaliteit, Hermes overtuigingskracht enzovoort. Toen Prometheus het vuur uit de hemel stal, nam Zeus wraak door Pandora aan zijn broer Epimetheus ten geschenke te geven. Pandora kreeg een groot vat mee, dat nooit geopend mocht worden. Uit nieuwsgierigheid opende ze toch het vat en alle ellende en rampen ontsnapten en verspreiden zich over de gehele aarde. Toen Pandora snel het vat weer sloot bleef alleen de Hoop hierin achter.
Als Erasmus geen fout had gemaakt bij de vertaling van het werk van Hesiodos, dan had de Pandora-schelp waarschijnlijk een andere naam gekregen. Hij vertaalde namelijk het Griekse pithos = vat of pot om graan in op te slaan in het Latijnse pyxis, wat doosje betekent. De Pandora-schelp lijkt met zijn zeer bolle linker schelp, de platte rechter schelp en de met parelmoer bekleedde binnenzijde op een doosje (inaequivalvis = ongelijkkleppig).
Ook het Engels Pandora-shell en het Frans Pandore inequivalve hebben de wetenschappelijke naam als voorbeeld gekozen. Een wetenschappelijk synoniem is Pandora albida. Albida = witachtig en slaat op de kleur van de schelp.

Panopea

Panopea Ménard, 1807
Familie: Hiatellidae

Panopea generosa (Gould, 1850)
Engels: Geoduck

Panopea of Panope is één der Nereïden of zeenimfen, de vijftig schone dochters van Nereus en Doris. Het zijn vriendelijke zeenimfen, die de schippers hulpvaardig bijstonden.
Panopea generosa is een soort die ingegraven leeft in het zand van de Pacifische oceaankust van de staat Washington en de Canadese provincie British Columbia. De soortnaam generosa betekent edel, voornaam en slaat waarschijnlijk op de smaak of op de reusachtige afmetingen. Volgens Rudolf Kilias kan het dier een lengte van 1 meter bereiken met een schelplengte van 23 cm.
De Engelse naam is Geoduck, maar dat heeft niets uit te staan met geo = aarde of duck = eend. De naam wordt uitgesproken als gooey-duck, komt van gwe-duk van de Nisqually Indianen en betekent “graaf uit diep”. Het is een eetbare schelp die voor consumptie uitgegraven wordt.

Pareloesters - Pinctada
Gewone pareloester- Pinctada vulgaris

Zwartlippareloester- Pinctada margaritifera
Engels: Black-lip pearl oyster
Duits: Schwarzlippigen Auster
Frans: Huître à lèvres noires, Huître perlière à lèvres noires

Goudlippareloester- Pinctada maxima
Engels: Gold-lip pearl oyster, White-lip pearl oyster
Duits: Goldlippen Perlmuschel
Frans: Huître perlière à lèvres doreés

Japanse pareloester - Pinctada fucata
Engels: Painted pearl shell, Japanese pearl oyster

Mexicaanse pareloester - Pinctada mazatlanica
Engels: Calafia pearl oyster

West-Indische pareloester – Pinctada radiata
Frans: Huître perlière des Antilles

Pinctada is het belangrijkste parelleverende genus, alle hieronder genoemde soorten leveren bruikbare parels op.
De witte tot crèmekleurige pareltjes van de vrij kleine Gewone pareloester, vulgaris (lat.) = gewoon, worden als Egyptische parels verkocht.
Het parelmoer van de Zwartlipoester is zilvergrijs met een zwarte rand. Ook de parels zijn zilvergrijs.
De grootste soort van het genus met een schelp van 30 cm lengte is de Goudlipoester; maxima (lat.) = grootste, zeer groot. Het parelmoer van deze soort is zilverwit met een goudgele rand.
De Japanse pareloester komt onder meer voor in de wateren rond Japan. De Pinctada fucata is de soort die in Japan gebruikt wordt voor het kweken van gecultiveerde parels. In 1894 lukt het de Japanner Mikomoto Kokichi om een parel te kweken. Momenteel kweekt men deze parels door in drie jaar oude Japanse pareloesters een kern aan te brengen. De kernen zijn meestal gemaakt uit de schelp van Pleurobema cordata, een Amerikaanse parelmossel uit het zoete water (Engels: pigtoe clam of pigtoe mussel). Na drie jaar zijn de gekweekte parels oogstrijp.
De soortnaam fucata betekent geverfd, gekleurd, geblanket, waarschijnlijk naar de bruine buitenzijde of het parelmoer genoemd.
De Mexicaanse pareloester komt voor langs de westkust van Mexico. De soortnaam Mazatlanica is genoemd naar de Mexicaanse stad Mazatlan. De soort maakt zwarte parels.
Columbus gaf een eiland voor de kust van Venezuela de naam margarita, het Griekse woord voor parel. Nog steeds wordt bij dit eiland naar Pinctada radiata, de West-Indische pareloester gedoken. De schelp vertoont een straalsgewijs strepenpatroon, daarom de soortnaam radiata (lat.) = stralend.
De betekenis van de genusnaam Pinctata is onbekend, mogelijk is deze afgeleid van pingo (pinxi, pictum) = schilderen, tekenen, borduren.

Pholade - Pholas dactylus
Familie : Boormossels - Pholadidae
Engels: Common Piddock
Duits: Gewöhnliche Bohrmuschel
Frans: Pholade dactyle
Deens: Daddelformet boremusling

Het Griekse woordenboek geeft als betekenis van pholas, 2e naamval pholados: in een hol levend, van pholeos = hol. Volgens Entrop en De Bruyne heeft het ook de betekenis van schelp of boorschelp. De soort leeft in zelf geboorde gaten of holen in hout, veen, klei en zachte steen. De Nederlandse naam Pholade is naar de wetenschappelijke naam genoemd.
De schelp is langwerpig en lijkt wel wat op een vinger; dactylus (lat.) = vinger. Het woord dactyloscopie, het onderzoeken van vingerafdrukken, bevat ook het woord dactylus.

Platschelpen - Tellinidae
Tere platschelp - Tellina tenuis
Duits: Platte Tellmuschel, Dünne Plattmuschel
Engels: Thin tellin
Frans: Telline délicata, Telline papillon, Telline mince
Almindelig tallerkenmusling

Rechtsgestreepte platschelp - Tellina fabula
Duits: Gerippte Plattmuschel, Bohnen-plattmuschel
Engels: Bean tellin
Deens: Stribet tallerkenmusling

Kleine platschelp - Tellina pygmaea
Engels: Little tellin
Deens: Lille tallerkenmusling

Stevige platschelp - Tellina crassa
Duits: Plumpe Tellmuschel Engels: Blunt tellin
Frans: Telline épaisse

Stralende platschelp - Tellina donacina
Engels: Donax-like tellin

Geplooide platschelp - Tellina distorta

Tellina is genoemd naar Tellinè, een Griekse naam van een schelp die Dioscorides genoemd is. Vanwege het platte uiterlijk van de schelpen heten ze platschelpen.

De tere platschelp is de meest algemene platschelp. Het is een tere, breekbare schelp, wat ook blijkt uit de soortnaam tenuis (Lat.) = teer, fijn, dun, slank.
De wetenschappelijke naam van de tuinboon is Vicia faba. Faba (Lat.) betekent boon en fabula betekent boontje. De rechtsgestreepte platschelp lijkt wel wat op een boon. De soort heet rechtsgestreept, omdat alleen de rechterklep een sculptuur van fijne streepjes heeft.
De Kleine platschelp is met een lengte van 9 mm kleiner dan de overige soorten. Pygmaea betekent dwergachtig klein.
De Stevige platschelp heeft ten opzichte van de andere soorten dikschalige schelpen. De betekenis van crassa (Lat.) = dik.
De kleur van de stralende platschelp is lichtgeel met vanuit de top stralende oranjerode tot paarse kleurstrepen. Qua vorm en kleur lijkt deze soort op het genus Donax. De soortnaam donacina is daarvan afgeleid.
Van de geplooide platschelp worden alleen fossiele exemplaren in ons land gevonden. De soorttoevoeging distorta (Lat.) = verdraaid, mismaakt. Naar de plooi van de schelp is de soort genoemd.

Platte slijkgaper - Scrobicularia plana
In het slot van de Platte slijkgaper bevindt zich een lepelvormig uitsteeksel met een kuiltje, waarop het inwendige ligament (= resilium) bevestigd is. Scrobicularia komt van scrobiculus (Lat.) dat kuiltje betekent. Plana (Lat.) betekent vlak of plat en is evenals de Nederlandse naam Platte slijkgaper verbonden met de zeer platte schelpen. De schelp gaapt aan de achterzijde, vandaar –gaper. De slijkgaper leeft in de slikkige zeegaten van de Waddenzee en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden.
Een weinig meer in gebruik zijnde wetenschappelijke naam is Scrobicularia piperata. Piperatus (Lat.) betekent gepeperd; vergelijk de Duitse naam Pfeffermuschel en de Engelse naam Peppery Furrow Shell (furrow = groef). Het is een eetbare soort en daarom op veel plaatsen verzameld en vaak te koop op vismarkten, zo staat in de schelpengids van Jan Lellák, maar over een gepeperde smaak van het vlees wordt niet gerept.
De Franse naam is Scrobiculaire of Lavignon. Over de etymologie van de laatste naam is niets gevonden.

Rotsboorders - Hiatellidae
Hiatella arctica Noordse rotsboorder
Hiatella rugosa Ruwe rotsboorder
Saxicavella jeffreysi Geplooide rotsboorder
Sommige soorten van de familie Hiatellidae boren in zacht gesteente. Bob Entrop meldt dat de schelpen van Hiatella rugosa borend zijn aangetroffen in baksteen en Doornikse steen. Andere soorten nestelen zich in bestaande holten of zijn met byssusdraden (byssus is Latijn voor fijn linnen, katoen) vastgehecht aan stenen, schelpen of een andere harde ondergrond. Buitenlandse namen voor de rotsboorder zijn Rock borer (Eng.), Saxicave (Fr.) en Felsenbohrmuschel (Dld.)
De schelpen zijn min of meer gapend. Levinius Vincent noemt ze gaapertjes in zijn Wondertooneel der Nature (1706). De wetenschappelijke naam Hiatella is een samenvoeging van hiatus, Latijn voor gaping, opening of kloof en –ella een verkleinwoord. Hiatus, vergelijk het Nederlandse hiaat, is afgeleid van hiare, gapen of opengesperd zijn.
Een andere naam voor Hiatella is Saxicava. Saxicava is van saxus, Latijn voor rots en van cavus is uitgehold, van cavo = hol maken, uithollen. Saxicavella is een slagje kleiner dan Hiatella en heeft daarom het achtervoegsel –ella. Hiatella arctica komt voor van het Arctische gebied tot aan de Middellandse Zee. Arctica betekent arctisch en slaat dus maar op een deel van het verspreidingsgebied, evenals de Nederlandse naam Noordse rotsboorder.
De Engelse naam van deze soort is Wrinkled rock borer, vertaald “geplooide rotsboorder”. Vanuit de top van de schelp lopen namelijk twee duidelijke, meestal gedoornde kielen naar de achterzijde. In Nederland heeft echter Hiatella jeffreysi de naam Geplooide rotsboorder gekregen. Deze soort heeft maar één flauwe plooi op de schelp. Jeffreysi is een vernoeming naar de Britse concholoog John Gwyn Jeffreys die leefde van 1809 tot 1885.
Hiatella rugosa, synoniem Hiatella striata is de ruwe rotsboorder. De soort is echter niet veel ruwer dan Hiatella arctica. De soortnamen rugosa en striata betekenen respectievelijk rimpelig (van Lat, rugo rimpelen of in plooien vallen) en gestreept.

Ruwe boormossel - Zirfaea crispata
Frans: Grande pholade rugueuse, Pholade crépue (crépu=gekroesd)
Duits: Krause Bohrmuschel, Rauhe Bohrmusschel
Engels: Oval Piddock
Deens: Stor boremusling

Hansson (2003) geeft twee verklaringen voor de betekenis van de genusnaam die allebei aannemelijk klinken, hoewel hij er zelf wel enkele vraagtekens bij plaatst. Het is een samenstelling van Zeira (Gr.) een ruim tot de voeten reikend overkleed, in het midden omgord van de Arabieren en Thraciërs en phaios (Gr.) wat grauw of grijs betekent. Of het is afgeleid van het Griekse sirpea (in het Latijn scirpea): een grote mand gemaakt van biezen (Scirpus), speciaal als een bak op een wagen. De eerste betekenis verwijst mogelijk naar de ondiepe groeve, ongeveer in het midden van de schelp, die de sculptuur in tweeën deelt en de kleur van de schelp. De tweede betekenis heeft mogelijk te maken met de ruwe sculptuur van de schelp: als het vlechtwerk van een mand.
De dieren hebben de naam Ruwe boormossel gekregen, omdat ze ingeboord in steen, klei, veen en hout leven en omdat de structuur van de schelp ruw is. Crispatus, crispus (Lat.) = gekroesd, gekruld en –atus = voorzien van.

Sabelschede - Phaxas
Sabelschede, Kleine sabelschede - Phaxas pellucidus
Synoniem: Cultellus pellucidus
Duits: Kleine Schwertmuschel
Engels: Tiny Razor
Deens: Lille knivmusling
Zweeds: Lilla knivmusslan

Naar de langgerekte vorm van de schelp heet deze soort sabelschede.
De herleiding van de naam Phaxas is onzeker. Het is mogelijk afgeleid van Phasis of Phasias. Phasis is de naam van een rivier in Colchis. Phasis is ook een riviergod en de zoon van Oceanus en Tethys. Volgens Rafael Muniz Solis (2002) is de naam afgeleid van phakos, phaxos (gr.) = linze, waarbij het verband met deze soort in ieder geval ver te zoeken is. De afleiding van de synonieme genusnaam Cultellus is wel te duiden. Het is afgeleid van het Latijnse cultella = mesje (diminitief van culter = mes). Ten opzichte van andere mes-, zwaardscheden en mesheften is het met 30 mm lengte een kleine schelp.
De schelpen zijn iets doorschijnend. Pellucidus is door assimilatie gevormd uit het Latijnse perlucidus = doorschijnend.

Scheepsworm - Psiloteredo megotara
Engels: Drifting Shipworm
Duits: Schiffsborhwurm
Deens: Skibspæleorm

Psiloteredo is samengesteld uit psilo van psilos (gr.) = naakt, kaal en de genusnaam Teredo – Paalworm. Hoewel het geen onderscheidend kenmerk is ten opzichte van andere familieleden heeft het naakte waarschijnlijk betrekking op het grotendeels niet door een schelp bedekte weke deel van het dier.
Aan de schelpen van de scheeps- en paalwormen zijn drie delen te onderscheiden, het voorste middelste en achterste deel. Het achterste deel het oortje is vrijwel glad. Bij de scheepsworm is dit opvallend groter, waarmee de soortnaam megotara = (gr.) met groot oor (megas = groot, ous, otos = oor) verklaard is.
De scheepsworm boort onder andere gangen in houten scheepsrompen, en was daarom vroeger met zijn vele houten zeeschepen zeer schadelijk.

Schildermossel - Unio pictorum
De volledige wetenschappelijke naam is Unio pictorum (Linnaeus, 1758). In het woordenboek Latijn staat bij Unio: eenheid, in het bijzonder (één grote) parel. Het Nederlandse woord unie is ook afgeleid van unio. De naam slaat op het voorkomen van wratachtige parels bij soorten van de familie Unionidae. Een verwante soort, de parelmossel (Margaritifera margaritifera, wat pareldragend betekent), voorkomend in snelstromende in bergbeken in Europa, was zelfs eeuwenlang de hofleverancier van parels voor de Europese vorstenhuizen. Het tweede deel van de naam “pictorum” betekent van de schilders. De schelpen werden vroeger als verfbakjes gebruikt. Zowel de Nederlandse, Engelse, Duitse en Franse naam verwijzen naar dit voormalige gebruik: Schildersmossel, Verfmossel, Painter’s mussel, Malermuschel en Mulette des peintres.

Snavelneuten - Nuculanidae
Geribde snavelneut - Nuculana minuta
Synoniem: Leda minuta
Engels: Beaked leda, Minute nut shell
Deens: Lille svanehalsmusling
Noors: Lite nebbskjell

Leda was gehuwd met Tyndareüs de vorst van Sparta. Zeus beminde haar om haar buitengewone schoonheid en benaderde haar in de vorm van een zwaan. Zij had drie kinderen van Zeus: Helena, Castor en Pollux. Leda met de zwaan was in de oudheid en in de huidige tijd een geliefd onderwerp van kunstenaars.
De genusnaam Leda zal zeker ontleend zijn aan de vorm van een schelp die er uitziet als een zwanenkop of snavel. De genusnaam Nuculana is ontleend aan de genusnaam Nucula (Parelmoerneut).
Vergeleken met de Parelmoerneuten is het beslist geen klein schelpje en is de naam minuta = klein een minder goede keuze. Maar vergeleken met gewone schelpen als mossel en kokkel is de soort toch wel klein.

Steekmossel – Pinna
Grote steekmossel, Grote zakschelp - Pinna nobilis
Frans: Grande nacre, Jambonneau hérissé, Jambonneau de mer, Pinne
Duits: Große Steckmuschel, Edle Steckmuschel
Engels: Noble pen shell, Pen shell, Fan shell, Fan mussel
Spaans: Nácar, Nacra
Italiaans: Pinna comune, Gnacchera, Nacchera

Er zijn veel verhalen in omloop over de Steekmossel en zijn bewoners. Plinius de oude (23-79 v. Chr.) had al ontdekt dat Pinna met een krabbetje samenleeft. Het is de Oesterwachter of Pinna-wachter (Pinnotheres pinnotheres), verwant met het in Nederland voorkomende Erwtenkrabbetje (Pinnotheres pisum). In de oudheid was men de mening toegedaan dat deze krabbetjes bij gevaar het blinde schelpdier zouden waarschuwen door in de mantel te knijpen, waarop deze zijn schelp zou sluiten. In ruil voor dit gastheerschap gaat het krabbetje soms op stap om voedsel voor beide te vergaren. Bij zijn terugkomst klopt hij op de schelp, welke zich opent om hem te ontvangen en zouden ze het meegebrachte voedsel delen.
De Duitse naam van deze krab is Muschelwächter, de Engelse naam Pea Crab en de Franse Pinnothère
In het Woordenboek Latijns staat: pinoteres [van Gr. pino-thèrès = “kammossel-bewaker”] de kleinste soort kreeft.. Pinna (Lat.) = veer, vin. Omdat de schelpen op een grote veer of vin lijken hebben ze de Latijnse naam pinna gekregen.
De Steekmossel heeft lange, zijdeachtige, goudkleurige byssusdraden, die vroeger voor kleine weefsels zoals handschoenen werden gebruikt. Verder werden er van het parelmoer van de schelp knopen gemaakt.

Steenboorders - Gastrochaenidae
Steenboorder, Europese flessenschelp - Gastrochaena dubia
Engels: Flask Shell
Duits: Flaschenmuschel

De Steenboorder heeft schelpen die aan de voorzijde sterk gapen. De naam Gastrochaena betekent waarschijnlijk gapend aan de buikzijde van de schelp. Norman Tebble spreekt van ventral gape = ventraal (= aan de buikzijde) gapend. Het eerste deel gastro- komt van gaster (gr.) = buik, maag en het tweede deel van chaino (gr.) = gapen, wijd open staan.
De Steenboorders leven in zelf geboorde gangen in kalksteen en dikke schelpen. De geboorde gangen hebben een opvallende flessenvorm, zie de Nederlandse, Duitse en Engelse naam.
De soortnaam dubia (lat.) betekent twijfelachtig en zal wel met de onzekere plaats in de systematiek van doen hebben.

Strandschelpen - Spisula en Mactra
De meest algemene schelp langs onze stranden, Spisula subtruncata heeft een nogal kreupele Nederlandse naam: halfgeknotte strandschelp. Er waren eens twee schelpen: Mactra truncata, nu Spisula solida geheten, met de Nederlandse naam Geknotte strandschelp en Mactra subtruncata, nu Spisula subtruncata geheten. Truncata (Lat.) betekent geknot en sub- is een voorvoegsel dat een beetje of enigszins betekent en daarom kreeg de laatste soort de voornaam halfgeknotte. Spisula solida heet inmiddels Stevige strandschelp, maar “halfgeknotte” heeft het tot nu toe overleefd. Solida (Lat.) betekent stevig en slaat op de stevige schelp. Geknot en halfgeknot slaan op de vorm van de schelp, die bij S. subtruncata iets minder gelijkzijdig is.
Spisula komt van spissus (Lat.) dik of gedrongen en het verkleinwoord-achtervoegsel –ula. Mactra heeft de betekenis van deegtrog in het Latijn, dit is het genus waartoe ze eerst behoorden. Deze afkomst is nog te herkennen in de buitenlandse namen: Thick Trough-shell (Eng.) Trogmuschel (Duits) en Mactre solide (Fr.) voor Spisula solida en Gedrungene Trogmuschel (Duits) en Cut Trough-shell (Eng.).
Een synoniem van Spisula subtruncata is nog de moeite van het vermelden waard, Spisula hartingi, omdat het waarschijnlijk vernoemd is naar de beroemde Nederlander en bioloog Pieter Harting (1812-1885).
Er komen nog twee andere soorten in Nederland voor: Spisula elliptica – Ovale strandschelp of Elliptical Trough-shell (Engels) naar de vorm van de schelp en Spisula solidissima - de Amerikaanse (stevige) strandschelp naar de herkomst van de schelp. Deze laatste schelp heeft in het Duits de naam Dickschalige Trogmuschel, in het Frans Mactre d’Amerique en in het Engels-Amerikaans Atlantic Surf Clam. Solidissima, zeer stevig, is de overtreffende trap van solida.
De soort die nog in het genus Mactra gebleven is, is de Grote strandschelp, Mactra corallina. Inderdaad een grotere schelp dan de andere strandschelpen met duidelijke donker gekleurde stralen op een lichtere schelp. Vandaar Rayed Trough-shell (Eng.) en Strahlige Trogmuschel (Duits). In het Frans heet de soort Mactre coralline; corallina betekent van koraal of koraalrood en heeft te maken met de paarsrode binnenzijde van de schelp.
Grappig is dat deze soort in verscheidene kustplaatsen eigen volksnamen heeft: Kokkelekaan in Katwijk, Pitschelp in Egmond en Teilekok in Oostende in België.

Streepschelpen - Crenellinae
Geruite streepschelp - Crenella decussata
Engels: Cross-cut crenella
Deens: Gittermusling

Gemarmerde streepschelp - Modiolarca subpicta
Engels: Marbled crenella
Duits: Marmorierte Bohnenmuschel
Deens: Opsvulmet blåmusling (opsvulmet = gezwollen)

Platte streepschelp - Musculus costulatus
Engels: Ribbed crenella

Gebochelde streepschelp - Musculus discors
Engels: Green crenella
Duits: Grüne Bohnenmuschel
Deens: Kølet blåmusling

Zwarte streepschelp - Musculus niger
Engels: Black mussel, Corduroy mussel
Duits: Schwarze Bohnenmuschel
Deens: Sort blåmusling (sort = zwart)

De oppervlaktestructuur van de streepschelpen bestaat uit vanuit de top stralende groeven. Tot de subfamilie behoren drie in Nederland voorkomende genera. De subfamilienaam is afgeleid van het genus Crenella.
Creneleren is een kerfrand geven, bijvoorbeeld aan muntstukken. Het is evenals de genusnaam Crenella afgeleid van het Latijnse crena = keep; -ella is een verkleiningsuitgang. Het heeft betrekking op de gecreneleerde schelprand. De 50 of meer radiale ribben met de 40 of meer concentrische lijnen geven het schelpoppervlak een geruit uiterlijk. Decussata (Lat.) is kruisgewijs.

Modiolarca is een samenvoeging van twee generanamen Modiolus (Paardenmossel) en Arca (Arkschelp). Subpicta (Lat.) betekent iets beschilderd of onder beschilderd. Het vlekkenpatroon van de Gemarmerde streepschelp is vaak gemarmerd.

Musculus is een diminitief van het Latijnse mus = muis en betekent muisje of mossel. Het Nederlandse woord mossel is afgeleid van musculus. Het genus Musculus heeft boonvormige schelpen. Hieronder zijn de namen van drie soorten verklaard.
De Platte streepschelp is platter dan de overige streepschelpen. De sculptuur van de schelp bestaat uit radiale ribben; costulatus (Lat.) = met fijne ribben.
De gebochelde streepschelp heeft een gebochelde onderrand, deze is in het midden vaak wat naar buiten gebogen. Discors (Lat.) betekent verschillend en slaat wellicht op de sculptuur van de schelp, voor met groffere ribben (9-12), in het midden geen ribben en achter met zeer fijne ribben (30-45 of meer). Een oude Nederlandse naam is Ongelyk gestreept mossel-doublet (M. Houttuyn).
Bij de Zwarte streepschelp is van de volwassen dieren de opperhuid diep donkerzwart. Niger (Lat.) betekent zwart.

Tapijtschelp - Subfamilie Tapetinae
Venerupis senegalensis
Tapes decussata
Paphia aurea
Paphia rhomboides
De tapijtschelp is blijkbaar een aansprekende schelp want in veel talen hebben de soorten van de subfamilie van de Tapijtschelpen (Tapetinae) een naam. In Engeland heten ze Carpet-shell, in Duitsland Teppichmuschel, in Denemarken Taeppemusling, in Frankrijk Palourde of Clovisse, in Spanje Almeja en in Italië Vongola of Vongole.
De oppervlakte van de naamgevende soort Venerupis senegalensis (Synoniemen Venerupis pullastra en Tapes pullastra) heeft een tapijtachtige geweven structuur, vandaar de naam tapijtschelp, carpet-shell, Teppichmuschel en Taeppemusling. Het woord tapijt is via het Latijnse tapete afgeleid van het Griekse tapes, tapijt of kleed. Het synoniem Tapes pullastra draagt nog die Griekse genusnaam. De betekenis van de Spaanse naam almeja is het manteltje van de moren in Spanje. De Franse naam palourde is afgeleid van het Latijnse peloris dat reuzenmossel betekent. Clovisse is van het provencaalse clauvisso, dat is afgeleid van het Latijnse claudo = sluiten.
Senegalensis betekent van Senegal afkomstig. Gezien de verspreiding van Noord-Noorwegen, de Middellandse Zee tot aan de Atlantische kust van Marokko is dat niet zo voor de hand liggend. De andere soort naam pullastra betekent gelijkend op een kuiken (lat. pullus, vergelijk het Nederlandse pul = jong dier). In Engeland heet deze soort Pullet carpet-shell. Dit alles omdat de kleur van de schelp op het verenkleed van sommige kuikens lijkt. De Spaanse naam van deze soort is almeja babosa, waarbij babosa volgens het Spaanse woordenboek “naakte slak” betekent.
De genusnaam Venerupis is opgebouwd uit venus, tweede naamval veneris (een verwant geslacht schelpen) en rupis dat in het Latijn rots betekent. De schelpen zijn vaak met hun byssus draden bevestigd aan stenen of schelpen en soms bewonen ze de verlaten boorgangen van rotsborende schelpen. Daarmee is het tweede deel van de genusnaam verklaard.
Een tweede Nederlandse soort Tapes decussata is de geruite tapijtschelp. Decussata (Lat.) betekent kruisgewijs naar de sculptuur van de schelp. Chequered carpet-shell en Palourde croissée duiden op hetzelfde.
Verder komen er nog twee soorten van het genus Paphia in Nederland voor Paphia aurea, de gouden tapijtschelp en Paphia rhomboides, de gevlamde tapijtschelp. Paphus is een stad aan de westkust van Cyprus, gewijd aan Venus of Afrodite die er een prachtige tempel had en die daarom ook de bijnaam Paphia draagt. Aureus (Lat.) betekent gouden naar de oranje-gouden kleur van de schelp en rhomboides betekent gelijkend op een ruit naar de vorm van de schelp.

Tijgerpels – Palliolum tigerinum
Engels: Tiger Scallop
Frans: Peigne tigré
Deens: Tigerkammusling

De mantel is een lichaamsdeel van het weekdier dat onder meer voor de aanmaak van de schelp zorgt. Zo’n mantal heet wetenschappelijk pallium (Lat.). Een pallium is een Griekse mantel. Palliolum is een verkleinwoord van pallium (pallium + -olum). Het genus behoort tot de familie Pectinidae – de mantels of mantelschelpen, naar de vorm van de schelpen.
De soortstoevoeging tigerinum is afgeleid van tigris (Lat.) tijger, naar de tijgerkleurige tekening op de schelp.

Trapezium

Trapeziidae Lamy, 1920
Engels: Trapezium clams
Duits: Trapezmuscheln

Trapezium Megerle von Mühlfeld, 1811
Trapezium bicarinatum (Schumacher, 1817)
Trapezium obesa (Reeve, 1843) – (Eng.) Obese Trapezium-clam
Trapezium oblongum (Linnaeus, 1758) – (Eng.) Oblong Trapezium-clam
Trapezium rostrata Lamarck, 1819
Trapezium sowerbyi (Hidalgo, 1903)
Trapezium sublaevigatum (Lamarck, 1819)

synoniem: Libitina Schumacher, 1817

Coralliophaga Blainville 1824
Coralliophaga coralliophaga Gmelin, 1791
Coralliophaga decussata Reeve, 1845
Coralliophaga lithophagella Lamarck, 1819

De familienaam Trapeziidae bestaat zowel bij de Mollusca als bij de Crustacea. De familienaam is afgeleid van het genus Trapezium. Een trapezium is een vierkant met twee evenwijdige zijden. Naar de vorm van de schelp is het genus Trapezium genoemd. Trapezium komt van trapezion (gr.) = tafeltje, een verkleinwoord van trapeza = tafel. Trapeza is samengesteld uit tetra = vier en peza = voetstuk.

Een synonieme genusnaam voor sommige soorten uit dit genus is Libitina. Libitina of Venus Libitina is de Romeinse godin der wijngaarden en van alles, wat de laatste eer betreft.

De betekenis van enkele soortnamen is als volgt: bicarinatum (lat.) = tweekielig, obesa (alt.) = dik, zwaarlijvig, oblongum (lat.) = langwerpig, rostrata (lat.) = gesnaveld, sowerbyi = naar G.B. Sowerby en sublaevigatum = enigszins kaal gemaakt.
De genusnaam Coralliophaga is opgebouwd uit corallium (lat.) = koraal en phaga phagein (Gr.) = eten, verteren.
De soorttoevoeging decussata (lat.) betekent kruisgewijs en lithophagella is samengesteld uit lithos (gr.) = steen , phagein = eten en -ella een diminitief .

Tweetandschelp - Mysella bidentata
Familie: Montacutidae
Engels: Two-toothed Montagu shell
Duits: Zweizähnige Linsenmuschel

In de rechterklep van de Tweetandschelp bevinden zich twee zeer duidelijke laterale tanden, de cardinale tanden in de linkerklep zijn echter nauwelijks als zodanig te herkennen. De soortnaam bidentata (lat.) betekent tweetandig.
Een niet-officiële Nederlandse naam is Dwergmosseltje. De Latijnse naam van de mossel, musculus is een verkleinwoord van mus = muis; tevens heeft musculus de betekenis muisje of spier. Het Latijnse mus is afgeleid van het Griekse mus. Bij transcriptie van het Griekse mus naar het Latijn wordt de u een y, dus mys. Hierbij zijn we bij Mysella uitgekomen (mys + dim –ella), hetgeen muisje betekent, maar waarschijnlijk heeft de auteur ook aan een mossel of mosseltje gedacht.

Venusschelp - Chamelea striatula
Synoniem: Venus striatula
Engels: Striped Venus
Duits :Venusmuschel
Frans: Vénus striée
Deens: Almindelig venusmusling

Volgens Hansson kan de wetenschappelijke naam als volgt verklaard worden. Chamai (gr.) betekent op de grond, laag of chama (lat.) = kokkel + elaia (gr.) = olijf. Het eerste deel komen we ook tegen in kameleon (gr. chamaileon = leeuw op de grond). Het is een betekenis die niet zo veel over dit schelpengenus zegt.
De grondkleur van de schelp is wit of lichtgeel met daarop drie donkere banden die naar de rand toe breder worden. Striatula (lat.) betekent fijn gestreept, striatus = gestreept + -ula (dim.).
De Venusschelp is genoemd naar de vroegere wetenschappelijk naam Venus striatula. Zie voor de betekenis van Venus de Wrattige venusschelp .

Vensteroesters - Placunidae
Doorschijnende vensteroester, Glasschelp - Placuna placenta
Engels: Windowpane shell, Windowpane oyster (windowpane = vensterruitje), Window glass shell, Jingle shell, Kapis shell
Duits: Chinesisches Fenster, Fensterglasmuschel, Scheibenmuschel

Het zijn glasachtig doorschijnende schelpen die in de Filippijnen en China als vensterglas werden gebruikt. Zowel de genus- en soortnaam betekenen koek, naar de ronde en platte vorm van de schelp. Placuna komt van het Griekse plakous en placenta is koek in het Latijn.
De vensteroester is vanwege zijn doorzichtige platte schelp nog steeds van economisch belang. In de schelpennijverheid worden er vele ambachtsproducten van gemaakt, zoals schemerlampen, kroonluchters, schaakborden en wind-klokkenspelen.

Vertakte paalworm - Teredora malleolus
Engels: Malleate shipworm

Teredora is afgeleid van de naam van een verwant genus Teredo, de paalworm. De betekenis van het achtervoegsel –(o)ra is onbekend.
Naar de “vertakte” paletten heet de soort vertakte paalworm. De paletten zijn in omtrek ovaal met een korte steel. Malleus is in het Latijn hamer en malleolus hamertje. De soortnaam slaat waarschijnlijk ook op de vorm van de paletten.

Vijlschelpen – Limidae
Vijlschelpen, raspschelpen – Limidae
Duits: Feilenmuscheln
Kleine vijlschelp - Limatula gwyni
Engels: Elliptical file shell

Scheve vijlschelp - Limea loscombi
Engels: Fragile file shell
Deens: Filmusling

Vanwege het raspachtige oppervlak van de schelpen heten de vertegenwoordigers van de familie Limidae rasp- of vijlschelpen. Lima (Lat.) = vijl.
Hoewel de raspschelpen niet behoren tot de mantelschelpen kunnen ze wel zwemmen. Omdat ze alle richtingen op kunnen "springen" worden ze ook wel springoesters genoemd.
Bijzonder is dat sommige soorten een nest bouwen, van met byssusdraden aan elkaar gelijmde schelpen en stenen. In dit nest kan het dier zich bij gevaar terug trekken, maar ze herbergen er ook hun jongen.
Limatula (Lat.) betekent fijn gevijld. Omdat de soort kleiner is, heeft deze naam Kleine vijlschelp.
De soortnaam gwyni is genoemd naar John Gwyn Jeffreys (1809-1885) advocaat uit Swansea. Hij organiseerde en nam deel aan verscheidene expedities. Zijn hoofdwerk is British Conchology (1862-1869). De soorten en genera die naar hem vernoemd zijn, zijn gebaseerd op de naam Gwyn of op Jeffreys (bijvoorbeeld Colus jeffreysianus (P. Fischer, 1868)).
Limea is afgeleid van de genusnaam Lima.
De numismaticus Clifton Wintringham Loscombe (1784-1853) vond het eerste exemplaar van Limaria loscombi buiten Exmouth. Naar hem is de soort vernoemd. Vanwege de scheve vorm van de schelp heten ze Scheve vijlschelpen.

Vleugeloesters – Pteria
Familie: Pteriidae
Engels: Wing oysters
Duits: Flügelmuscheln
Frans: Huîtres ailées

Zwaluwvleugel - Pteria hirundo
Synoniem: Avicula hirundo
Duits: Vogelmuschel
Engels: European wing oyster
Frans : Hirondelle de mer, Avicule hirondelle

Pinguïnvleugeloester - Pteria penguin
Engels : Giant wing oyster
Frans: Avicule géante

Geribde vleugeloester – Pteria colymbus
Engels: Atlantic Wing Oyster
Frans: Huître ailée de l'atlantique

De familie Pteriidae is genoemd naar het genus Pteria – Vleugeloesters, naar de vleugelvormige schelpen. Pteria komt van het Griekse pteron = vleugel.of veer
Enkele soorten van dit genus zijn naar vogels genoemd zoals Pteria hirundo naar de zwaluw (lat. hirundo = zwaluw), Pteria penguin naar het Engelse penguin, uit het welsh, oorspronkelijk was het de naam van de in 1844 uitgestorven reuzenalk en Pteria colymbus, naar het Griekse kolumbis, een watervogel (duiker).
De geribde vleugeloester heeft concentrische dwarsribben en vage lengteribben.
De Franse naam avicule komt van het Latijnse avicula = vogeltje.

Wit muntschelpje - Hemilepton nitidum
Familie: Lasaeidae
Engels: Shining coin shell

De naam Wit muntschelpje is een vertaling van het Engelse Coin shell. Het is een vrijwel ronde, kalkwitte, gladde en glanzende schelp. De soortnaam nitidum (lat.) betekent glanzend, schitterend.
Het voorvoegsel hemi (gr.) van de genusnaam betekent half. Waarschijnlijk duidt dit op de verwantschap met het genus Lepton.

Wrattige venusschelp - Venus verrucosa
Duits : Warzige Venusmuschel
Engels : Warty Venus
Frans : Praire commune (Provencaalse naam), Vénus verruqueuse (verruqueux = wrattig)

Venus, de godin van de liefde en schoonheid, is de inspiratie geweest voor de naamgever van de Venusschelpen (familie Veneridae). Volgens de ene mening vanwege de schoonheid van de fraai gekleurde schelpen, volgens een andere vanwege haar relatie met de zee. Omdat Kronos de macht van zijn vader Uranos wilde afnemen, ontmande hij hem en wierp het afgesneden lichaamsdeel in zee. Uit het schuim dat bovendreef toen Uranos' geslachtsorgaan in zee viel, ontstond Aphrodite. Haar naam betekent "uit schuim geboren". Venus is de Romeinse godin die gelijkgesteld is aan Aphrodite.
In het beroemde schilderij Geboorte van Venus van Botticelli (ca. 1485) stapt ze, nadat ze vervoerd is op een schelp, aan land bij Paphos in Cyprus. (zie ook Paphia en Cypraea).
In Nederland komt maar één soort uit het genus Venus voor: de Wrattige venusschelp, naar de wartachtige uitsteeksels op de schelp. Verrucosa (Lat.) betekent wratachtig.



Zaagje - Donax vittatus
Het zaagje dankt zijn naam aan de fijngetande onderzijde van de schelp, die als een zaagje aanvoelt. Een andere Nederlandse naam muizentandje slaat ook op deze fijne tandjes.
Dit opvallende kenmerk komt niet in andere talen tot uitdrukking. Gebänderte Dreiecksmuschel (Duits), Banded Wedge-shell (Eng.) en Olive de mer (Frans) hebben de vorm en de kleur als kenmerkende eigenschap. De driehoekige vorm (Dreieck = driehoek en wedge = wig), de witte stralen uit de top en de gladde olijfgroene opperhuid (olive = olijf of olijfkleurig) zijn de naamgevende factoren. Ook de wetenschappelijke soortnaam vittatus betekent gebandeerd of gestreept.
Donax is de naam die door Plinius aan deze soort is gegeven, ze is afgeleid van het Griekse Donax riet, dat verwant is met doneo = schudden. Waarom de soort deze naam heeft gekregen is niet bekend. Bob Entrop geeft als verklaring: “naam van een zeevis”.
In Amerika leeft een verwante soort Coquina (Donax variabilis) die zo vaak verzameld werd voor de coquina-soep, dat er beschermende maatregelen genomen moesten worden. De soort heeft ook de naam vlindertje, omdat de uitgespreide doubletten op een vlinder lijken. Coquina is een Spaanse naam voor verschillende Donax soorten.

Zandschelp - Mysia
Ronde zandschelp - Mysia undata
Engels: Wavy Venus
Deens: Mysia musling

De zandschelp is verwant aan de Amerikaanse boormossel, maar de dieren leven ingegraven in het zand en maken geen boorgaten.
De genusnaam Mysia is mogelijk afgeleid van Mysia of Mysië, in de oudheid een provincie in Klein-Azië. Waarschijnlijk zijn de eerst gevonden of beschreven soorten van de kusten van deze provincie afkomstig. Rafael Muniz Solis meent echter dat de naam is afgeleid van musos (gr.) = iets dat walging veroorzaakt, vuil.
Norman Tebble (1966) vermeldt van de klepranden: "tending to undulate". Undulata (lat.) = gegolfd en heeft dus betrekking op de enigszins golvende schelprand.

Zeeklitschelp - Montacuta
Geribde zeeklitschelp - Montacuta substriata
Engels: Montagu's Urchin Shell

Bij de soorten uit het genus Montacuta is sprake van commensalisme. De dieren leven vastgeklit op de stekels van zeeklitten en zeeëgels, zonder dat ze schadelijk zijn voor de gastheren. De Geribde zeeklitschelp leeft ondermeer op de Purperen zeeklit (Spatangus pupureus) en de Hartvormige zeeklit (Echinocardium cordatum). Het genus Montacuta is genoemd naar George Montagu (1753-1815). De soortnaam substriata (Lat. = enigszins gestreept) slaat op de radiale ribben (vandaar de Ned. naam geribd) of op de fijne concentrische lijnen op de schelp.

Zonneschelpen - Psammobia
Ovale zonneschelp - Psammobia depressa
Synoniem : Gari depressa
Duits : Sandmuschel
Engels : Large sunset shell, Sanguin clam
Frans : Coquille du soleil levant, Psammobie

Geplooide zonneschelp - Psammobia fervensis
Synoniem : Gari fervensis
Duits: Sandmuschel
Engels: Faroe sunset shell
Deens: Kølet sandmusling

De naam Psammobia is een samenvoeging van psammos (gr.) = zand en bios = leven. De dieren leven namelijk ingegraven in het zand. De soorten heten zonneschelpen naar de kleurtekening op de schelpen: vanuit de top stralende kleurbanden.
In Zeeland spoelen fossiele schelpen aan van Psammobia depressa. Naar de vorm van de schelp heten ze Ovale zonneschelp. Depressa (lat.) betekent neergedrukt, plat en heeft ook op de vorm betrekking.
Fervensis betekent van de Faroer eilanden. Het verspreidingsgebied van deze soort is echter veel groter dan de zee rondom deze eilanden. Vanuit de top van de schelp van de Geplooide zooneschelp loopt een scherpe kiel of plooi naar de achterkant.
Gari is genoemd naar de soort Tellina gari uit de Indische oceaan. Een pre-linneaanse naam die de soort te danken heeft aan Georgius Everhardus Rumphius (1628-1702). Hij noemde deze soort Tellina gari naar het Latijnse garum = pikante vissaus, eigenlijk een vertaling van de inheemse naam bia bocassan (bia = schelp). Bocassan was in de tijd van Nederlands-Indië een bekende pittige vissaus, waarvan het schelpdier een van de toevoegingen vormde. Andere ingrediënten van deze saus waren zout, azijn, gember en kruiden.

Zwaardscheden en Mesheften - Ensis
Amerikaanse zwaardschede, Kromme zwaardschede - Ensis americanus
Synoniem: Ensis directus
Duits: Amerikanische Schwertmuschel
Engels: Atlantic jackknife clam, American razor shell
Frans: Couteau américain
Deens : Amerikansk knivmusling

Grote zwaardschede - Ensis arcuatus
Duits: Gebogene Scheidenmuschel
Engels: Sword razor
Deens: Buet knivmusling

Kleine zwaardschede Ensis ensis
Duits: Kleine Schwertmussel
Engels: Curved razor shell
Frans: Couteau courbe, Sabre
Deens: Sværdskedemusling

Klein tafelmesheft - Ensis minor
Duits: Messermuschel, Meerscheide
Engels: Narrow jackknife clam, Razor shell
Frans: Couteau

Groot tafelmesheft, Tafelmesheft - Ensis siliqua
Duits: Schotenmuschel, Taschen-messermuschel
Engels: Pod razor shell, Pod razor (pod = peul)
Frans: Couteau silique
Deens : Barberknivmusling

Het geslacht Ensis levert een grote verzameling namen op: Mesheften, Tafelmesheften, Messchelpen, Messcheden, Scheermessen, Scheermesschelpen en Zwaarscheden. In de Nederlandse naamgeving is enige systematiek aangebracht, de kromme soorten heten consequent zwaarscheden en de (vrijwel) rechte soorten tafelmesheften. De inheemse soorten worden verder onderverdeeld in grote en kleine soorten. De naamgeving in de andere talen is nogal chaotisch, wat ook veroorzaakt wordt door gebruik van verschillende bronnen.
De Amerikaanse zwaardschede, met het land van herkomst als bijvoeglijk naamwoord (americanus = Amerikaans), sluit als nieuwkomer de rij. Larven van deze soort kwamen in 1979 met ballastwater van een schip in Hamburg terecht. In 1982 verscheen hij bij Schiermonnikoog en in 1984 werd de eerste exemplaren op het strand van Texel gevonden. Nu komt de Amerikaanse zwaardschede in grote aantallen van Frankrijk tot en met Denemarken voor.
Ensis (Lat.) is een recht tweesnijdend zwaard. De soorttoevoeging arcuatus (Lat.) betekent gekromd, gebogen.
De Kleine zwaarschede komt met twee ondersoorten in Nederland voor, die naar hun breedte onderscheiden worden: de Slanke kleine zwaardschede (Ensis ensis subsp. ensis) en de Brede kleine zwaardschede (Ensis ensis subsp. phaxoides).
Soms geeft de auteur van een nieuwe soort of ondersoort een verklaring voor de keuze van een naam. Zo ook R.M. van Urk, die bij de eerste publicatie van deze naam (Basteria, 1964) schrijft: “De naam phaxoides (gelijkend op Phaxas) is om twee redenen gekozen (1) omdat de jonge schelpen oppervlakkig op Phaxas pellucidus lijken en (2) vanwege de voorkant die zo rond is als bij Phaxas.”
Van de rechte tafelmesheften heet Klein tafelmesheft in de wetenschap minor (Lat.) = kleiner en Groot siliqua (Lat.) = peul, peulvrucht.

Zwanenmossels - Anodontinae
Zwanenmossel - Anodonta cygnea
Synoniem: Anodonta nansoutyana
Duits: Schwannenmuschel
Enegels: Swan Mussel
Frans: Anadonte cygnea
Deens: Dammusling

Vijvermossel - Anodonta anatina
Duits: Entenmuschel
Engels: Duck Mussel
Frans: Anadonte anatine
Deens: Andemusling

Platte zwanenmossel - Pseudanodonta complanata
Duits: Schlanke Teichmuschel
Engels: Compressed River Mussel

Tot in de zeventiende eeuw geloofde men dat eendenmossels aan bomen (zogenaamde eenden- of ganzenbomen) groeiden en in eenden of ganzen veranderen. Het betreft hier echter geen weekdieren, maar schaaldieren, verwant aan de zeepokken. De wetenschappelijke naam van de Eendenmossel is Lepas anatifera. Anatifera (Lat.) betekent eenddragend en lepas (Gr.) betekent: een schelpdier (mossel) dat zich aan de rotsen vastzuigt.
Er zijn echter ook weekdieren met de naam Eendenmossel (Anodonta anatina), die tegenwoordig de naam Vijvermossel dragen, zodat er geen verwarring mogelijk is met Lepas anatifera. Daarnaast is er ook de Zwanenmossel (Anodonta cygnea). Cygnus komt van het Griekse kuknos = zwaan en anatina van anas (Lat.) = eend.
De Nederlandse namen zijn duidelijk afgeleid van de wetenschappelijke namen, maar hoe laten die laatste zich verklaren? Sommigen menen dat deze schelpen door zwanen en eenden gegeten worden. Zo vroeg L.E. Adams zich in het Journal of Conchology van 1905 zich af: Do swans and ducks eat Anodonta cygnea? Een andere mogelijke verklaring is dat zwanen en ganzen hetzelfde leefgebied bewonen als de zwanenmossels. En omdat zwanen groter zijn dan eenden kreeg de grootste soort de naam Zwanenmossel en de kleinere Eendenmossel? Of is er misschien toch nog een lijntje te leggen naar de hierboven genoemde Eendenmossel.
De ondersoort Anodonta cygnea zellensis of A. cygnea cellensis werd voor het eerst gevonden door J.S. Schröter in de stadsgrachten van Celle (Duitsland?). Cellensis betekent afkomtig uit Celle.
De naam Anodonta is opgebouwd uit an (Gr.) = geen of niet en odonta, van odous, odontos = tand. De schelpen zijn dus tandloos. Pseudanodonta = pseudo + anodonta; een onechte Anodonta. Complanata (Lat.) betekent afgevlakt of samengedrukt. De soort heeft opvallend platte schelpkleppen.

Anodonta nansoutyana is één van de 549 synoniemen van Anodonta cygnea (Certain mussel species have been over-named in Dan Graf & Kevin Cummings, 2003). De soort is genoemd naar Generaal Charles Marie Etienne Champion Dubois de Nansouty. Hij werd geboren op 20 februari 1815 in Dijon en overleed op 11 maart 1895 te Dax. Hij had een militaire loopbaan van 1837 tot 1872. Daarna vestigde hij zich in Bagnères de Bigorre. Hij interesseerde zich in het voor de malacologie. Vijf soorten zijn naar hem genoemd, maar alle namen zijn evenals de bovengenoemde in de vergetelheid van de synonymie geraakt. Ook had hij bijzondere belangstelling voor de meteorologie. Dankzij hem kwam in 1880 een observatorium op de Pic du Midi de Bigorre gereed.

Zwinkokkel - Megacardita planicosta
Carditidae – ribschelpen; Duits: Trapezemuscheln; Engels: False cockles

Een opvallende schelp op het strand van Cadzand is de fossiele schelp Megacardita planicosta (Lamarck, 1799) uit het Eoceen. Opmerkelijk zijn ook de grote hoeveelheden gaatjes die in veel schelpen voorkomen. De meeste daarvan zijn veroorzaakt door de boorspons, Cliona.
Hoewel niet in de familie van de kokkels (Cardiidae) voorkomend, heeft deze soort naar de gelijkenis met kokkels zijn Nederlandse naam gekregen. In het Engels heten de soorten False cockles. Naar het voorkomen in het Zwin op de grens van Nederland en België heten ze Zwinkokkels.
De genusnaam is samengesteld uit megas (gr.) = groot en de genusnaam Cardita, waarnaar ook de familie genoemd is. Cardita is afgeleid van kardia (gr.) = hart.
Costa (lat.) = rib en planus = vlak of plat, dus planicosta betekent met platte ribben. Andere vertegenwoordigers van de familie ribschelpen hebben wel sterke ribben.





Reacties naar aanleiding van deze pagina: contact